Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ7781

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
05-02-2007
Zaaknummer
06/1215
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt ten aanzien van de aan eiseres toe te rekenen onduidelijkheid over haar feitelijke woon- en verblijfplaats is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres haar feitelijke woon- en verblijfplaats in de in geding zijnde periode niet in de gemeente Hellendoorn heeft gehad. Uit de desbetreffende gegevens, in samenhang met de door eiseres ingebrachte gegevens, kan hooguit worden afgeleid dat eiseres om haar moverende redenen regelmatig in Rotterdam heeft verbleven, maar de rechtbank ziet niet in dat eiseres, door dit niet te melden, haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aan eiseres om achteraf te bewijzen dat zij haar feitelijke woon- en verblijfplaats te Hellendoorn niet heeft opgegeven gedurende de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005, maar aan verweerder om aan te tonen dat wel sprake is van het tijdelijk opgeven van de feitelijke woon- en verblijfplaats in die periode. De afwezigheid van eiseres tijdens de huisbezoeken op 11 en 14 oktober 2005, de verklaringen van de buren van eiseres en van mevrouw B en de datum van inschrijving van eiseres’ dochter bij een scholengemeenschap zijn daartoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 1215 WWB AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d.

in het geschil tussen:

A,

wonende te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. M.A. Schuring, advocaat te Wierden,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hellendoorn, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder d.d. 17 maart 2006.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres heeft op 10 augustus 2005 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering voor de noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij schrijven van 22 augustus 2005 heeft het Centrum voor Werk en Inkomen eiseres verzocht om voor 30 augustus 2005 ontbrekende documenten in te leveren.

Bij schrijven van 23 augustus 2005 heeft verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 30 augustus 2005 en haar verzocht ontbrekende documenten over te leggen.

Verweerder heeft op 11 oktober 2005 de woning van eiseres bezocht, waarbij eiseres niet thuis is aangetroffen. Vervolgens heeft verweerder eiseres bij schrijven van 12 oktober 2005 medegedeeld voornemens te zijn bij haar op 14 oktober 2005 een huisbezoek af te leggen. Bij dit huisbezoek is eiseres niet thuis aangetroffen.

Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 4:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgeschort omdat eiseres niet aanwezig was tijdens het huisbezoek op 14 oktober 2005. Voorts heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen en een huisbezoek aangekondigd op 18 oktober 2005. Hierbij is vermeld dat indien zij hieraan gehoor geeft, een onderzoek naar het recht op uitkering wordt ingesteld en dat als de uitkering wordt toegekend, ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB, juncto artikel 11 van de Maatregelenverordening van de gemeente Hellendoorn 2004 een maatregel zal worden opgelegd.

Verweerder heeft op 18 oktober 2005 de woning van eiseres bezocht, waarbij eiseres wel thuis is aangetroffen.

Op 21 oktober 2005 heeft verweerder wederom de woning van eiseres bezocht, waarbij eiseres niet thuis is aangetroffen.

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 4:15, eerste lid, van de Awb wederom opgeschort omdat eiseres niet aanwezig was tijdens het huisbezoek op 21 oktober 2005. Hierbij is overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat er onduidelijkheden bestaan over de feitelijke verblijfplaats van eiseres van de afgelopen maanden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, en dat verweerder om die reden van plan was om eiseres op genoemde datum thuis te komen bezoeken. Voorts heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen en eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 25 oktober 2005.

Op 25 oktober 2005 is eiseres bij verweerder verschenen voor een gesprek.

Bij besluit van 15 november 2005 heeft verweerder eiseres met ingang van 10 augustus 2005 een uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van de WWB. Voorts wordt eiseres over de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 uitgesloten van het recht op een bijstandsuitkering omdat eiseres in die periode niet feitelijk in de gemeente Hellendoorn heeft verbleven. Met ingang van 15 oktober 2005 wordt het recht op een bijstandsuitkering weer hervat aangezien eiseres vanaf die datum weer feitelijk in de gemeente Hellendoorn verblijft.

Tegen het opschortingsbesluit van 14 oktober 2005 heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 24 november 2005 bezwaar gemaakt. Bij brief van 27 december 2005 heeft de gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 november 2005.

