Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2007:AZ6193

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
76455 ha za 06-184
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanspraak op melkquotum, pacht en erfpacht

1. Zijn de aanspraken verpachter op melkquotum overgegaan van pacht naar erfpacht?

Pacht en erfpacht zijn verwante rechtsfiguren, die beide het eindig gebruik van grond regelen. Waar het gaat om de rechten op een melkquotum en de eventuele overdracht daarvan, dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen pacht en erfpacht. Dat impliceert derhalve dat erfpacht op gelijke voet dient te worden behandeld als pacht, onder meer waar het gaat om de regel dat het quotum de grond volgt, derhalve ook in een geval van erfpacht. De oorspronkelijke pachtrelatie is in goed overleg tussen partijen per 5 januari 1993 omgezet in een erfpachtrelatie. Het gebruik van de grond, die bepalend is geweest voor het oorspronkelijk aan Pachter toegekende melkquotum, is door Pachter zonder enige onderbreking voortgezet.

2. Aanspraak verpachter op BOSO-melkquotum. Beschikking Superheffing Bedrijfsopvolgingssituaties Onderbezetting van 16 mei 1986.

Waar het gaat om een toekenning op grond van de BOSO wordt niet uitgegaan van een ander peiljaar, het jaar 1983 blijft het relevante peiljaar. Het reguliere op basis van dat peiljaar te berekenen melkquotum wordt evenwel gecorrigeerd door met de achteraf vast te stellen onderbezetting aan standplaatsen rekening te houden. Die onderbezetting is dan een gevolg van de investeringen die tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 zijn aangegaan ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen.

De heffingsvrije hoeveelheid is dan gelijk aan de eerder toegekende heffingsvrije hoeveelheid vermeerderd met een hoeveelheid berekend volgens de formule: het aantal onderbezette standplaatsen minus 10% vermenigvuldigd met 5.500 kg, het geheel nog verminderd met het geldende kortingspercentage. In geval van toekenning op grond van de BOSO wordt derhalve niet gekeken naar de totale melkproductie in een (ander) referentiejaar, maar wordt van een fictieve melkproductie uitgegaan van 5.500 kg per onderbezette standplaats. Het staat vast dat door Pachter ten tijde van toekenning van het reguliere melkquotum grond van Verpachter werd gepacht en dat na overname van de grond en de pachtrechten van M. in 1983 (dus binnen de genoemde BOSO periode) ook de extra hoeveelheid van Verpachter verworven pachtgrond door Pachter is gebruikt voor uitoefening van zijn melkveebedrijf. Aldus is die grond in genoemde periode dienstbaar geweest aan dat melkveebedrijf. De onderhavige situatie onderscheidt zich in zoverre derhalve niet van de meer gangbare situatie waarin het quotum is toegekend op basis van de melkproductie in een bepaald referentiejaar en welk quotum op grond van vaste jurisprudentie aan de bijgepachte grond moet worden toegerekend indien die grond ten behoeve van de melkproductie bij de pachter in dat betreffende referentiejaar in gebruik is geweest (vgl. Pachtkamer Gerechtshof Arnhem, 27 december 1994, Agr 1995/4771; 24 juni 1997, Agr. 2000/5008; 9 juni 1998, Agr. 2000/5035; 28 december 2004, Pachtrechtspraak 5/2005).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76455 ha za 06-184

datum vonnis: 10 januari 2007 (jm)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te Delden, gemeente Hof van Twente,

eisers in conventie, gedaagden in reconventie,

procureur: mr. J.J. Paalman,

tegen

de stichting STICHTING TWICKEL,

gevestigd te Delden, gemeente Hof van Twente,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

procureur: mr. T.J. van Drooge,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk te Arnhem.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 10 producties;

- de conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie met 4 producties;

- de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie met 6 producties;

- de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie met 1 productie.

Na de stukkenwisseling als voornoemd is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

Vaststaande feiten

In deze zaak wordt door de rechtbank van het navolgende uitgegaan.

