Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ7817

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-02-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
06 / 51 WW AZ1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het geschil spits zich toe op de vraag of , en zo ja in hoeverre, [belanghebbende] het niet nakomen van de in artikel 24, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW neergelegde verplichting kan worden verweten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 51 WW AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 1 februari 2007

in het geschil tussen:

[werkgever] Facilitair B.V.,

gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. K.E.M. Roskam, werkzaam bij Damsté advocaten te Almelo,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Groningen, verweerder.

Derde belanghebbende: [belanghebbende], wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. C.C.M. Peper, advocaat te Almelo.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 30 november 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

[belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]) is op 10 november 1980 bij eiseres in dienst getreden. Bij beschikking van de kantonrechter van 25 november 2004 is de arbeidsovereenkomst met ingang van1 december 2004 ontbonden. De rechtbank gaat uit van de volgende, in de die beschikking als vaststaand omschreven feiten:

“In het najaar van 2003 is [belanghebbende] als lid van de Reformatorische Vakorganisatie RMU in de ondernemingsraad van [werkgever] gekozen. [belanghebbende] is belijdend lid van de Gereformeerde Bond.

Nadat [belanghebbende] zich kandidaat had gesteld voor het lidmaatschap van de ondernemingsraad kwamen er bij [werkgever] brieven binnen waarin tot uitdrukking werd gebracht dat [belanghebbende], omdat hij lid was van de Gereformeerde Bond, niet als ondernemingsraadslid zou worden geduld. Vervolgens, nadat [belanghebbende] als ondernemingsraadslid was gekozen, kwamen bij [werkgever] signalen binnen dat [belanghebbende] niet als ondernemingsraadslid werd geaccepteerd. Het geheel escaleerde. Aanvankelijk werd [belanghebbende] slachtoffer van bedreigingen en in een later stadium werden de ondernemingsraad en [werkgever] ook daarmee geconfronteerd. Hieronder een aantal feiten waaruit de escalatie blijkt;

- Aan de auto van [belanghebbende], terwijl die geparkeerd stond op een terrein van [werkgever], worden meermalen vernielingen aangericht;

- [werkgever] ontvangt een brief, waarvan de inhoud erop neerkomt dat waneer [belanghebbende] niet als ondernemingsraadslid opstapt [werkgever] rekening moet houden met een ontploffing;

- Op 2 februari 2004 ontvangt [werkgever] een “poederbrief”. Het gehele kantorencomplex van [werkgever] wordt ontruimd. Politie, brandweer en ambulancedienst rukken uit. De vijf medewerkers van de postkamer moeten een aantal uren in quarantaine;

- De wanden van het kantorencomplex van [werkgever] worden beklad;

- Er wordt ingebroken in de kantorenruimte van [belanghebbende].

De ondernemingsraad en de directie van [werkgever] nemen het publiekelijk op voor [belanghebbende].

[werkgever] neemt een particulier recherchebureau in de arm en de politie wordt ingeschakeld. Op 7 oktober 2004 wordt [belanghebbende] in voorlopige hechtenis gesteld. [belanghebbende] blijkt zelf de dreigbrieven te hebben geschreven, zelf beschadigingen aan zijn auto en aan eigendommen van [werkgever] te hebben aangericht en zelf de poederbrief te hebben verzonden. Op 13 oktober 2004 komt [belanghebbende] vrij en wordt hij, dat hij bijgestaan door zijn gemachtigde is gehoord, geschorst”.

De kantonrechter heeft in zijn beschikking voorts, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Vooralsnog is niet uit te sluiten dat [belanghebbende] in een psychische overmachtsituatie heeft gehandeld. Het is aan medici om daarover te zijner tijd te oordelen. Wat daarvan zij, de kantonrechter acht onvoldoende termen aanwezig de arbeidsovereenkomst wegens dringende redenen als bedoeld in artikel 8:682 lid 2 BW te ontbinden. De situatie waarin [belanghebbende] verkeerde toen de ondernemingsraadperikelen voor hem actueel werden is daarvoor te ongewis.

[werkgever] heeft wel aannemelijk gemaakt dat zich veranderingen van omstandigheden voordoen die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Hetgeen [belanghebbende] bij [werkgever] heeft aangericht had verstrekkende gevolgen en alles wat [werkgever] daarover naar voren heeft gebracht, meer speciaal als het gaat om de geleden schade en de onrust onder het personeel, is aannemelijk. Voorts is in voldoende mate komen vast te staan dat de arbeidsrelatie daardoor onherstelbaar verstoord is geraakt en dat betekent dat zich veranderingen van omstandigheden voordoen op grond waarvan de arbeidsovereenkomst per 1 december 2004 zal worden ontbonden”.