Op 9 februari 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De gemachtigde van eiseres heeft bij schrijven van 20 februari 2006 aanvullende stukken ingezonden. Vervolgens heeft de Commissie bezwaarschriften sociale zekerheid (hierna: Commissie) advies aan verweerder uitgebracht over de bezwaren van eiseres.

Bij besluit van 17 maart 2006 (besluit I) heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften sociale zekerheid, het bezwaar tegen het besluit van 14 oktober 2005 ongegrond verklaard. Bij besluit van diezelfde datum (besluit II) heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Commissie, het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2005 ongegrond verklaard.

De gemachtigde van eiseres heeft op 27 april 2006 tegen de besluiten van 17 maart 2006 beroep ingesteld. Het tegen besluit I ingestelde beroep is geregistreerd onder nummer 06/571 WWB. Het beroep tegen besluit II is geregistreerd onder nummer 06/1215 WWB.

Verweerder heeft bij schrijven van 31 mei 2006 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen zijn behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 21 december 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A.P. Wennemars. Ter zitting is het beroep tegen besluit I (06/571 WWB) ingetrokken.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of besluit II van 17 maart 2006, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het (toekennings)besluit van 15 november 2005 ongegrond is verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

In artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

Ingevolge artikel 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verliest een natuurlijk persoon zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft, voor zover van belang en samengevat weergegeven, het volgende aan zijn besluit (II) van 17 maart 2006 ten grondslag gelegd.

Vastgesteld is dat eiseres in de periode vóór 1 september 2005 en na 14 oktober 2005 feitelijk in Hellendoorn heeft verbleven. De tussenliggende periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 is onduidelijk. Naar aanleiding van een tip van de Woningstichting dat de woning van eiseres wellicht niet bewoond was, heeft verweerder op 11, 14 en 21 oktober 2005 huisbezoeken verricht vanwege onduidelijkheid over de feitelijke verblijfplaats van eiseres en haar gezin. Tijdens deze huisbezoeken was het gezin niet aanwezig en zag de woning er onbewoond uit (leeg, veel post in de deur). Vervolgens is aanvullend onderzoek verricht, bestaande uit buurtonderzoek, waarbij verklaringen van twee buren van eiseres zijn opgenomen, en een telefoongesprek met mevrouw B, gezinsvoogd van de jongste zoon C. Uit de huisbezoeken en het aanvullend onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres en haar gezin niet feitelijk in Hellendoorn hebben verbleven in de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005.

Op basis van de tijdens de hoorzitting bekende feiten en omstandigheden en de naderhand door eiseres overgelegde gegevens is het volgende vastgesteld:

- In de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 heeft eiseres meerdere malen elders verbleven, in ieder geval begin september 2005 in verband met bedreiging en half oktober 2005 in verband met verhuizing van meubels, en voorts ook nog een aantal malen vanwege het niet beschikken over middelen.

- De woning van eiseres was in genoemde periode leeg tot nagenoeg leeg.

- De buren van eiseres hebben in oktober 2005 verklaard dat eiseres meerdere malen afwezig was en dat de woning er onbewoond uitzag.

- Ten tijde van de uitgevoerde huisbezoeken was niemand aanwezig in de woning.

- Mevrouw B heeft verklaard dat het gezin begin september 2005 uit Hellendoorn is vetrokken en vanaf 10 oktober 2005 weer verblijft aan de (adres) te Hellendoorn.

- De dochter van eiseres heeft in de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 geen onderwijs genoten, maar is pas op 9 november 2005 aangemeld en ingeschreven.

- Weliswaar heeft de zoon van eiseres vanaf 28 september 2005 ingeschreven gestaan bij de voetbalvereniging te Hellendoorn, maar niet is gebleken dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de voetbaltraining.

- Correspondentie van het Zilveren Kruis en de Woningstichting is gericht aan voornoemd adres.

- Op de zorgpolis van de zoon van eiseres, welke polis op 15 oktober 2005 is afgegeven, is een huisarts en een apotheek uit Hellendoorn vermeld.

Op grond van deze punten kan niet worden vastgesteld wat de feitelijke verblijfplaats van eiseres is geweest in de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005. Eiseres heeft hierover onvoldoende duidelijkheid verschaft en het recht op bijstand in deze periode kan dan ook niet worden vastgesteld. Eiseres wordt over genoemde periode uitgesloten van het recht op bijstand omdat niet vastgesteld kan worden dat eiseres in genoemde periode in de gemeente Hellendoorn heeft verbleven en zij daarover niet voldoende duidelijkheid heeft verschaft.