1.1 Eisers – na te noemen [Eisers] dan wel [Eiser senior] of [Eiser junior] – exploiteren in maatschapsverband een in Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, gelegen agrarisch bedrijf, alwaar mede melkrundvee wordt gehouden. Destijds is aan [Eiser senior], na invoering van het melkquoteringstelsel, op basis van de door hem in 1983 aan de melkfabriek geleverde hoeveelheid melk en conform de berekeningswijze als aangegeven in de Beschikking Superheffing 1985, toegekend een melkquotum van 89.819 kg. Van belang daarbij is geweest de hoeveelheid (agrarische) grond die ten tijde van het toewijzen van het melkquotum aan het bedrijf van [Eisers] dienstbaar is geweest. De rechtbank gaat daarbij uit van de navolgende feitelijke situatie:

Tot 1983:

6.50.00 ha in eigendom, waarvan 5.20.00 ha landbouwgrond aan de Nijlandseweg

1.58.40 ha pacht van Twickel

1.52.00 ha pacht van de Staat

Toegevoegd in 1983:

0.10.87 ha in eigendom, gekocht van [...] aan de Beldsweg

3.72.03 ha in eigendom, gekocht van [...]

5.74.20 ha pacht van Twickel (voorheen gepacht door [...])

1.25.50 ha pacht van de Staat

1.2 Na de situatie per eind 1983 beschikte dusdoende [Eisers] ten behoeve van zijn bedrijfsvoering over de navolgende hoeveelheden grond:

9.00.00 ha in eigendom

7.32.60 ha pacht van Twickel

2.77.50 ha pacht van de Staat

1.3 In juli 1986 heeft [Eiser junior], gelet op de tussen hem en [Eiser senior] tot stand te brengen maatschap en op basis van de investeringen die in 1983 in het bedrijf waren gepleegd, onder meer door aankoop van de grond van [...], een beroep gedaan op de speciale regeling voor bedrijfsopvolgers, zijnde de Beschikking Superheffing Bedrijfsopvolgingssituaties Onderbezetting van 16 mei 1986, Staatscourant nummer 92 en inwerking getreden per 26 mei 1986. Deze beschikking wordt nader aangeduid als BOSO. Bij ministerieel besluit van 20 februari 1987 is het beroep op de BOSO gehonoreerd met dien verstande dat een extra quotum werd toegekend van 108.524 kg. Zowel het oorspronkelijke melkquotum als het extra toegekende melkquotum zijn ingebracht in de maatschap [Eisers].

1.4 De pachtovereenkomst tussen [Eisers] en Twickel is tussen partijen in overleg beëindigd per 5 januari 1993 in verband met de uitgifte in erfpacht aan [Eisers] van de tot aan die datum van Twickel gepachte grond. Bij notariële akte van 5 januari 1993 is tussen partijen zowel voor de voorheen gepachte grond als voor een aanvullend gedeelte van 1.20.00 ha landbouwgrond een erfpacht gevestigd voor 40 achtereenvolgende jaren, ingaande 11 november 1991.

Standpunten van partijen in conventie en in reconventie

2.1 [Eisers] vordert in conventie primair te verklaren voor recht dat de door Twickel gepretendeerde aanspraken op het ten name van [Eisers] geregistreerde melkquotum niet zijn overgegaan van de pachtverhouding zoals die voorheen tussen partijen bestond naar de erfpachtverhouding zoals die sedert 5 januari 1993 tussen partijen bestaat. [Eisers] stelt daartoe dat ter gelegenheid van de pachtbeëindiging door Twickel geen aanspraken op een evenredig deel van het melkquotum zoals dit op dat moment bestond, is gemaakt. Evenmin is in de akte waarin het recht van erfpacht is gevestigd, neergelegd dat eventuele aanspraken van Twickel op het melkquotum zouden overgaan naar althans zouden blijven bestaan in de erfpachtrelatie. Naar het oordeel van [Eisers] zouden nadrukkelijke afspraken omtrent het melkquotum moeten zijn gemaakt om de aanspraken van Twickel binnen de erfpachtrelatie in stand te houden. Bij gebreke van zodanige afspraken zijn de rechten van Twickel dusdoende naar het oordeel van [Eisers] vervallen. Twickel kan bovendien niet alsnog als erfverpachter aanspraak op haar deel van het melkquotum maken, nu zodanige aanspraak verjaard zou zijn. Twickel heeft het onderhavige standpunt van [Eisers] gemotiveerd betwist. Zij is van oordeel dat de aanspraken op het melkquotum die zij als pachter geldend kon maken, tevens door haar als erfverpachter geldend kunnen worden gemaakt.

