Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AZ4546

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-11-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
75853 HA ZA 06/87
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JE 2007, 16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer : 75853 HA ZA 06/87

datum vonnis : 22 november 2006 (vdv)

Vonnis van de rechtbank te Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

A

en

B

beiden wonende te Oldenzaal

echtelieden,

eisers in conventie, gedaagden in reconventie,

hierna te noemen B,

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

hierna te noemen Dexia,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo,

advocaat: mr F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

Gehoord partijen en gezien de stukken,

Overweegt:

Over het procesverloop:

B heeft geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van de inleidende dagvaarding en

Dexia heeft hierna geconcludeerd voor antwoord in conventie tevens eis in voorwaardelijke en onvoorwaardelijke reconventie.

Vervolgens hebben partijen de navolgende processtukken in het geding gebracht:

B een conclusie van repliek in conventie tevens zomede akte vermeerdering van eis zomede antwoord in reconventie;

Dexia een conclusie van dupliek tevens antwoord vermeerdering van eis in conventie tevens repliek in onvoorwaardelijke en voorwaardelijke reconventie en B een conclusie van dupliek in reconventie.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

Over het recht:

in conventie en in reconventie:

1. Waar de rechtbank in dit vonnis de naam Dexia gebruikt is daar mede onder begrepen

Bank Labouchere N.V., rechtsvoorganger van Dexia.

2. In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste overgelegde producties, het navolgende vast:

a. gedateerd op 20 november 2000 is tussen partijen onder nummer 22082524 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen, benoemd als Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbelegging;

b. de overeenkomst en de daarmee samenhangende overeenkomst onder (f) hieronder genoemd zijn tot stand gekomen op advies en door bemiddeling van Spaar Select Twente B.V., een zogenaamde cliëntenremisier;

c. de effectenleaseovereenkomst is zowel door B ondertekend; erop van toepassing verklaard zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease waarvan de tekst vermeld is op de achterzijde van het door B ondertekende stuk, waarin de overeenkomst is vastgelegd;

d. de overeenkomst voorziet erin dat Dexia voor een bedrag van € 42.626,10 in hoofdsom aandelen (AEX) (als volgens die overeenkomst (productie 1 dagvaarding/productie 1 CvA) gespecificeerd), aan B least en dat B gedurende 240 maanden maandelijks een bedrag van € 454,57 aan Dexia betaalt;

e. middels de onderhandse akte waarin de overeenkomst is vastgelegd heeft Dexia, onder de opschortende voorwaarde dat B al datgene aan haar heeft betaald wat hij haar krachtens de leaseovereenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, de geleasde waarde aan B geleverd;

f. daarnaast heeft B bij Dexia een beleggingsrekening geopend waarop hij een bedrag van f 48.000,-- (€ 21.781,45) heeft gestort, waarmee participaties in het Labouchere Global Aandelenfonds zijn gekocht;

g. doel van de beleggingsrekening was om daaruit de maandelijkse termijnen te betalen;

h. het bedrag van zijn storting op de beleggingsrekening heeft B ter beschikking gekregen doordat hij een (tweede) hypothecaire geldlening op zijn woonhuis bij

Hypotrust B.V. heeft afgesloten;

i. in de overeenkomst was tevens bepaald dat B die na 60 maanden dagelijks met onmiddellijke ingang en zonder annuleringskosten zou kunnen beëindigen onder betaling of verrekening van de restant hoofdsom en bij beëindiging binnen 60 maanden daarnaast ook de resterende termijnen tot en met de zestigste maand verschuldigd zou zijn, waarbij dan over die laatst bedoelde termijnen een korting van 50% verleend zou worden;

j. bij brief van zijn procureur van 7 april 2005 heeft B de overeenkomst buitengerechtelijk zowel ontbonden als vernietigd, onder meer op grond van artikel 1:88 BW (niet meetekenen echtgenote) en heeft hij Dexia gesommeerd tot terugbetaling vóór

15 mei 2005 van het inmiddels door B onder Dexia gestorte bedrag van totaal

€ 28.239,31;

k. B heeft een restschuld aan Dexia;

l. het z.g. Dexia Aanbod is in 2003 door B aanvaard, de door Dexia in 2005 aan hem aangeboden Depot Coulanceregeling niet;

m. het zogenaamde Duisenberg-akkoord is op het onderhavige geval niet van toepassing.