In beroep heeft eiseres, samengevat weergegeven en voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd.

Eiseres heeft tot 4 augustus 2005 met haar gezin bij haar dochter in Rotterdam gewoond. Per die datum kon zij een woning betrekken in Hellendoorn aan de (adres). Eiseres had echter bijna geen meubels en overige zaken om de woning mee in te richten en heeft in de maanden na het betrekken van de woning de overige inrichting langzaam bij elkaar gesprokkeld. Totdat eiseres een woning in Hellendoorn kreeg toegewezen hebben zij, haar echtgenoot en haar kinderen een zwervend bestaan geleid.

Eiseres heeft in de periode van 1 september 2005 tot 14 oktober 2005 meerdere malen met haar echtgenoot en haar dochter gelogeerd bij haar dochters in Rotterdam en Haarlem. Dit doet er niet aan af dat vaststaat dat haar feitelijke woon- en verblijfpaats in Hellendoorn was. Verwezen wordt in dit verband naar verklaringen van eiseres’ buurvrouw en van de heer D, een handtekeningenlijst, een bewijs van inschrijving van de zoon van eiseres bij de plaatselijke voetbalvereniging en een betalingsherinnering van Zilveren Kruis Achmea. Het is onterecht dat eiseres na lange tijd zonder geld, dan wel een uitkering te hebben gezeten en zich bedreigd te hebben gevoeld, nog een keer gestraft wordt door te worden uitgesloten van het recht op een bijstandsuitkering over de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005.

Eiseres is analfabeet en kan derhalve niet lezen of schrijven. De post die zij krijgt, laat zij altijd lezen door haar dochters in Haarlem en Rotterdam. Van de bij brief gemaakte afspraken heeft zij dan ook pas gehoord nadat deze afspraken hadden plaatsgevonden. In de periode van 11 oktober 2005 tot en met 14 oktober 2005 heeft eiseres met haar gezin bij haar dochter gelogeerd. Omdat eiseres in afwachting was van een bijstandsuitkering en aan haar geen voorschot werd verstrekt, kon zij geen eten kopen en was ze genoodzaakt naar haar dochter, E, te gaan. Daarnaast hadden eiseres en haar gezin door enkele incidenten het gevoel gekregen in Hellendoorn met de nek te worden aangekeken, voelden zij zich niet veilig in hun eigen woning en voelden zij zich gediscrimineerd. Om tot rust te komen is eiseres in de periode vanaf ongeveer 3 september tot 14 oktober 2005 voor een korte periode bij haar dochters in Rotterdam en Haarlem gaan logeren. De eerste levensbehoeften waren echter voor eiseres de directe aanleiding om naar haar dochters te gaan. Ter zitting is hierbij aangetekend dat de woning van eiseres te Hellendoorn nauwelijks was ingericht en dat eiseres de benzinekosten vergoed kreeg als zij naar haar dochters ging. De bezoekjes aan haar dochters waren er immer op gericht om naar Hellendoorn terug te keren. Dergelijke korte logeerpartijen hoefde eiseres niet bij verweerder door te geven omdat deze niet onder de inlichtingenplicht van artikel 17 van de WWB vallen. De korte bezoekjes waren dan ook niet van invloed op de beoordeling van haar recht op bijstand. Uitdrukkelijk wordt betwist dat eiseres en haar gezin niet feitelijk verbleven in de gemeente Hellendoorn. Verweerder is niet zorgvuldig geweest in zijn onderzoek naar de feitelijke woon- en verblijfplaats van eiseres. Verweerder heeft in strijd gehandeld met één of meerdere beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Op basis van enkele verklaringen is verweerder ervan uitgegaan dat eiseres niet woonachtig is geweest in de gemeente Hellendoorn. Het lijkt wel of verweerder de bewijslast probeert om te keren. Het is echter niet aan eiseres, maar aan verweerder om te bewijzen dat eiseres in de hiervoor genoemde periode haar feitelijke woon- en verblijfplaats in de gemeente Hellendoorn heeft gehad. Het enkel niet aanwezig zijn op twee momenten is onvoldoende om de conclusie te trekken dat eiseres haar feitelijke woon- en verblijfplaats niet in Hellendoorn had.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres veel te laat afgehandeld: de uitkering is op 10 augustus 2005 aangevraagd en pas op 11 oktober 2005 wordt de eerste aantoonbare actie ondernomen. Door niet binnen een redelijke termijn te beslissen heeft verweerder gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Voorts is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, fair play, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

Bij zijn verweerschrift heeft verweerder, voor zover van belang en samengevat weergegeven, nog het volgende naar voren gebracht.

