Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ7574

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
01-02-2007
Zaaknummer
08/710630-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een man van (nu) 75 jaar oud, wordt veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf (waarvan 8 voorwaardelijk) voor het in Almelo hebben gepleegd van diverse seksuele gedragingen met een viertal meisjes uit zijn woonomgeving. Daarbij is, behalve met de ernst van zijn gedragingen en de gevolgen voor de meisjes, ook rekening gehouden met zijn leeftijd, zijn blanco strafblad, de deskundigenrapportage volgens welke verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, zijn beginnende dementie, de door zijn vrouw ingezette echtscheidingsprocedure en het feit dat hij waarschijnlijk na zijn invrijheidstelling zal moeten verhuizen uit zijn woonomgeving. Ook wordt hij veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de meisjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 710630-06

STRAFVONNIS

Uitspraak: 30 januari 2007

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1931,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te [plaats].

terechtstaande dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 tot en met 7 mei

2006, althans in de periode van 1 maart 2003 tot en met 7 mei 2006 te Almelo,

met [meisje 1] (geboren op 13 augustus 1998), die toen de leeftijd van

twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd,

die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [meisje 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) in de

vagina van die [meisje 1] geduwd/gebracht;

(pv.nr. 06-004816)

art 244 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2003 tot en

met 7 mei 2006 te Almelo, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [meisje 1]

(geboren 13 augustus 1998) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een

of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten en kussen van

haar schaamstreek en het laten kussen en/of aanraken door die [meisje 1] van

verdachtes penis en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het

onverhoeds betasten van [meisje 1], het lichamelijk en geestelijk overwicht dat

verdachte op haar had, het toelaten van [meisje 1] in het toilet waar verdachte op

dat moment verbleef en het vertellen van verdachte aan [meisje 1] dat zij een

geheimpje had;

(pv. nr. 06-004816)

art 246 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks 1 maart 2003 tot en met 7 mei 2006

te Almelo, met [meisje 1] (geboren 13 augustus 1998), die toen de leeftijd

van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten en kussen van haar

schaamstreek en het laten kussen en/of aanraken door die [meisje 1] van verdachtes

penis;

art 247 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot

en met 1 juni 2006 te Almelo, met [meisje 2] (geboren 8-12-1994), die

toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of

meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van

de borsten van dat meisje, het betasten van de vagina van dat meisje en het

tonen van zijn penis aan dat meisje en het pakken van de hand van dat meisje

en het bewegen van haar hand in de richting van zijn penis;

(aangifte p. 9 en 12 van pv.nr. 06-005694)

art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 april 1997 tot

en met 12 april 2003 te Almelo, met [meisje 3] (geboren 13 april 1991), die

toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [meisje 3], hebbende verdachte

telkens zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [meisje 3] geduwd/gebracht;

(aangifte p. 22 van pv.nr. 06-005694)

art 244 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 juni

2006 te Almelo, met [meisje 4] (geboren 5 juni 1992), die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten door verdachte van

haar onderlijf, benen, billen, borsten en/of vagina en haar kleding ter hoogte

van de vagina, het kussen van haar borsten en het met zijn tong aanraken van

haar vagina;

(aangifte p. 28 van pv.nr. 06-005694)

art 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks 1 januari 2002 tot en met 1 juni 2006 te Almelo zich

opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten verdachtes woning,

met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij [meisje 4] (geboren

5 juni 1992) haars ondanks tegenwoordig was;

(aangifte p. 28 van pv.nr. 06-005694)

art 239 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van hierna genoemde bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1, sub 2 primair, sub 3, sub 4, sub 5 en sub 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 7 mei 2006 met [meisje 1] (geboren op 13 augustus 1998), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [meisje 1], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [meisje 1] gebracht;

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 5 mei 2006 tot en met 7 mei 2006 te Almelo, door feitelijkheden [meisje 1] (geboren 13 augustus 1998) heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het betasten en kussen van haar schaamstreek en het laten kussen en aanraken door die [meisje 1] van verdachtes penis en bestaande die feitelijkheden uit het onverhoeds betasten van [meisje 1], het lichamelijk en geestelijk overwicht dat verdachte op haar had, het toelaten van [meisje 1] in het toilet waar verdachte op dat moment verbleef en het vertellen van verdachte aan [meisje 1] dat zij een geheimpje had;

3.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot

en met 1 juni 2006 te Almelo, met [meisje 2] (geboren 8-12-1994), die

toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de borsten van dat meisje, het betasten van de vagina van dat meisje en het tonen van zijn penis aan dat meisje en het pakken van de hand van dat meisje en het bewegen van haar hand in de richting van zijn penis;

4.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 13 april 1997 tot

en met 12 april 2003 te Almelo, met [meisje 3] (geboren 13 april 1991), die

toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [meisje 3], hebbende verdachte telkens zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [meisje 3] gebracht;

5.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 juni

2006 te Almelo, met [meisje 4] (geboren 5 juni 1992), die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten door verdachte van haar onderlijf, benen, billen, borsten en vagina, het kussen van haar borsten en het met zijn tong aanraken van haar vagina;

6.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 1 juni 2006 te Almelo zich

opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten verdachtes woning,

met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij [meisje 4] (geboren

5 juni 1992) haars ondanks tegenwoordig was;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt de rechtbank als volgt:

Verdachte heeft met een viertal jonge meisjes over een lange periode seksuele handelingen verricht.