2.2 Subsidiair stelt [Eisers] dat de aanspraken van Twickel zich niet verder kunnen uitstrekken dan tot het deel van het oorspronkelijk vastgestelde melkquotum op basis van de in het jaar 1983 aan de melkfabriek geleverde hoeveelheid melk, zijnde dat het quotum van aanvankelijk 89.819 kg. Waar bovendien [Eisers] pas per 1 november 1983 grond tot een omvang van 5.74.20 ha in pacht van Twickel heeft verkregen – zijnde derhalve na het weideseizoen en derhalve op een moment dat deze grond niet bepalend kan zijn geweest voor de berekening van het melkquotum – is voor de relatieve aanspraak van Twickel slechts bepalend de hoeveelheid van 1.58.40 ha die [Eisers] tot aan 1 november 1983 van Twickel pachtte.

2.3 Daarenboven stelt [Eisers] dat Twickel geen enkele aanspraak kan maken op het extra melkquotum dat aan [Eisers] is toegekend op basis van de in artikel 7 BOSO genoemde investeringsverplichtingen ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen voor melkkoeien, hetgeen is gerealiseerd door aankoop van de grond van [...]. Voor die aankoop bedroeg het aantal standplaatsen 20 melkkoeien en na de investering 43 melkkoeien. Het op basis van de BOSO toegekende extra quotum heeft geen relatie met de grond gehad. Dit quotum is rechtstreeks gekoppeld aan twee daarvan losstaande grootheden, waar het toekenning aan [Eisers] betreft genoemd in artikel 7 BOSO. Het gaat immers om de vraag of er tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 investeringsverplichtingen zijn aangegaan ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen en om de verhouding tussen het aantal standplaatsen na de uitbreiding en die volgens de landbouwtelling 1983. De uitbreiding van het quotum die aldus kan worden verkregen en dient te worden berekend conform het gestelde in artikel 8 lid 3 van de BOSO, heeft naar [Eisers] stelt derhalve geen enkele relatie tot de grond. Aldus hebben de destijds van Twickel gepachte gronden, zowel voor 1 november 1983 als daarna, niet bijgedragen aan de totstandkoming van het BOSO melkquotum.

3.1 Aldus vordert [Eisers] in conventie primair te verklaren voor recht dat de door Twickel gepretendeerde aanspraken op het ten name van [Eisers] geregistreerde melkquotum niet zijn overgegaan van de pachtverhouding naar de erfpachtverhouding zoals die tussen partijen thans bestaat.

3.2 Subsidiair vordert [Eisers] in conventie te verklaren voor recht dat de door Twickel gepretendeerde aanspraken op het ten name van [Eisers] geregistreerde melkquotum:

a. geen betrekking kunnen hebben op dat deel van het ten name van [Eisers]

geregistreerde melkquotum dat valt te herleiden tot de in artikel 8 lid 3 van de

Beschikking Superheffing Bedrijfsopvolgingssituaties Onderbezetting (BOSO)

bedoelde vermeerdering op basis van de in artikel 8 lid 3 BOSO omschreven

berekeningswijze;

b. voor wat betreft dat deel van het ten name van [Eisers] geregistreerde melkquotum

dat in artikel 8 lid 3 van de BOSO wordt aangeduid als heffingsvrije hoeveelheid als

bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid van de Beschikking Superheffing,

uitsluitend samenhangt met en betrekking heeft op de oppervlakte landbouwgrond die

[Eisers] van Twickel in het gehele jaar in 1983 in gebruik heeft gehad.

Daarenboven vordert [Eisers] de veroordeling van Twickel in de kosten van de procedure.

3.3 Twickel heeft ook tegen de subsidiaire stellingname van [Eisers] gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna inhoudelijk worden ingegaan. Het komt erop neer dat Twickel van oordeel is dat voor de bepaling van haar aanspraken op het melkquotum gewicht toekomt aan de volledige hoeveelheid grond waarvoor het recht van erfpacht is gevestigd, zijnde in totaal 7.26.60 ha en dat daarbij moet worden uitgegaan van zowel het oorspronkelijke melkquotum van [Eisers] als het extra quotum op basis van de BOSO, zijnde thans een hoeveelheid van 176.340 kg. Op haar beurt vordert Twickel in reconventie dat de rechtbank een verklaring voor recht afgeeft conform het in de vorige volzin gestelde. Twickel vordert de veroordeling van [Eisers] in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

De beoordeling van het geschil

De rechtbank overweegt als volgt:

Bevoegdheid

4. De rechtbank Almelo, sector civiel, is bevoegd om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen. De grondslag van de vorderingen betreft in erfpacht uitgegeven gronden waarop de Pachtwet (zie artikel 59 Pachtwet) niet van toepassing is. Beide partijen onderschrijven de bevoegdheid van de rechtbank.