Over de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 is de bijstandsverlening geweigerd omdat eiseres niet aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Er is onduidelijkheid over de woon- en verblijfplaats van eiseres. De onduidelijkheid wordt ingegeven door de afwezigheid van eiseres, de post in de hal van de woning, de zeer sobere inrichting van de woning, de verklaringen van de buren, van mevrouw B en van de leerplichtambtenaar. De verklaring van eiseres over haar veelvuldige afwezigheid, welke verklaring erop neerkomt dat zij gedurende een aantal dagen buiten de gemeente Hellendoorn heeft verbleven, kan niet worden geverifieerd. Uit het relaas van mevrouw B is geconcludeerd dat het aannemelijk is dat eiseres begin september 2005 haar intrek heeft genomen bij haar dochter te Rotterdam dan wel elders en vervolgens in de loop van de maand oktober 2005 weer is teruggekeerd naar Hellendoorn. De onduidelijkheid over de feitelijke woon- en verblijfplaats is in bezwaar blijven bestaan. Om die reden kan niet met zekerheid worden gesteld dat eiseres haar domicilie in de gemeente Hellendoorn heeft gehad en daar recht op bijstand had. Dat de woonplaats niet is opgegeven, zoals door eiseres wordt gesteld, wordt door eiseres niet gestaafd met bewijsstukken en wordt ook verder niet aannemelijk gemaakt. Het is een misvatting dat verweerder moet aantonen wat de feitelijke woon- en verblijfplaats van eiseres is. Ook tijdens de behandeling van een aanvraag is de aanvrager gehouden te voldoen aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 17 van de WWB.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft over zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

Voor de vaststelling van een woonplaats van een persoon wordt door verweerder in beginsel uitgegaan van persoonsgegevens zoals die in de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) geregistreerd staan. Vast staat dat eiseres met ingang van 4 augustus 2005 in de GBA van de gemeente Hellendoorn staat ingeschreven op het adres (adres) te Hellendoorn. Voorts staat vast dat eiseres de woning op dit adres met ingang van 5 augustus 2005 heeft gehuurd van Woningstichting Hellendoorn. Tussen partijen is verder niet in geschil dat eiseres in ieder geval vanaf 10 augustus 2005, zijnde de ingangsdatum van haar een WWB-uitkering, tot en met 31 augustus 2005, alsmede vanaf 15 oktober 2005, ook op het adres (adres) te Hellendoorn woonachtig is geweest. Ook staat vast dat verweerder in het kader van de beoordeling van het recht op bijstand pas op 11 oktober 2005, door middel van het onverwacht afleggen van een huisbezoek, onderzoek is gaan doen naar de feitelijke woon- en verblijfplaats van eiseres.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er onduidelijkheid is over de woon- en verblijfplaats van eiseres in de in geding zijnde periode, welk standpunt er in feite op neerkomt dat eiseres haar feitelijke woon- en verblijfplaats te Hellendoorn tijdelijk heeft opgegeven, verwijst verweerder naar de afwezigheid van eiseres en haar gezin tijdens de huisbezoeken op 11 en 14 oktober 2005, de post in de hal van de woning, de zeer sobere inrichting van de woning en de stand van de inrichting van de woning in de periode na 15 oktober 2005, de verklaringen van de buren van eiseres en van mevrouw B en de inschrijving van de dochter van eiseres bij scholengemeenschap F per 9 november 2005. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Bij het (eerste) huisbezoek op 11 oktober 2005 heeft verweerders rapporteur geconstateerd dat eiseres en haar gezin niet aanwezig waren en dat de woning een onbewoonde indruk maakte. Alle ramen zaten dicht en waren afgesloten met grote doeken en lappen, terwijl door de voordeur heen te zien was dat er veel post in de gang lag, zo is vermeld in de door rapporteur G op 11 november 2005 opgestelde rapportage. Welke indruk de woning van eiseres vóór 1 september 2005 maakte en, hiermee samenhangend, of de woning van eiseres er vóór 1 september 2005 wel bewoond uitzag, blijkt echter niet uit de verklaringen van de buren van eiseres. Ook uit de overige in dezen ten dienste staande gegevens blijkt niet dat de woning van eiseres vóór 1 september 2005 een bewoonde indruk maakte en nadien niet meer. Verweerder heeft dit ook niet onderzocht. Dat eiseres, naar zij heeft gesteld, niet veel huisraad had en dat haar woning dientengevolge aanvankelijk een onbewoonde (lege) indruk maakte, acht de rechtbank niet onaannemelijk, nu eiseres onweersproken heeft gesteld dat zij, voordat zij naar Hellendoorn kwam, bij haar dochter te Rotterdam heeft gewoond.

