Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AZ3630

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
05-12-2006
Zaaknummer
06 / 46 NABW T1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres met ingang van 1 december 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW), zoals die gold ten tijde hier van belang, toegekend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.[...]

De bijstandsuitkering van eiseres is per 1 augustus 2004 beëindigd.

[...] Verweerder heeft bepaald dat eiseres met ingang van augustus 2005 € 180,00 per maand aan aflossing en rente dient te betalen voor de aan haar verstrekte krediethypotheek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 06 / 46 NABW T1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 4 december 2006

in het geschil tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Wierden, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 5 december 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 10 januari 1994 (lees: 10 januari 1995), verzonden 12 januari 1995, heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna: ABW), zoals die gold ten tijde hier van belang, toegekend voor de noodzakelijke kosten van het bestaan in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.

Bij besluit van 28 maart 1995, verzonden 29 maart 1995, heeft verweerder de maximaal te verstrekken krediethypotheek bepaald op ƒ 51.228,80.

De bijstandsuitkering van eiseres is per 1 augustus 2004 beëindigd.

Bij besluit van 8 augustus 2005, verzonden 16 augustus 2005, heeft verweerder bepaald dat eiseres met ingang van augustus 2005 € 180,00 per maand aan aflossing en rente dient te betalen voor de aan haar verstrekte krediethypotheek.

Eiseres heeft op 5 september 2005 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Eiseres is op 26 oktober 2005 gehoord door de commissie bezwaarschriften.

Bij het thans bestreden besluit van 5 december 2005, verzonden 13 december 2005, heeft verweerder conform het advies van de commissie bezwaarschriften d.d. 23 november 2005 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft op 9 januari 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 februari 2006, verzonden 16 februari 2006, onder gelijktijdige inzending van de op het geding betrekking hebbende stukken door middel van een verweerschrift gereageerd op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd.

Bij schrijven van 24 oktober 2006 heeft eiseres nadere stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 november 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar zoon H. Veldkamp. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door D. van Losser.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 5 december 2005 in rechte in stand kan blijven.

Standpunten van partijen

Eiseres heeft aangegeven dat in het bestreden besluit niets wordt gezegd over het feit dat in de hypotheekakte niet wordt aangegeven wanneer en onder welke voorwaarden de krediethypotheek moet worden afgelost.

Verder is eiseres destijds door een ambtenaar van Sociale Zaken mondeling medegedeeld dat de hypotheek alleen afgelost diende te worden na overlijden of bij verkoop van het huis.

Voorts gaat verweerder volgens eiseres onterecht uit van kostendeling met een inwonend gezin en is de berekening van de financiële ruimte niet correct.

Verweerder heeft aangegeven dat het advies van de commissie bezwaarschriften deel uitmaakt van de bestreden beslissing. In dit advies is uitgebreid aangegeven dat de rente- en aflossingsverplichting terecht en op juiste gronden is opgelegd.

Verder bestrijdt verweerder dat er een dergelijke toezegging door een ambtenaar is gedaan. Als er al sprake van een toezegging zou zijn dan nog staat hierover niets op schrift. Uit artikel 6 en artikel 7 van het Bijstandsbesluit krediethypotheek, zoals dat gold ten tijde hier van belang, blijkt duidelijk dat na beëindiging van de bijstandsverlening rente en aflossing betaald moeten worden.

Voorts heeft verweerder aangegeven dat de juiste normen en percentages als grondslag voor de berekening zijn gebruikt. Eiseres woont met haar zoon (en diens gezin) in één huis. De kosten kunnen worden gedeeld met het inwonende gezin. Bij de berekening van de benodigde bijstandsuitkering en artikel 3 van de Toeslagenverordening gemeente Wierden dient de gemeentelijke toeslag voor een alleenstaande te worden bepaald op 10%. Dit is 10% minder dan wanneer er geen sprake zou zijn van het gezamenlijk bewonen van de woning. Het feit dat eiseres een apart afgescheiden gedeelte van de woning bewoont doet daar volgens verweerder niets aan af. Er is geen scheiding aangebracht voor wat betreft het huisnummer, de aansluiting op het (druk) riool, de energie- en wateraansluiting op het net alsmede de gemeentelijke heffingen. Het gaat in de toepassing van de Wet werk en bijstand niet om het feitelijk delen van de woonkosten maar om het kunnen delen van deze kosten.

