Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AZ2344

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-11-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
08/000266-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn kind naar zijn vaderland Libië willen meenemen en om dat doel te bereiken het leven van haar moeder welbewust opgeofferd. De rechtbank veroordeelt hem voor (onder meer) het medeplegen van moord en mensenroof tot een levenslange gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/000266-04

STRAFVONNIS

Uitspraak: 14 november 2006

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Libië) op [datum] 1975,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

terechtstaande terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een vrouw genaamd [vrouw] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven, het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape

en een zitbank over het slachtoffer heengelegd,

tengevolge waarvan voornoemde [vrouw] is overleden,

welk feit werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van de in deze

tenlastelegging genummerde feiten 3 en 4,

en welk feit gepleegd is met het oogmerk om de uitvoering van de in deze

tenlastelegging genummerde feiten 3 en 4 voor te bereiden of gemakkelijk te

maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere

deelnemers aan de feiten 3 en 4 hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van

het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente,

tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een vrouw genaamd [vrouw] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven, het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape

een zitbank over het slachtoffer heengelegd en

de woning met daarin het slachtoffer slotvast afgesloten,

terwijl dat feit de dood van [vrouw] ten gevolge heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland, en in België, tezamen en in vereniging met anderen, een

meisje, genaamd [kind] (geboren 24 augustus 2001), over de grenzen

van het Rijk in Europa heeft gevoerd, met het oogmerk die [kind] wederrechtelijk

(te weten zonder instemming van de moeder en met voorbijgaan aan officiële

procedures met betrekking tot het gezag, de omgangsregeling en de

verblijfplaats betreffende minderjarigen, alsmede met gebruikmaking van een

vervalst paspoort, alsmede in de wetenschap dat het handelen van verdachte en

zijn mededaders zou leiden tot een situatie waarin [verdachte] (verdachte) niet

langer het wettelijk gezag over [kind] zou uitoefenen) onder de macht van [verdachte] of diens familieleden, althans anderen te brengen en/of die [kind] in een

(gezien haar leeftijd en het feit dat haar moeder wederrechtelijk van haar

vrijheid was beroofd en/of om het leven was gekomen) hulpeloze toestand te

verplaatsen.

4.

hij in of omstreeks de periode van 9 augustus 2004 tot en met 30 november 2004, althans de periode van 20 augustus 2004 tot en met 30 november 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, althans in Nederland en in België en Libië, tezamen en in vereniging met anderen, een minderjarig meisje, genaamd [kind] (geboren 24 augustus 2001), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende,

terwijl de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en

terwijl bij het plegen van het feit list, geweld en/of bedreiging met geweld

zijn gebezigd, immers hebben verdachte en/of diens mededaders een afspraak met

de moeder ([vrouw] hierna ook te noemen het slachtoffer) van [kind]

gemaakt,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer met een hard voorwerp tegen het hoofd geslagen dan wel het

slachtoffer met het hoofd hard tegen een hard voorwerp geduwd/geslagen,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam,

het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld

met tape,

de benen van het lichaam deels omwikkeld met tape;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 11 augustus 2004 te

's-Gravenhage en/of Goor, gemeente Hof van Twente, althans in Nederland en/of

in België tezamen en in vereniging met een ander, in het bezit was van een

reisdocument, te weten een mevrouw [Naam derde], toebehorend Nederlands paspoort,

waarvan hij en/of haar mededader(s) wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden

dat het reisdocument vals of vervalst was, welke valsheid/vervalsing eruit

bestond dat in het paspoort in strijd met de waarheid en door anderen dan de

daartoe bevoegde instanties, met een andere dan de daartoe voorgeschreven

printer en in een andere dan de daartoe voorgeschreven volgorde voor gegevens

stond bijgeschreven (als kind van mevrouw [Naam derde]):

"[Naam derde].[voornaam].24.10.2001.Hoogeveen.V".

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gelet op het tegen verdachte verleende verstek;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank overweegt dat de officier van justitie ten aanzien van het aan verdachte in het sub 4 tenlastegelegde "en Libië" niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn recht tot strafvervolging, aangezien op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet is vast komen te staan dat dit feit als misdrijf strafbaar is gesteld in Libië.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een vrouw genaamd [vrouw] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven, het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam, het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld met tape, de benen deels omwikkeld met tape en een zitbank over het slachtoffer heengelegd, tengevolge waarvan voornoemde [vrouw] is overleden,

welk feit werd gevolgd en vergezeld van de in deze tenlastelegging genummerde feiten 3 en 4, en welk feit gepleegd is met het oogmerk om de uitvoering van de in deze tenlastelegging genummerde feiten 3 en 4 voor te bereiden en gemakkelijk te

maken en, om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan de feiten 3 en 4 hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij op 9 augustus 2004 te Goor, in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een vrouw genaamd [vrouw] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven, het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en lichaam, het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld met tape, de benen deels omwikkeld met tape, een zitbank over het slachtoffer heengelegd en de woning met daarin het slachtoffer slotvast afgesloten, terwijl dat feit de dood van [vrouw] ten gevolge heeft gehad.