3. B vordert in dit geding, zakelijk weergegeven:

primair:

de aandelenleaseovereenkomst van B te ontbinden althans te vernietigen, althans voor recht te verklaren dat deze buitengerechtelijk is ontbonden althans buitengerechtelijk vernietigd, met veroordeling van Dexia aan B te voldoen een bedrag van

€ 28.239,31 met wettelijke rente, voor recht te verklaren dat de restschuld van B vervallen verklaard is althans die vervallen te verklaren;

subsidiair:

verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en Dexia deswege schadeplichtig is met veroordeling van Dexia tot betaling van € 28.239,31 verminderd met het bedrag dat overeenkomt met het percentage van € 28.239,31, waarmee de AEX is gedaald in de periode van 12 november 1999 tot 16 mei 2005, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag voorafgaande aan de totstandkoming van de aandelenleaseovereenkomst althans de dag der dagvaarding, zomede dat de restschuld van B vervallen verklaard is, althans die schuld vervallen te verklaren:

meer subsidiair:

Dexia te veroordelen tot betaling van € 19.131,20 met wettelijke rente en verklaring voor recht dat de restschuld van B vervallen verklaard is althans deze vervallen te verklaren;

en in alle gevallen een bevel aan Dexia om op straffe ener dwangsom het BKR op te dragen de A-notering op B's naam ongedaan te maken zomede vordert hij veroordeling van Dexia in de kosten van het geding respectievelijk het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Voorts in conventie

Dexia Aanbod

4. Alvorens (verder) in te gaan op de -uitvoerige- toelichting en onderbouwing van de vordering door B respectievelijk verweren van Dexia, ziet de rechtbank aanleiding uit hoofde van proceseconomie in te gaan op het preliminaire verweer van Dexia, dat B niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen omdat hij op 6 mei 2003 het Dexia Aanbod (productie 9 CvA) heeft geaccepteerd (productie 7 CvA), naar aanleiding van welk verweer B bij wege van vermeerdering van eis in zijn conclusie van repliek ook een aanvullende vordering heeft geformuleerd.

5. Partijen verschillen niet van mening over het feit dat B en diens echtgenote Stam op 6 mei 2003 het Dexia Aanbod geaccepteerd hebben.

Wel staat ter discussie of die aanvaarding zich beperkt tot een tweetal, later door B in 2001 gesloten overeenkomsten, genaamd Profit Effect Vooruitbetaling (productie 6 CvA) dan wel ook de onderhavige Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbelegging betreft.

6. Dexia beroept zich met name op artikel 5.1 met het hoofd "Verklaringen van Deelnemer en afstand van recht" van het Dexia Aanbod, waarmede B afstand heeft gedaan van zijn recht om tegen Dexia een procedure als de onderhavige ter zake van aandelenlease-overeenkomst Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbelegging in te stellen.

Dexia wijst er op, dat artikel 5.1 van het Dexia aanbod ziet zowel op Dexia Aanbod-Effectenlease-overeenkomsten (DA), waartoe de Profit Effect Vooruitbetaling behoort, als Niet Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomsten (NDA), waartoe de Overwaarde Effect Maandbetaling behoort.

7. B stelt zich primair op het standpunt dat een gedupeerde als B geen enkel voordeel had van die afstand van recht derhalve zulks om niet deed ("sigaar uit eigen doos") en bovenal het Dexia Aanbod niet gold voor de Overwaarde Effect Maandbetaling zonder Herbelegging als NDA-overeenkomst en beroept zich daarbij op artikel 1.2.1 van die overeenkomst (productie 9 CvA).

Subsidiair betwist B, dat (de tekst van) artikel 5.1 hem de procesbevoegdheid zou ontnemen en doet in dat kader voor zoveel nodig een beroep op de grondwet, waar hij van een eerlijk proces zou worden beroofd respectievelijk ziet hij strijd met artikel 6 EVRM dat een fair trial en equality of arms zou garanderen.