[meisje 1] heeft verklaard dat in het weekend van 5 tot en met 7 mei 2006 verdachte meerdere keren seksuele handelingen bij haar heeft verricht. Uit haar verklaring leidt de rechtbank af dat de handelingen hebben bestaan uit het met de vinger in de vagina [meisje 1] gaan op 7 mei 2006 , het betasten en kussen van haar schaamstreek en het laten kussen en aanraken van zijn penis door [meisje 1] . Dat [meisje 1] zich gedwongen heeft gevoeld tot het dulden en plegen van de handelingen, leidt de rechtbank ten eerste af uit het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en [meisje 1]. Ten tweede heeft verdachte [meisje 1] niet buiten het toilet gehouden, maar deze wijd opengelaten en op deze wijze gelegenheid gegeven voor contact tussen verdachte en [meisje 1]. Ten derde heeft verdachte verteld dat wat er tussen hem en [meisje 1] is gebeurd niet verder mocht worden verteld . Ten vierde zijn de handelingen ook onverhoeds voor [meisje 1] geweest. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat verdachte van achteren met zijn hand in haar broek ging en [meisje 1] van zijn handelingen is geschrokken toen deze gebeurden .

Verdachte heeft, na aanvankelijk te ontkennen , de handelingen bij [meisje 1] gedeeltelijk bekend. Zo heeft hij verklaard de vagina van [meisje 1] te hebben gestreeld en haar op de mond te hebben gekust . Bij de rechter-commissaris heeft verdachte ook bekend op 7 mei 2006 met de vinger in de vagina van [meisje 1] te zijn geweest. Gelet op die verklaring van verdachte en de verklaring van [meisje 1] acht de rechtbank deze tenlastegelegde feiten bewezen.

Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer dat bij bewezenverklaring van feit 1 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor feit 2 primair en subsidiair merkt de rechtbank op dat dit verweer niet opgaat. Onder feit 1 zijn bewezenverklaard handelingen die bestonden uit het binnendringen van het lichaam, terwijl het onder feit 2 handelingen betreft die bestaan uit het betasten en aanraken. Nu het verschillende handelingen betreft, kunnen beiden feiten worden bewezenverklaard. Ten overvloede verwijst de rechtbank naar HR 23 maart 2004; NJ 2004/313, waarin is bepaald dat, afhankelijk van de wijze van tenlasteleggen, bij één feitencomplex zowel verkrachting als aanranding bewezen kan worden verklaard.

Feit 4 acht de rechtbank bewezen op grond van de verklaring van [meisje 3] dat het misbruik tussen haar 6e en 11e jaar plaatsvond en dat zij heeft gevoeld dat verdachte meerdere malen met zijn vinger in haar vagina heeft gezeten . Verdachte heeft ook bekend wel eens tussen de benen van [meisje 3] te hebben gezeten. Hij ging dan heen en weer over haar vagina. Hierbij zijn de vingers van verdachte tussen de schaamlippen van [meisje 3] gekomen . De raadsman heeft betoogd dat hierdoor geen sprake is van seksueel binnendringen van het lichaam. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van mening dat ook dit seksueel binnendringen oplevert .

Ten aanzien van feit 3 ([meisje 2]) en feiten 5 en 6 ([meisje 4]) is de rechtbank op grond van de volgende bewijsmiddelen tot de bewezenverklaring gekomen. [meisje 2] heeft verklaard dat verdachte aan haar borsten zat, met zijn vingers over haar vagina wreef en haar en [meisje 4] zijn penis heeft laten zien . Bij beiden heeft verdachte ook geprobeerd de handen van de meisjes te pakken en deze naar zijn penis te brengen . [meisje 2] heeft ook verklaard dat verdachte bij [meisje 4] met zijn hand in de broek ging en over en onder de kleren aan haar borsten voelde. [meisje 2] heeft verklaard dat zij vanaf haar 8e jaar bij verdachte over de vloer kwam en verdachte haar altijd als zij daar kwam, aanraakte op plekken die zij niet wilde . [meisje 4] heeft verklaard dat ongeveer twee jaar geleden verdachte voor het eerst haar onderlijf, benen en vagina heeft betast . Bovendien is bij dergelijke handelingen [meisje 2] aanwezig geweest . Daarnaast verklaart [meisje 2] over het kussen van de borsten en het met de tong aanraken van de vagina .