Gelet op de feitelijke woon- en leefomstandigheden van eiseres is de juiste financiële berekening gemaakt.

Wettelijk kader

In artikel 4, vierde lid, laatste volzin, van de Invoeringswet herinrichting Algemene bijstandswet is, voor zover van belang, bepaald dat indien bijstand is verleend met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 7a van de Algemene Bijstandswet, bij herziening van het besluit de aan de reeds gevestigde hypotheek verbonden verplichtingen en bedingen van kracht blijven.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand blijft, voor zover van belang, artikel 4, vierde lid, laatste volzin, van de Invoeringswet herinrichting Algemene bijstandswet van toepassing op bijstand die op de peildatum werd verleend met toepassing van dat artikel.

Dit betekent dat in de onderhavige zaak de bepalingen van de Algemene Bijstandswet en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals die luidden op 10 januari 1995, dienen te worden toegepast.

Ingevolge artikel 7a, eerste lid, van de ABW kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek aan de eigenaar van een door deze zelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, voor zover bezwaring of verdere bezwaring op andere wijze dan wel tegeldemaking daarvan in redelijkheid niet kan worden verlangd. De daartoe strekkende besluiten zijn niet aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 7a van de ABW worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gesteld ten aanzien van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder bijstand als bedoeld in het vorige lid kan worden verleend.

In het Bijstandsbesluit krediethypotheek is hieraan uitvoering gegeven.

In artikel 6 van het Bijstandsbesluit krediethypotheek is het volgende bepaald:

1. Behoudens over de periode waarin bijstand krachtens de artikel 3, 4 en 5, juncto artikel 6, van het Bijstandsbesluit landelijke normering is verleend, is de betrokkene een rente van 6 procent per jaar over de uitstaande geldlening verschuldigd.

2. De aflossing van de uitstaande geldlening vindt plaats in periodieke bedragen, berekend op basis van 4% per jaar van het bedrag van de geldlening op het tijdstip van beëindiging van de bijstandsverlening.

In artikel 7 van het Bijstandsbesluit krediethypotheek is het volgende bepaald:

1. De verschuldigde rente en aflossing worden voldaan in maandelijkse, dan wel driemaandelijkse termijnen, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders. Deze termijnen vangen aan op het tijdstip van beëindiging van de bijstandsuitkering.

2. Uitstel van betaling wordt verleend voorzover de verschuldigde rente en aflossing het bedrag overschrijdt, dat bij overeenkomstige toepassing van de Beschikking individuele huursubsidie op het inkomen van betrokkene, aan woonkosten meer ten laste blijft dan bij het voor betrokkene geldende minimuminkomen. Het uitstel heeft bij voorrang betrekking op de aflossing.

3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt nadere regelen ter berekening van het in het vorige lid bedoelde bedrag.

4. De verschuldigde rente waarvoor uitstel van betaling is verleend en het nog niet afgeloste deel van de geldlening worden vereffend bij beëindiging van de bewoning door de betrokkene, de echtgenoot en hun kinderen beneden de leeftijd van 21 jaar, dan wel bij vervreemding van het verbonden goed.

5. De vordering wegens uitstel van betaling van rente is niet rentedragend.

In artikel 10 van het Bijstandsbesluit krediethypotheek is het volgende bepaald:

1. In de hypotheekakte worden de gebruikelijke bedingen opgenomen.

2. In elk geval worden in de hypotheekakte opgenomen de bedingen genoemd in de artikelen 6 en 7, alsmede de mogelijkheid tot herziening van het rentepercentage ingevolge artikel 9.

In de Regeling uitstel van betaling rente en aflossing krediethypotheek is uitvoering gegeven aan artikel 7, derde lid, van het Bijstandsbesluit krediethypotheek.