De buurvrouw van eiseres (adres nr. 14) heeft op 11 oktober 2005 tegenover verweerders rapporteur onder meer verklaard dat zij in september 2005 op vakantie was geweest en daarvan begin oktober 2005 was teruggekeerd en dat de woning op nr. 16 toen helemaal leeg was, in die zin dat door de hele woning heen kon worden gekeken en dat slechts een kale vloer te zien was.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze verklaring niet worden afgeleid dat in de hele woning geen spullen stonden en al helemaal niet dat eiseres gedurende de in geding zijnde periode de woning aan (adres) niet bewoonde; de buurvrouw is immers de maand september 2005 op vakantie geweest.

Ook bij het tweede huisbezoek op 14 oktober 2005 heeft verweerders rapporteur geconstateerd dat eiseres en haar gezin niet aanwezig waren, dat er doeken voor de ramen hingen en dat er een stapel post in de gang lag. Tijdens het huisbezoek op 18 oktober 2005 heeft eiseres verklaard dat zij en haar gezin de periode daarvoor diverse malen bij haar dochter in Rotterdam zijn geweest, dat ze geen geld hadden voor eten en dat ze om die reden naar haar dochter gingen, om te kunnen verblijven en eten. Ter zitting heeft eiseres nog verklaard dat ze de benzinekosten voor de reizen naar Rotterdam vergoed kreeg en dat ze weliswaar van haar dochter geld had kunnen krijgen om in Hellendoorn boodschappen te doen, maar dat ze het niet zag zitten om, kort gezegd, daar in een nagenoeg leeg huis te zitten. De rechtbank ziet niet in dat aan deze verklaringen geen enkele betekenis toekomt en stelt vast dat verweerder ook nooit gericht onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van deze verklaring. Nog afgezien hiervan, kan in dit geval uit het enkele feit dat eiseres niet aanwezig was tijdens de - onaangekondigde - huisbezoeken op 11 en 14 oktober 2005 niet worden geconcludeerd dat eiseres in de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 haar feitelijke verblijfplaats niet in de gemeente Hellendoorn heeft gehad.

De buurman van eiseres (adres nr. 18) heeft op 21 oktober 2005 tegenover verweerders rapporteur onder meer verklaard dat er vanaf begin augustus 2005 mensen gingen wonen in de woning op nr. 16, maar dat zij na een dag of 3/4 weer weg waren, dat hij had gezien dat de mensen van nr. 16 een karretje, dat zij hadden gehuurd van G in Hellendoorn, hadden volgepakt met meubels en kleding en daarna zijn weggegaan, dat deze mensen vaker een dag of 4/5 zijn weggeweest, dat ze in de maand september 2005 zeker niet aan de (adres)hebben verbleven en dat begin oktober 2005 door de hele woning heen kon worden gekeken, zodat men kon zien dat de hele woning leeg was.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook uit deze verklaring niet worden afgeleid dat in de hele woning geen spullen stonden en evenmin dat eiseres gedurende de in geding zijnde periode de woning aan (adres) niet bewoonde. Dat eiseres en haar gezin in de maand september 2005 niet aan de (adres)hebben verbleven, is door de buurman van eiseres op geen enkele manier onderbouwd.