Verdachte heeft bekend zijn penis aan [meisje 2] en [meisje 4] te hebben getoond . De rechtbank acht echter alle feiten bewezen zoals door [meisje 2] en [meisje 4] verklaard. De rechtbank wijst op de onderlinge samenhang van het viertal verklaringen van de aangeefsters, waaronder het stoeien en kietelen door verdachte bij hem in huis en de verklaringen van [meisje 1] en [meisje 4] dat zij het niet verder mochten vertellen en dat de handelingen onder andere plaatsvonden op de hobbykamer met klokken. Daarbij is verdachte niet consistent in zijn verklaringen, waardoor de rechtbank zijn verklaringen niet geloofwaardig acht en meer waarde hecht aan de verklaringen van de aangeefsters.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1, het misdrijf:

"met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam",

strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 2 primair, telkens het misdrijf:

"feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 3, telkens het misdrijf:

"met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 4, telkens het misdrijf:

"met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 5, telkens het misdrijf:

"met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 6, het misdrijf:

"schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl de ander daar zijns ondanks tegenwoordig is",

strafbaar gesteld bij artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake feit 1, feit 2 primair, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest, met als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, met toewijzing van de civiele vorderingen van [meisje 1] ten bedrage van € 3.167,21, [meisje 4] ten bedrage van € 1.500,-- en [meisje 2] ten bedrage van € 1.500,-- en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft gedurende een lange tijd seksuele handelingen gepleegd

met vier jonge meisjes. Door zijn handelen heeft hij niet alleen misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen als oom en de vriendelijke buurman en van het overwicht dat hij als volwassene op deze kinderen had, maar heeft hij tevens ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bovendien kunnen de handelingen van verdachte nadelige psychische gevolgen van mogelijk langere duur voor de slachtoffers met zich brengen.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van en bij de strafmaat rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn hoge leeftijd, zijn blanco documentatie, het feit dat hij leidt aan (beginnende) dementie, de door zijn vrouw ingezette echtscheidingsprocedure en het feit dat hij na zijn invrijheidstelling hoogst waarschijnlijk uit zijn huidige woonomgeving zal moeten verhuizen.

Bij de vaststelling van na te melden straf heeft de rechtbank bovendien rekening gehouden met het omtrent verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapport d.d. 3 januari 2007, opgemaakt door H.E.M. van Beek, psychiater en het rapport d.d. 29 december 2006, opgemaakt door J.F.G.M. van Nunen, klinisch psycholoog van welke rapporten de rechtbank de conclusies overneemt en tot de hare maakt. De rechtbank heeft derhalve bij de strafoplegging rekening gehouden met het feit dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat de kans op herhaling van een soortgelijk delict aanwezig is, zolang verdachte in aanraking komt met jonge kinderen. De rechtbank legt daarom een gedeeltelijk voorwaardelijk straf op, mede teneinde verdachte er mede op die wijze van te weerhouden opnieuw dergelijke feiten te plegen. Hierbij wordt tevens als bijzondere voorwaarde opgelegd dat verdachte zich naar de aanwijzingen van de reclassering dient te gedragen.

Civiele vorderingen

[meisje 1] heeft, ten aanzien van feit 1 en 2, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Haar vordering tot schadevergoeding bedraagt € 3.167,21. [meisje 2] (feit 3) en [meisje 4] (feit 5 en 6) hebben zich eveneens als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. Beiden hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 1.500,--.

Naar het oordeel van de rechtbank is de gemotiveerd door verdachte betwiste vordering van de benadeelde partij [meisje 1] ten dele gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat in dit strafproces slechts toewijsbaar is een som van € 1.566,40 (€ 1.500,-- aan immateriële schade en € 66,40 aan materiële schade) verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, zodat de vordering, bij wijze van voorschot, tot dat bedrag toewijsbaar is, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gemotiveerd door verdachte betwiste vorderingen van de benadeelde partijen [meisje 2] en [meisje 4] geheel gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht.

De schade bedraagt, bij wijze van voorschot, het gevorderde bedrag van € 1.500,-- verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, voor elk afzonderlijk zodat de vorderingen toewijsbaar zijn.

De rechtbank zal ten aanzien van de vorderingen telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht.

De na te melden straf en maatregel zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het sub 1, sub 2 primair, sub 3, sub 4, sub 5 en sub 6 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 (VIERENTWINTIG) maanden.

Beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte groot acht (ACHT) maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

De veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Almelo, met opdracht aan die instelling ingevolge artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte terzake van de bewezen feiten sub 1 en 2, bij wijze van voorschot, tot betaling aan de benadeelde partij [meisje 1] van een bedrag groot: € 1.566,40, alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 1.566,40, alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, ten behoeve van de benadeelde [meisje 1], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 31 dagen zal worden toegepast.

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij [meisje 1], voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte terzake van het bewezen feit sub 3, bij wijze van voorschot, tot betaling aan de benadeelde partij [meisje 2] van een bedrag groot € 1.500,-- , alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit sub 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 1.500,-- alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, ten behoeve van de benadeelde [meisje 2] , met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 30 dagen zal worden toegepast. Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte terzake van het bewezen feit sub 5 en 6, bij wijze van voorschot, tot betaling aan de benadeelde partij [meisje 4] van een bedrag groot € 1.500,-- , alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit sub 5 en 6 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 1.500,-- alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade, ten behoeve van de benadeelde [meisje 2] , met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 30 dagen zal worden toegepast. Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1, sub 2 primair, sub 3, sub 4, sub 5 en sub 6 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Bloebaum, voorzitter, mr. Bordenga en mr. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Lambers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 januari 2007.