De overgang van pacht naar erfpacht

5.1 De primaire vordering van [Eisers] is gebaseerd op de stelling dat aan Twickel in het geheel geen aanspraak op enig melkquotum toekomt nu die aanspraak niet is gemaakt op het moment dat de pachtrelatie tussen partijen per 5 januari 1993 eindigde en werd omgezet in een erfpachtrelatie. De rechtbank kan [Eisers] in die stellingname niet volgen. Bepalend voor de aanspraken van Twickel op een deel van het melkquotum is het antwoord op de vraag in hoeverre de door Twickel aan [Eisers] ter beschikking gestelde grond dienstbaar is geweest aan de melkproductie die tot vaststelling van het quotum heeft geleid. Niet kan worden ingezien waarom die grond wel tot aanspraken aan de zijde van Twickel zou hebben geleid toen het ging om verpachte grond, en niet langer toen dezelfde grond ten titel van erfpacht aan [Eisers] ter beschikking werd gesteld. Pacht en erfpacht zijn verwante rechtsfiguren, die beide het eindig gebruik van grond regelen. De oorspronkelijke pachtrelatie is in goed overleg tussen partijen per 5 januari 1993 omgezet in een erfpachtrelatie. Het gebruik van de grond, die bepalend is geweest voor het oorspronkelijk aan [Eisers] toegekende melkquotum, is door [Eisers] zonder enige onderbreking voortgezet. Waar niet anders door partijen is gesteld, neemt de rechtbank aan dat [Eisers] zijn melkveehouderij na de omzetting van pacht in erfpacht, ook op dezelfde voet heeft voortgezet. Voor Twickel heeft geen enkele aanleiding bestaan om bij omzetting van pacht in erfpacht haar aanspraak op het quotum geldend te maken.

5.2 Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat naar haar oordeel, waar het gaat om de rechten op een melkquotum en de eventuele overdracht daarvan, geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen pacht en erfpacht. Dat impliceert derhalve dat erfpacht op gelijke voet dient te worden behandeld als pacht, onder meer waar het gaat om de regel dat het quotum de grond volgt, derhalve ook in een geval van erfpacht. De mogelijke aanspraken van de verpachter op een deel van het melkquotum dienen dan ook niet anders te worden beoordeeld dan de mogelijke aanspraken van de erfverpachter. Waar overigens tussen partijen per 5 januari 1993 geen afwijkende afspraken zijn gemaakt, concludeert de rechtbank derhalve dat de mogelijke aanspraken van Twickel door de omzetting van pacht in erfpacht geen wijzigingen hebben ondergaan. De primaire vordering van [Eisers] wordt derhalve afgewezen.

De BOSO-aanspraak

6.1 Vaststaat dat aan [Eiser junior] bij beslissing van 20 februari 1987 een extra quotum is toegekend op basis van de Beschikking Superheffing Bedrijfsopvolgingssituaties Onderbezetting. Zoals door [Eisers] aangegeven en zoals kan worden afgeleid uit de toekenningsbeslissing van 20 februari 1987, is het extra quotum toegekend omdat [Eisers] voldeed aan het gestelde in artikel 7 van de beschikking voornoemd. Het standpunt van [Eisers] in deze procedure komt erop neer dat het BOSO-melkquotum niet is gerelateerd aan de bij de melkveehouder in gebruik zijnde oppervlakte landbouwgrond, doch uitsluitend aan de door de melkveehouder aangegane investeringsverplichtingen in standplaatsen. Aldus komt, naar [Eisers] stelt, aan Twickel geen enkele aanspraak toe met betrekking tot extra quotum op grond van de BOSO.