In artikel 1 van de Regeling uitstel van betaling rente en aflossing krediethypotheek is het volgende bepaald:

1. Het bedrag bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Bijstandsbesluit krediethypotheek is per maand 45 procent van het netto inkomen voor zover dit het voor betrokkene geldende minimuminkomen te boven gaat.

2. Onder het voor betrokkene geldende minimuminkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de voor betrokkene geldende uitkering per maand als bedoeld in de artikelen 3, 4, 10, 10a, 10b, 10d, juncto artikel 6 van het Bijstandsbesluit landelijke normering.

3. Het minimuminkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 6c van het Bijstandsbesluit landelijke normering, indien direct voorafgaand aan het rentedragend worden van de geldlening reeds bijstand werd verleend op grond van dat artikel.

Overwegingen van de rechtbank

Uitgangspunt van de bijstandsverlening is dat bijstand om niet wordt verleend. Voor degene die over vermogen beschikt in de vorm van een eigen, door hemzelf bewoonde woning is dat echter anders. In artikel 7a, eerste lid, van de ABW is bepaald dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek. In het Bijstandsbesluit krediethypotheek zijn nadere regelen gesteld ten aanzien van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder bijstand kan worden verleend.

De rechtbank stelt vast dat in de notariële akte van 26 september 1995, zoals eiseres stelt, ten onrechte geen bedingen zijn opgenomen omtrent de verschuldigde rente en aflossing van de geldlening. Naar het oordeel van de rechtbank staat deze omissie echter niet aan de opeisbaarheid van de geldlening in de weg. In de artikelen 6 en 7 van het Bijstandsbesluit krediethypotheek zijn, voor zover van belang, bepalingen opgenomen omtrent de rente en aflossing van de uitstaande geldlening. Met name is in artikel 7, eerste lid, bepaald dat de termijnen van rente en aflossing aanvangen op het tijdstip van beëindiging van de bijstandsuitkering. Er is mitsdien voor verweerder een wettelijke grondslag aanwezig voor het vaststellen van verschuldigde rente en aflossing van de aan eiseres verstrekte geldlening onder verband van krediethypotheek.

Eiseres heeft aangevoerd dat haar ten tijde van het afsluiten van de krediethypotheek door een ambtenaar van Sociale Zaken mondeling is meegedeeld dat de hypotheek alleen afgelost diende te worden na overlijden of bij verkoop van de woning, hetgeen door verweerder is bestreden. Eiseres heeft haar stelling niet nader kunnen onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de zijde van verweerder waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

Met betrekking tot het berekenen van de financiële draagkracht overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de thans geldende Wet werk en bijstand dient de heffingskorting tot de middelen te worden gerekend. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRvB 31 januari 2006, LJN: AV1353) behoren de algemene heffingskorting en de alleenstaande ouderkorting niet tot de uitzonderingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze derhalve terecht als inkomen van eiseres aangemerkt.

Op grond van de definitieve belastingaanslag over 2005 is gebleken dat eiseres geen recht meer heeft op de alleenstaande ouderkorting. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat met deze informatie de financiële draagkracht van eiseres opnieuw zal worden vastgesteld.

Bij de berekening van de financiële draagkracht is verweerder ervan uit gegaan dat eiseres haar woonkosten kan delen met haar zoon waardoor de gemeentelijke toeslag is bepaald op 10% in plaats van 20%. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op juiste gronden de toeslag heeft bepaald op 10% nu vast staat dat er sprake is van één woning waar twee gezinnen wonen. Er is sprake van één huisnummer en één aansluiting van de openbare nutsvoorzieningen. Nu voor eiseres de mogelijkheid aanwezig is om bepaalde vaste lasten te delen met haar zoon is de rechtbank van oordeel dat verweerder de gemeentelijke toeslag op 10% heeft kunnen vaststellen. De bezwaren van eiseres snijden dan ook geen hout.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. C. Verdoold, in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink als griffier.

Afschrift verzonden op

PA