3.

hij op 9 augustus 2004 in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met een ander, een meisje, genaamd [kind] (geboren 24 augustus 2001), over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd, met het oogmerk die [kind] wederrechtelijk (te weten zonder instemming van de moeder en met voorbijgaan aan officiële procedures met betrekking tot het gezag, de omgangsregeling en de

verblijfplaats betreffende minderjarigen) onder de macht van [verdachte] of diens familieleden te brengen.

4.

hij in de periode van 9 augustus 2004 tot en met 30 november 2004, in Nederland en in België, tezamen en in vereniging met anderen, een minderjarig meisje, genaamd [kind] (geboren 24 augustus 2001), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, terwijl de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en terwijl bij het plegen van het feit list en geweld zijn gebezigd, immers hebben verdachte en/of diens mededaders een afspraak met de moeder ([vrouw] hierna ook te noemen het slachtoffer) van [kind] gemaakt, zich met touw en tape naar de woonplaats van het slachtoffer begeven,

het slachtoffer strak gebonden met koord aan handen, benen, voeten, hals en

lichaam, het hoofd en de hals van het slachtoffer nagenoeg geheel en strak omwikkeld met tape, de benen deels omwikkeld met tape;

5.

hij in de periode van 1 maart 2004 tot en met 11 augustus 2004 te 's-Gravenhage en Goor, gemeente Hof van Twente en in België tezamen en in vereniging met een ander, in het bezit was van een reisdocument, te weten een mevrouw [Naam derde], toebehorend Nederlands paspoort, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat het reisdocument vervalst was, welke vervalsing eruit bestond dat in het paspoort in strijd met de waarheid en door anderen dan de daartoe bevoegde instanties, met een andere dan de daartoe voorgeschreven printer en in een andere dan de daartoe voorgeschreven volgorde voor gegevens stond bijgeschreven (als kind van mevrouw [Naam derde]): "[Naam derde].[voornaam].24.10.2001.Hoogeveen.V".

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank constateert dat de onder sub 1 bewezen verklaarde feiten in meer dan één strafbepaling vallen, te weten artikel 289: “medeplegen van moord” en artikel 288: “medeplegen van doodslag, gevolgd door en vergezeld van strafbare feiten en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die feiten voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan deze feiten hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijke te verzekeren”. De rechtbank constateert voorts, gelet op het bepaalde in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, dat slechts één van bovengenoemde bepalingen dient te worden toegepast. Nu op beide strafbepalingen dezelfde hoofdstraf is gesteld, kiest de rechtbank ervoor het onder 1 bewezenverklaarde feitencomplex te kwalificeren als: “medeplegen van moord”.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 het misdrijf:

"Medeplegen van moord",

strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 2 het misdrijf:

"Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en

beroofd houden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft",

strafbaar gesteld bij artikel 282 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht;

De hiervoor gekwalificeerde strafbare feiten sub 1 en 2 staan in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling.

en wat betreft sub 3 het misdrijf:

"Medeplegen van mensenroof",

strafbaar gesteld bij artikel 278 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 4 het misdrijf:

"Medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem

gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent,

terwijl list en geweld zijn gebezigd en terwijl de minderjarige beneden de twaalf

jaren oud is”

strafbaar gesteld bij artikel 279 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 5 het misdrijf"

"Medeplegen van het in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het

vervalst is",

strafbaar gesteld bij artikel 231 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, met bevel gevangenneming; toewijzing van de civiele vordering en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel; onttrekking aan het verkeer c.q. verbeurdverklaring c.q. teruggave aan de eigenaren van de met name genoemde inbeslaggenomen goederen.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf, bijkomende straf en maatregelen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder overwogen:

Voor wat betreft de ernst van de feiten:

Voorop moet worden gesteld dat het leven het meest kostbare goed is dat een mens bezit, waarmee samenhangt dat de wetgever op het opzettelijk nemen van dat leven de hoogste strafbedreiging heeft gesteld.

Door het handelen van verdachte en zijn mededader is een jonge vrouw die in de bloei van haar leven verkeerde en de zorg had voor een jong kind op zeer koelbloedige wijze vermoord.

Hierdoor is onpeilbaar leed toegebracht aan familie, vrienden en kennissen van het slachtoffer. Door [vrouw] van het leven te beroven hebben verdachte en zijn mededader veroorzaakt dat haar dochter [kind], haar ouders en naaste familie verder zullen moeten leven zonder moeder, dochter en zuster.

Vooropgezet doel van verdachte was om te bewerkstelligen dat [kind] onder zijn macht werd gebracht zodat hij haar mee kon nemen naar zijn vaderland. Het leven van het slachtoffer is hierbij welbewust opgeofferd. De rechtbank rekent het verdachte zeer ernstig aan dat hij zich geen enkele rekenschap heeft gegeven van het feit dat [kind] met de extreem gewelddadige actie jegens haar moeder werd geconfronteerd. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke traumatische ervaring in het leven van een nog zo jong kind diepe sporen zal nalaten.