Blijkens een handgeschreven verslag van een telefonisch contact op 18 oktober 2005, heeft mevrouw B van het Bureau Jeugdzorg Rotterdam onder meer verklaard dat zij voogd is van eiseres’ jongste zoon, die sinds oktober 2004 onder toezicht is gesteld, dat de jongste zoon niet met zijn ouders mee mag naar Hellendoorn in verband met de instabiele omgeving en momenteel in een kindertehuis zit, dat hij hier enkele weken geleden naartoe is gegaan toen zijn moeder gedreigd heeft in Rotterdam uit het raam te springen, dat eiseres met haar man en kinderen sinds begin september 2005 in Rotterdam verblijft, dat eiseres en haar gezin naar Rotterdam zijn gevlucht omdat zij zich door de buurt ernstig gediscrimineerd en bedreigd voelden, dat zij op vrijdag 14 oktober 2005 een telefoontje had ontvangen van één van de dochters van eiseres dat de familie sinds maandag 10 oktober 2005 weer in Hellendoorn woont en dat de familie in Rotterdam een primitief leven leidt. Deze verklaring geeft weliswaar een indicatie dat eiseres en haar gezin in de in geding zijnde periode in Rotterdam hebben verbleven, maar sluit niet uit dat eiseres het verblijf in Hellendoorn afwisselde met het verblijf in Rotterdam. Ook uit deze verklaring kan derhalve niet worden afgeleid dat eiseres en haar gezin gedurende de gehele in geding zijnde periode hun feitelijk verblijf buiten de gemeente Hellendoorn hebben gehad. Ditzelfde geldt in feite voor de inschrijving van de dochter per 9 november 2005 bij scholengemeenschap F. Deze datum ligt immers ruim na 15 oktober 2005, de datum waarop eiseres in ieder geval woonachtig was op het adres (adres) te Hellendoorn. De rechtbank tekent hierbij aan dat de dochter van eiseres in de periode van begin augustus tot en met 31 augustus 2005, toen eiseres ook op dat adres woonachtig was, ook niet was ingeschreven bij een scholengemeenschap in (de buurt van) Hellendoorn.

Al met al is hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt ten aanzien van, kort gezegd, de aan eiseres toe te rekenen onduidelijkheid over haar feitelijke woon- en verblijfplaats onvoldoende om aan te nemen dat eiseres haar feitelijke woon- en verblijfplaats in de in geding zijnde periode niet in de gemeente Hellendoorn heeft gehad. Uit de desbetreffende gegevens, in samenhang met de door eiseres ingebrachte gegevens, kan hooguit worden afgeleid dat eiseres om haar moverende redenen regelmatig in Rotterdam heeft verbleven, maar de rechtbank ziet niet in dat eiseres, door dit niet te melden, haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het in dit geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aan eiseres om achteraf te bewijzen dat zij haar feitelijke woon- en verblijfplaats te Hellendoorn niet heeft opgegeven gedurende de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005, maar aan verweerder om aan te tonen dat wel sprake is van het tijdelijk opgeven van de feitelijke woon- en verblijfplaats in die periode. De afwezigheid van eiseres tijdens de huisbezoeken op 11 en 14 oktober 2005, de verklaringen van de buren van eiseres en van mevrouw B en de datum van inschrijving van eiseres’ dochter bij een scholengemeenschap zijn daartoe onvoldoende.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen, omdat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of eiseres haar feitelijke woon- en verblijfplaats te Hellendoorn al dan niet tijdelijk heeft opgegeven. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb tot stand is gekomen, omdat verweerder niet deugdelijke heeft gemotiveerd dat er sprake is van schending van de inlichtingenplicht door eiseres en, in samenhang hiermee, waarom eiseres van uitkering wordt uitgesloten gedurende de periode van 1 september 2005 tot en met 14 oktober 2005.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; € 322,-- per punt; wegingsfactor 1; totaal € 644,--), en reiskosten (Rotterdam - Almelo v.v.).

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 680,-- (€ 644,-- + € 36,--), door de gemeente Hellendoorn te betalen aan de griffier;

- verstaat dat de gemeente Hellendoorn aan eiseres het griffierecht ad € 38,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink als griffier.

Afschrift verzonden op

PA