6.2 De rechtbank overweegt dat er, na invoering van de Beschikking Superheffing 1985, kennelijk redenen zijn geweest om aanvullende regelingen te treffen die afwijkingen van de berekeningswijze van het quotum op basis van de Beschikking Superheffing 1985 mogelijk maken. Het gaat dan, naar de rechtbank verstaat, om regelingen voor die gevallen waarin het niet redelijk zou zijn om de berekening van het quotum uitsluitend en alleen te baseren op de door de melkveehouder afgeleverde hoeveelheid melk in het peiljaar 1983. Aldus kwamen tot stand de BYZOP-regeling voor die gevallen waarin de hoeveelheid afgeleverde melk in het peiljaar door persoonlijke omstandigheden was achtergebleven, de SLOM-regeling voor die melkveehouders die in het peiljaar deelnemer waren aan de toenmalige slacht- en omschakelingsregeling, en de BOSO-regeling voor bedrijfsopvolgingssituaties gepaard gaande met een onderbezetting van het aantal standplaatsen in 1983.

6.3 Waar het gaat om een toekenning op grond van de BOSO wordt niet uitgegaan van een ander peiljaar, het jaar 1983 blijft het relevante peiljaar. Het reguliere op basis van dat peiljaar te berekenen melkquotum wordt evenwel gecorrigeerd door met de achteraf vast te stellen onderbezetting aan standplaatsen rekening te houden. Die onderbezetting is dan een gevolg van de investeringen die tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 zijn aangegaan ten behoeve van uitbreiding van het aantal standplaatsen.

De heffingsvrije hoeveelheid is dan gelijk aan de eerder toegekende heffingsvrije hoeveelheid vermeerderd met een hoeveelheid berekend volgens de formule: het aantal onderbezette standplaatsen minus 10% vermenigvuldigd met 5.500 kg, het geheel nog verminderd met het geldende kortingspercentage. In geval van toekenning op grond van de BOSO wordt derhalve niet gekeken naar de totale melkproductie in een (ander) referentiejaar, maar wordt van een fictieve melkproductie uitgegaan van 5.500 kg per onderbezette standplaats.

6.4 Het uitgangspunt dat [Eisers] verdedigt, miskent dat als basis voor de koppeling van quotum aan grond heeft te gelden dat het oorspronkelijke quotum zoals dat aan [Eisers] is toegekend, werd verkregen uit hoofde van het feit dat [Eisers] de melkveehouderij uitoefende en zijn handelingen daarop had afgestemd. Het BOSO-quotum kon uitsluitend en alleen aan [Eisers] worden toegekend omdat er reeds sprake was van een regulier melkquotum. Door evenwel te stellen, zoals [Eisers] doet, dat het BOSO-quotum uitsluitend het gevolg is van de uitbreiding van het aantal standplaatsen en derhalve geen connectie heeft met de (extra) hoeveelheid grond van het bedrijf, leest [Eisers] de relevante bepalingen van de BOSO te beperkt. Zo wordt krachtens artikel 8 lid 4 BOSO de heffingvrije hoeveelheid melk mede beïnvloed door de oppervlakte grond in eigendom, pacht of erfpacht. Zie ook het aanvraagformulier dat [Eisers] ten behoeve van het BOSO quotum (productie 7 bij dagvaarding) heeft ingediend. [Eisers] heeft opgave moeten doen van de hoeveelheid grond in eigendom, pacht of erfpacht per 1 januari 1975 en de hoeveelheid grond op het moment van het indienen van de aanvraag. Basis van die aanvraag is geweest de investering die [Eisers] in de toekomst van het bedrijf heeft gepleegd. In concreto heeft die investering bestaan uit de aankoop per 1 november 1983 van het bedrijf van (de erven) [...] en de overname van de pachtrelatie die bestond tussen [...] en Twickel. Aldus verkreeg [Eisers] (zie de dagvaarding onder 4 en 5) extra in eigendom een oppervlakte landbouwgrond van 3.72.03 ha en ter exploitatie een extra oppervlakte aan van Twickel gepachte grond van 5.74.20 ha. De rechtbank ziet niet in dat de investering in grond buiten beschouwing zou moeten blijven, nu die investering een wezenlijk onderdeel vormt van de investering van [Eisers] ter uitbreiding van het bedrijf, hetgeen zich realiseert in uitbreiding van het aantal standplaatsen.