Verdachte en zijn mededader hebben het slachtoffer in een volstrekt hulpeloze positie – met 30 meter tape strak gebonden om haar hoofd en hals en ook overigens stevig gekneveld – achtergelaten. Het slachtoffer heeft gedurende enige tijd in doodsnood verkeerd en bovendien in het besef dat haar dochter op dat moment tegen haar wil werd meegenomen en van haar werd weggevoerd. Het slachtoffer is vervolgens door verstikking om het leven gekomen.

Een moord als deze draagt een voor de rechtsorde bijzonder schokkend karakter en verdachtes handelen getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een volledig gebrek aan besef van en respect voor de waarde van het menselijk leven in het algemeen en de gevoelens van de nabestaanden in het bijzonder.

Zijn handelwijze wijst er niet alleen op dat verdachte zeer weloverwogen te werk is gegaan, maar getuigt ook van een grote gewetenloosheid.

Verder betrekt de rechtbank in haar overwegingen de omstandigheid dat verdachte eerder een poging heeft gedaan om [kind] te ontvoeren, welke ontvoering door omstandigheden gelegen buiten de wil van verdachte niet tot voltooiing is gekomen.

Verdachte heeft welbewust het leven van de moeder van het kind opgeofferd om het kind te kunnen wegnemen en heeft aldus blijk gegeven lichtvaardig tot extreem gewelddadige handelingen over te kunnen gaan, enkel en alleen om zijn eigen wil door te drijven.

Verdachtes mededader [mededader] is in eerste aanleg door deze rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren.

De verdachte in de onderhavige zaak is initiator van de bewezenverklaarde feiten. Hij heeft meerdere keren het aanbrengen van tape geoefend op zijn toenmalige vriendin; hij is degene geweest die [mededader] heeft aangezocht om medewerking te verlenen en hij heeft ervoor gezorgd dat [kind] onder een valse naam is bijgeschreven in het paspoort van zijn vriendin [Naam derde], die hem heeft geholpen het kind weg te voeren.

Nu verdachte de onderhavige feiten heeft gepland, georganiseerd -waarbij hij anderen heeft overgehaald mee te doen- en vervolgens op koelbloedige wijze uitgevoerd dient aan hem dan ook een aanmerkelijk hogere straf te worden opgelegd dan aan [mededader].

De rechtbank is van oordeel dat de ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geldende maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaren geen recht doet aan de ernst van de feiten en de wijze waarop ze zijn gepleegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van mening dat als uitgangspunt moet worden genomen de maximale bescherming van de samenleving tegen de criminele activiteiten van verdachte, temeer nu de kans dat verdachte in herhaling zal vallen indien hij in een soortgelijke situatie zou geraken, gelet op de lichtvaardige wijze waarop hij tot extreem geweld in staat blijkt te zijn zeker aanwezig is.

Reden waarom de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf.

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat [benadeelden], ter zake van de feiten 1 en 2, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier ter terechtzitting als benadeelde partijen hebben gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partijen, tot een totaalbedrag van € 15.735,-, bestaande uit de volgende posten:

-een bedrag van € 1.910,- terzake niet vergoede kosten uitvaart

-een bedrag van € 3.825,- terzake kosten van een grafsteen

-een bedrag van € 10.000,- terzake immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze vordering van de benadeelde partijen ten dele gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht.

De civiele vordering kan slechts worden toegewezen tot een bedrag van € 3.360,23 terzake niet vergoede kosten uitvaart (€ 1.910,06) en terzake kosten grafsteen

(€ 1.450,17).

De rechtbank overweegt dat de kosten die ten laste van de boedel zijn gekomen en er niet gebleken is van rechtstreekse schade aan de zijde van de benadeelde partijen die zich in deze zaak hebben gesteld, deze niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade ziet de rechtbank op voorhand geen toereikende wettelijke basis voor een vergoeding, waarbij de rechtbank zich overigens uitdrukkelijk wel kan voorstellen dat deze schade groot is. De civiele vordering zal derhalve tot voormeld bedrag van € 3.360,23 worden toegewezen, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in het resterende deel van de vordering.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 en 2 is toegebracht.

De na te melden straf, bijkomende straf en maatregelen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 55, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart de officier van justitie met betrekking tot het sub 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn recht tot strafvervolging voorzover het betrekking heeft op het onderdeel "en Libië".

Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een levenslange gevangenisstraf.

Veroordeelt verdachte, terzake van de bewezen feiten 1 en 2 tot betaling aan de benadeelde partijen [benadeelden]s, wonende te

[adres] van een bedrag groot € 3.360,23.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 3.360,23 ten behoeve van de benadeelde partijen, voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 67 dagen zal worden toegepast.

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partijen het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, en dat de benadeelde partijen de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Verklaart verbeurd de goederen voorkomend onder de nummers 3,7,9 en 12 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het paspoort voorkomend onder nummer 8 op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen.

Gelast voor de overige op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n).

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Stoové, voorzitter, mr. Wentink en mr. Groener, rechters, in tegenwoordigheid van Last, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op

14 november 2006.