Meer subsidiair stelt B dat artikel 5.1 een algemene voorwaarde is als bedoeld in artikel 6:231 onder a BW en gebondenheid van B op basis van artikel 6:232 BW niet kan worden aangenomen.

Voor zover die algemene voorwaarde wel geldend zou worden geacht, vernietigt B deze met een beroep -gelet op de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval- op het onredelijk bezwarend zijn ervan voor B in de zin van artikel 6:236 onder b en n BW en in elk geval vermoed onredelijk bezwarend te zijn ex artikel 6:237 onder f BW, voor zover het hem ontzegd zou zijn diens geleden schade te vorderen.

8. In lijn daarmede vermeerdert B zijn vordering:

dat het de rechtbank behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verstaan dat B het onderhavige beding waarop Dexia zich baseert terzake de gestelde niet-ontvankelijkheid van B in zijn vordering jegens Dexia, heeft vernietigd althans dit beding te vernietigen, met veroordeling van Dexia in de nodeloze kosten terzake dit verweer.

9. Dexia stelt dienaangaande dat de interpretatie van artikel 1.2.1 door B op verkeerde lezing berust, geen afstand van een procesbevoegdheid aan de orde is, maar een getroffen schikking in de vorm van een vaststellingsovereenkomst ter vermijding voor beide partijen van onzekerheden en (andere) mogelijke nadelen van een procedure naast voordelen als zekerheid en zicht op de omvang van de verplichtingen en de wijze van de afloop.

Dat is niet strijdig met enig dwingend recht, de grondwet of het EVRM en evenmin aan te merken als een éénzijdige overeenkomst, waarbij om niet afstand wordt gedaan van rechten.

Inzake het beroep op vernietiging door B van met name artikel 5.1 als algemene voorwaarde stelt Dexia, dat hier een kernbeding als bedoeld in artikel 6:231 onder a BW aan de orde is en derhalve niet voor vernietiging als door B voorgestaan, in aanmerking komt.

Evenmin acht Dexia artikel 5.1 als kernbeding in de zin van artikel 6:248 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en mitsdien als onredelijk bezwarend dient te worden aangemerkt, omdat de ratio van dit artikel deel uitmakend van het Dexia Aanbod is middels deze vaststellingsovereenkomst een einde te maken aan de aandelenleaseovereenkomst(en) voor beide partijen klevende onzekerheden en voor zoveel nodig beroept Dexia zich op artikel 7:902 BW ingeval de stellingen van B zo moeten worden uitgelegd, dat hij meent dat Dexia met de aandelenleaseovereenkomsten enige bepaling van dwingend recht geschonden zou hebben.

De beoordeling (van het Dexia Aanbod)

10. Tussen partijen staat vast, dat B op 6 mei 2003 het Dexia Aanbod heeft geaccepteerd (productie 7 CvA) in welk acceptatieformulier wordt verwezen naar Profit Effect Vooruitbetaling en Overwaarde Effect Maandbetaling als Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst (DA) respectievelijk Niet Dexia Aanbod Effectenlease-overeenkomst (NDA), bij welke gelegenheid aan B hebben voorgelegen Juridische Documenten Dexia Aanbod met begeleidende toelichtingsbrief (productie 9 CvA / 34 en 35 CvD).

Uit deze toelichting, documenten en de tekst van artikel 5.1(.2) blijkt duidelijk dat de afstand van rechten door B ziet op DA- en NDA-leaseovereenkomsten, waarbij het woord "Niet" in laatstgenoemde groep overeenkomsten met name ziet op het niet van toepassing zijn van een (aantal) afwikkelingsmogelijkheden in het Dexia Aanbod op die aandelenlease-overeenkomsten.

Mitsdien beslaat de aanvaarding door B van het Dexia Aanbod ook de litigieuze Overwaarde Effect Maandbetaling.