6.5 In ogenschouw dient bovendien te worden genomen dat artikel 7 BOSO als relevante periode voor de gepleegde investeringen de periode van 1 september 1981 tot 1 maart 1984 noemt. Er is, zoals kennelijk niettemin [Eisers] impliciet betoogt, geen doorslaggevende rechtvaardigingsgrond te vinden om de koppeling van BOSO quotum aan door investering in die periode in gebruik verkregen gronden, afhankelijk te laten zijn van het min of meer toevallige moment waarop die grond in die periode ter beschikking is gekomen. Het staat vast dat door [Eisers] ten tijde van toekenning van het reguliere melkquotum grond van Twickel werd gepacht en dat na overname van de grond en de pachtrechten van [...] in 1983 (dus binnen de genoemde BOSO periode) ook de extra hoeveelheid van Twickel verworven pachtgrond door [Eisers] is gebruikt voor uitoefening van zijn melkveebedrijf. Aldus is die grond in genoemde periode dienstbaar geweest aan dat melkveebedrijf. De onderhavige situatie onderscheidt zich in zoverre derhalve niet van de meer gangbare situatie waarin het quotum is toegekend op basis van de melkproductie in een bepaald referentiejaar en welk quotum op grond van vaste jurisprudentie aan de bijgepachte grond moet worden toegerekend indien die grond ten behoeve van de melkproductie bij de pachter in dat betreffende referentiejaar in gebruik is geweest (vgl. Pachtkamer Gerechtshof Arnhem, 27 december 1994, Agr 1995/4771; 24 juni 1997, Agr. 2000/5008; 9 juni 1998, Agr. 2000/5035; 28 december 2004, Pachtrechtspraak 5/2005).

6.6 Gelet op het hiervoor gestelde oordeelt de rechtbank derhalve dat de van Twickel gepachte grond, voor zover die grond in bovengenoemde periode tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 ter beschikking van [Eisers] stond of kwam te staan, een bijdrage heeft geleverd aan de opbouw van het betreffende melkquotum, waardoor met die grond het quotum mede is gaan samenhangen. Op zichzelf beschouwd bestaat tussen partijen geen verschil van mening over het feit dat [Eisers] uiteindelijk in het referentiejaar 1983 tenminste voor de exploitatie van haar bedrijf beschikte over van Twickel gepachte grond met een oppervlakte van 7.26.60 ha, welke oppervlakte Twickel ten grondslag legt aan haar reconventionele vordering. Tegen de juistheid van de berekening in reconventie van het totale melkquotum op 176.340 kg is geen verweer gevoerd. Deze hoeveelheid komt ook overeen met hetgeen [Eisers] zelf onder punt 6 van de conclusie van repliek in conventie heeft gesteld. Van de juistheid van deze hoeveelheid wordt dan ook uitgegaan.

6.7 Gelet op het hiervoor gestelde concludeert de rechtbank derhalve dat ook de subsidiaire vorderingen van [Eisers] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Als in het ongelijk gestelde partij dient [Eisers] te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie.

Gelet op de overwegingen van de rechtbank is de vordering van Twickel in reconventie wel voor toewijzing vatbaar. Waar de vordering in reconventie logisch voortvloeit uit het dispuut tussen partijen in conventie en de vordering in reconventie in feite de keerzijde is van dezelfde medaille waarover in conventie is gedebatteerd, acht de rechtbank termen aanwezig om de kosten van de procedure in reconventie te compenseren, des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank

In conventie:

I. Wijst de vorderingen van de eisende partijen af.

II. Veroordeelt de eisende partijen hoofdelijk in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 248,00 aan verschotten en € 904,00 aan salaris voor de procureur.

In reconventie:

III. Verklaart voor recht dat met een gedeelte ter grootte van 7.26.60 ha van de door Twickel in erfpacht aan partijen [Eisers] uitgegeven gronden, met welk gedeelte is bedoeld de grond die voorheen in pacht was blijkens de pachtwijzigingsovereenkomst van 11 januari 1993, een relatief gedeelte van het melkquotum ter grootte van 176.340 kg samenhangt.

IV. Wijst af het meer of anders in reconventie gevorderde.

V. Compenseert de proceskosten van de procedure in reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en op woensdag 10 januari 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.