Op 13 januari 2005 heeft [belanghebbende] bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 8 februari 2005 is deze aanvraag door verweerder afgewezen.

[belanghebbende] heeft bij brief 8 maart 2005 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij aanvullend bezwaarchrift van 10 mei 2005 heeft [belanghebbende] onder meer verwezen naar een door drs. E.L.G. Carlier, psychiater (verder te noemen: Carlier) in opdracht van Officier van Justitie mr. A.H.J.M. Damen opgesteld rapport van 5 januari 2005 omtrent de geestesvermogen van [belanghebbende]. Dit rapport omvat onder meer de resultaten van:

- onderzoek naar het ten laste gelegde;

- onderzoek naar de levensgeschiedenis;

- psychiatrisch onderzoek, inclusief de classificatie volgens de DSM-IV.

Bij brief van 27 mei 2005 heeft eiseres aan verweerder een reactie doen toekomen op het door [belanghebbende] ingestelde bezwaar.

[belanghebbende] heeft hierop gereageerd bij brief van 21 juni 2005.

Op 14 juli 2005 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Vervolgens heeft [belanghebbende] aan verweerder doen toekomen een brief van zijn behandelend psycholoog van 19 juli 2005.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift van [belanghebbende] heeft de bezwaarverzekeringsarts N. Visser beoordeeld of er sprake is (geweest) van zodanige psychische problematiek op of voor 1 december 2004 dat [belanghebbende] niet of gedeeltelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de handelingen en/of het gedrag dat tot ontslagname heeft geleid. Hiernaar heeft de bezwaarverzekeringsarts op 7 november 2005 rapport uitgebracht. De beschouwing/conclusie hiervan luidt als volgt:

“De vraag is of er een reden gelegen in ziekte en/of gebrek was die heeft geleid tot betrokkenes handelingen. In geval van ziekte en/of gebrek bestaat een verlies aan autonomie die heeft geleid tot het gedrag/de handelingen die tot het ontslag hebben geleid.

M.i. was er gedeeltelijk sprake van een verlies aan autonomie. Dat er gedeeltelijk sprake was van autonomieverlies blijkt uit hetgeen collega Carlier schrijft namelijk dat ondanks dat betrokkene het toelaatbare van zijn handelen en de impact op derden besefte, hij het niet kon stoppen. De reden daarvoor was dat hij te zeer geoccupeerd was met zijn gevoelens van onvolwaardigheid, ervaren onmacht, achterdocht en schuld bij anderen leggen om op een adequate wijze met de problemen in zijn gezin en op het werk om te kunnen gaan. Het geheel maakt dat collega Carlier betrokkene inschat als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Anderzijds pleiten de volgende gegevens tegen het autonomieverlies, namelijk:

Collega Carlier schrijft dat betrokkene onvoldoende heeft stilgestaan bij andere oplossingen als bijvoorbeeld veranderen van baan of ziek melding. Overwegingen die hij ondanks het ervaren “tunneldenken” redelijkerwijs had kunnen maken. Bovendien schreef betrokkene zijn brieven op momenten dat niemand in de buurt was behalve zijn kleinste kinderen. Hij wist dus dat hij iets deed wat hij niet zou moeten doen. En tenslotte wilde betrokkene met zijn daden iets bereiken (dat vergaderingen niet doorgingen), m.a.w. hij handelde doelbewust. Dat de vergaderingen desondanks doorgingen doet daaraan niet af.

Overweging van bovenstaande leidt dus tot de conclusie dat er slechts gedeeltelijk sprake is (geweest) van zodanige psychische problematiek dat betrokkene niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de handelingen en/of het gedrag dat tot onslag(name) heeft geleid.

Aangezien bovenstaande eenduidig uit de beschikbare gegevens is vast te stellen ik een eigen spreekuuronderzoek niet verder bijdragend”.

Bij besluit van 30 november 2005 is het door [belanghebbende] ingestelde bezwaar door verweerder gedeeltelijk gegrond verklaard en is [belanghebbende] met ingang van 1 december 2004 in aanmerking is gebracht voor een uitkering krachtens de WW. Tevens is aan [belanghebbende] een maatregel opgelegd inhoudende een korting van zijn uitkering met 35% gedurende 26 weken.