11. Anders dan B is de rechtbank van oordeel dat het Dexia Aanbod niet de procesbevoegdheid van B aantast. De afstand van rechten in de zin van artikel 5.1 daarvan leiden ertoe dat een vordering van B binnen het bereik van het Dexia Aanbod als vaststellingsovereenkomst wel wordt ontvangen, maar vervolgens op die grond wordt afgewezen.

Kernbeding

12. De rechtbank is voorts van oordeel, dat artikel 5 van het Dexia Aanbod, waarmede B afstand doet van zekere rechten ingevolge de effectenleaseovereenkomsten, naar objectieve maatstaven dient te worden aangemerkt als de tegenover de door Dexia geboden alternatieve mogelijkheden door B te leveren tegenprestatie.

Immers uit het Dexia Aanbod en de bijbehorende documentatie blijkt dat Dexia dat aanbod deed niet alleen vanuit zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar vooral om lopende (klachten)procedures te beëindigen en mogelijke toekomstige procedures en onzekerheden te vermijden.

Ook indien deze prestaties niet in verhouding zouden staan met de door Dexia te verrichten tegenprestaties en de balans volledig zou zijn "doorgeslagen" ten voordele van Dexia, dan nog mag de rechtbank deze kernverplichtingen niet vanwege vermeend bezwarend karakter vernietigen, omdat de uitsluiting van de beoordeling door de rechter van de (on)redelijkheid van dergelijke kernprestaties ingevolge artikel 6: 231 onder a BW juist bedoeld is om de rechter niet te doen treden in een beoordeling van de redelijkheid van de waardeverhouding tussen de over en weer te leveren kernprestraties.

Dat artikel 5.1(.1, .2 en/of .3) bedingen bevat als bedoeld in artikel 6:236 BW (zwarte lijst) of 6:237 BW (grijze lijst) doet hieraan niet af, omdat die artikelen niet bepalen dat de daarin opgenomen bedingen geen kernbeding zouden kunnen zijn.

13. Voor het overige stelt B geen grond waarop gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 5.1 van het Dexia Aanbod geboden zou zijn noch ziet de rechtbank daartoe enige grond.

Slotsom

14. De vordering in conventie van B dient te worden afgewezen en hij wordt als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Dexia veroordeeld.

In reconventie

15. Dexia heeft op grond van de eindafrekening (productie 8 CvA) na de gedwongen beëindiging van de overeenkomst Overwaarde Effect Maanbetaling zonder Herbelegging een opeisbare vordering op B van € 14.705,44.

Volgens Dexia is B sedert 22 februari 2006 in verzuim met betaling van dat bedrag en vordert zij die, vermeerderd met contractuele althans wettelijke rente vanaf die datum zomede buitengerechtelijke incassokosten.

16. B voert tegen deze vordering geen ander verweer dan dat hij in conventie vervallenverklaring van zijn restschuld heeft gevorderd althans op basis van een billijkheidscorrectie het door Dexia gevorderde zich zou moeten oplossen in een z.g. restschuldformule.

17. Vanwege de afwijzing van de vordering in conventie gaan deze weren van B niet op en is, bij gebreke van enig ander verweer, de vordering van Dexia toewijsbaar wat betreft hoofdsom en wettelijke rente. De buitengerechtelijke kosten als niet nader aangeduid met enig bedrag en evenmin gemotiveerd of gespecificeerd, zullen worden afgewezen.

18. B wordt als nagenoeg geheel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Dexia veroordeeld.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Wijst af de vordering van B.

II. Veroordeelt B in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op € 620,-- aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris voor de procureur.

In reconventie:

III. Veroordeelt B tot betaling aan Dexia van bedrag van € 14.705,44 (veertienduizendzevenhonderdenvijf EURO 44/100) vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 februari 2006 tot aan de dag der voldoening.

IV. Veroordeelt B in de kosten van de procedure aan de zijde van Dexia gevallen en tot op deze uitspraak begroot op nihil aan verschotten en € 579,-- aan salaris voor de procureur.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Zowel in conventie als reconventie:

VI. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr J.H. van der Veer en op 22 november 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.