Namens is eiseres is bij brief van 10 januari 2006 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 31 januari 2006 een verweerschrift alsmede de op het geding betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 11 januari 2007, waar eiseres is vertegenwoordigd door M. van der Aa, manager Personeel en Organisatie, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Berg. Tevens is derde belanghebbende in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 30 november 2005 in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

In artikel 24, eerste lid, onder a van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In artikel 24, tweede lid, onder a van de WW is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

In artikel 27, eerste lid, van de WW – voor zover hier van belang - is bepaald dat indien een werknemer een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, niet is nagekomen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Standpunten van partijen

Eiseres voert ter onderbouwing van haar beroep aan dat het bestreden besluit in strijd komt met de betreffende wettelijke bepalingen en/of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiseres is onder andere van mening dat verweerder ten onrechte een WW-uitkering heeft toegekend aan [belanghebbende] terwijl deze zich schuldig heeft gemaakt aan diverse strafbare feiten jegens eiseres. Verder is eiseres van mening dat het onderzoek door verweerder onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Eiseres is van mening dat verweerder niet zonder meer mocht afgaan op de rapportage van Carlier maar ook zelfstandig onderzoek had moet verrichten. Eiseres wijst er daarbij op dat Carlier haar rapport op verzoek van de Officier van Justitie heeft uitgebracht in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast wijst eiseres erop dat de rapportage van Carlier voldoende aanknopingspunten bevat waaruit de eventuele conclusie zou kunnen worden getrokken dat [belanghebbende] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met zich mee zou kunnen brengen. Ten slotte voert eiseres aan dat [belanghebbende] bij vonnis van de rechtbank van 24 februari 2005 strafrechtelijk is veroordeeld. Hetgeen hem ten laste is gelegd is bewezen verklaard en het valt op dat de rechtbank ten aanzien van de straftoemeting geen aandacht heeft geschonken aan een eventuele schulduitsluitingsgrond, aldus eiseres.

Verweerder is van mening dat het door [belanghebbende] ingediende bezwaarschrift op een zorgvuldige wijze is behandeld. De namens [belanghebbende] ingebrachte medische rapportages heeft verweerder laten toetsen door de bezwaarverzekeringsarts en op basis van het door deze afgeven advies is het volgens verweerder verdedigbaar dat psychisch gezien sprake is geweest van verminderde toerekeningsvatbaarheid en dat om die reden is besloten om in plaats van de maatregel van blijvende gehele weigering op te leggen de maatregel van 35% over 26 weken is opgelegd.

De derde belanghebbende onderschrijft, kort gezegd, verweerders standpunt.

Overwegingen van de rechtbank

Het geschil spits zich toe op de vraag of , en zo ja in hoeverre, [belanghebbende] het niet nakomen van de in artikel 24, eerste lid, onder a, in samenhang met artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW neergelegde verplichting kan worden verweten. In samenhang hiermee met worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre het door Carlier uitgebrachte rapport daarbij een rol kan spelen en of het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit zorgvuldig is geweest. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt het enkele feit dat de rapportage van Carlier is uitgebracht in een strafrechtelijke procedure niet met zich dat deze rapportage niet betrokken zou mogen worden bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid van het niet nakomen van hiervoor bedoelde verplichting door [belanghebbende]. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking Carlier zich bij haar onderzoek niet uitsluitend heeft beperkt tot de vragen die aan haar zijn voorgelegd in het kader van de strafrechtelijke procedure maar ook een algemeen psychiatrisch onderzoek heeft verricht. Het gaat hier dus om een door een medisch deskundige uitgebracht psychiatrisch rapport en niet, zoals het geval was in de door eiseres ter zitting genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 november 2006, om het gebruik in een bestuursrechtelijke procedure van in een strafrechtelijke procedure verkregen bewijs. De rechtbank is voorts van oordeel dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit diens rapportage blijkt dat hij een dossierstudie heeft verricht en daarbij de door [belanghebbende] ingebrachte medische stukken heeft betrokken. Niet valt in te zien dat de bezwaarverzekeringsarts [belanghebbende] had moeten oproepen voor een spreekuurbezoek. Het enkele feit dat niet is gebeurd maakt niet dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest, nog daargelaten wat een spreekuurbezoek had kunnen toevoegen aan de reeds beschikbare gegevens. De rechtbank ziet voorts geen aanknopingspunten dat het advies van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist zou moeten worden gehouden. De losse, uit hun verband gehaalde passages uit de rapportage van Carlier, waarnaar eiseres verwijst, zijn in ieder geval niet voldoende om die conclusie te kunnen trekken.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich bij zijn besluitvorming heeft kunnen baseren op het advies van de bezwaarverzekeringsarts. Het strafvonnis van 24 februari 2005, waarnaar eiseres verwijst, doet hier niet aan af, waarbij wordt aangetekend dat uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dat zij, wat betreft het opleggen van de straf, wel degelijk rekening heeft gehouden met de persoon van [belanghebbende].

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers als griffier.

Afschrift verzonden op

AW