Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AZ0246

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
56002 ha za 108-2003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht van het waterschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK ALMELO

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

datum vonnis: 13 september 2006 (jsdj)

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

R. J. L,

wonende te B.,

eiser,

hierna te noemen: L.,

procureur: mr. T.J. van Drooge,

advocaat: mr. J.M. van der Wulp te Middelharnis,

voordien: mr. E.J. Glansbeek te Middelharnis,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP,

met zetel te A.,

gedaagde,

hierna te noemen: het waterschap,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo,

voordien: mr. H.A.A. Kienhuis,

advocaat: mr. J.M.W. Werker te Arnhem,

voordien: mr. I. Luiken te Arnhem.

Gehoord partijen.

Gezien de stukken, waaronder het door de rechtbank in deze zaak op 8 juni 2005 uitgesproken tussenvonnis.

OVERWEEGT OVER

Het procesverloop:

De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen.

Op 8 februari 2006 heeft de rechtbank het rapport inzake het deskundigenonderzoek ontvangen.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

L. heeft geconcludeerd na deskundigenbericht en vervolgens heeft het waterschap in antwoord geconcludeerd na deskundigenbericht.

Het vonnis is bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing.

1. De rechtbank neemt hier over hetgeen dienaangaande in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist.

2. Op 8 februari 2006 is ter griffie van deze rechtbank ontvangen het rapport van de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 8 juni 2005 benoemde deskundigen. Op bladzijde 2 van het rapport hebben de deskundigen aangegeven dat het conceptrapport naar de raadslieden van beide partijen is gezonden en dat van de zijde van de beide raadslieden op het concept rapport is gereageerd. De deskundigen hebben aangegeven dat met de reacties van de beide raadslieden rekening is gehouden bij de verwerking en vaststelling van de definitieve tekst van hun deskundigenbericht.

3. In punt 3 geven de deskundigen (kort) de onderzoeksmethodiek weer. Vervolgens geeft de bodemdeskundige in punt 4 antwoord op de specifiek voor hem bedoelde vragen.

Kort gezegd komen de antwoorden op het volgende neer. De bodem van het perceel bestaat grotendeels uit beekeerdgronden met tot circa 40 cm kleihoudende sterk en zeer sterk lemig zand met een organische stofgehalte van 3-5%. Vanaf 30-60 centimeter onder het maaiveld gaat de humeuze bovengrond over in leemarm en zwak lemig matig fijn en matig grof zand. Er komen op wisselende diepten dunne leemlagen voor. Met een begindiepte variërend van 80 centimeter tot 160 centimeter onder het maaiveld komt een tertiaire kleilaag voor.

De lutumhoudende, sterk en zeer sterk lemige humeuze bovengrond is van nature slecht doorlatend. De aanwezigheid van een ploegzool met een geringe doorlatendheid onder de humeuze bovengrond veroorzaken tijdelijk stagnatie van water. De laag tussen 40 centimeter en 110 centimeter onder het maaiveld is goed doorlatend.

De drainage is aangelegd in januari 1989. De gronden in het onderzochte perceel komen vrijwel overeen met die op de Bodemkaart uit 1992. Locale verschillen op perceelsniveau zijn toe te schrijven aan de maatregelen die zijn genomen kort voor de teelt van coniferen. Uit verkregen informatie is op te maken dat voorafgaande aan de teelt het perceel is rondgelegd, diepe grondbewerking is toegepast en veel turf is opgebracht.

Het waterschap heeft de droogleggingsnorm verhoogd van 110 centimeter naar 80 centimeter onder het maaiveld. De wijziging in de waterhuishouding is van invloed op het gedrag van de grond. Perioden met langdurige neerslag hebben negatieve gevolgen voor de luchthuishouding van de bovengrond. De poriën worden geheel met water gevuld en de gronden slempen dicht. Dit wordt versterkt door de aanwezigheid van een verdichte ploegzool, hoge grondwaterstanden of bij slecht of niet functioneren van de drainage.

Het gedrag van de grond moet bekend zijn geweest bij de eigenaar van het perceel. Er waren vóór 1998 maatregelen genomen die worden toegepast bij slecht doorlatende bovengrond om bijvoorbeeld plasvorming tegen te gaan. Door de slechte doorlatendheid van de bovengrond zal bij niet of onvoldoende functioneren van de drainage tijdens een langere periode mat neerslag en hoge slootwaterstanden water tot in het maaiveld stagneren.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

Wijzigingen in de waterhuishouding van het perceel door wijziging van de waterhuishouding door het waterschap zijn voor het laagste deel van het perceel van grotere invloed geweest dan voor de hoger gelegen delen.

De hydrologische situatie van het perceel na de aanleg van de drainage in 1989 wijzigt zich en heeft tot gevolg dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand bij goed functioneren van de drains niet meer of nauwelijks binnen 40 centimeter onder het maaiveld komt. De hydrologische situatie komt derhalve overeen met grondwatertrap IV. Tot aan de genoemde maatregelen van medio 1998 heeft deze situatie bestaan.

Ervan uitgaande dat de drainage door te hoge slootwaterstanden niet of onvoldoende heeft kunnen functioneren zijn de negatieve gevolgen het grootst in de gebieden 1 en 2. Wijziging van de waterhuishouding van het perceel op de hogere delen kan negatieve gevolgen hebben bij niet of slecht functioneren van de drains als gevolg van hoge slootwaterstanden aan de monding van de drains. Volgens de drainagedeskundige is de drainage volgens de eisen van goed vakmanschap aangelegd. De drainage moet in de situatie vóór de wijziging goed hebben gefunctioneerd. Tijdens het veldbezoek met de drainagedeskundige is vastgesteld dat er na neerslag water uit de drains kwam. Dit op het moment dat het grondwater zich beneden het drainniveau bevond. Het perceel kan adequaat worden ontwaterd.

4. De bomendeskundige geeft in punt 5 antwoord op de specifiek voor hem bedoelde vragen.

Kort gezegd komen de antwoorden op het volgende neer.

In bodemchemisch opzicht is de teeltlaag van de bodem in orde. De zuurgraad ligt in het voor Thuja’s optimale traject, terwijl de beschikbaarheid van opneembare voedingselementen voldoende is. De dikte van de teeltlaag is voldoende voor het twee jaar “doorkweken” van haagplantsoen van Thuja’s occidentalis. Door de indertijd aangelegde drainage heeft zich een grondwatertrap van IV ingesteld hetgeen gunstig is voor de groei van vrijwel alle boomsoorten.

In bodemfysisch opzicht moet onder normale omstandigheden na de door L. getroffen maatregelen ook de waterhuishouding in principe voldoende in orde zijn. Onder extreme omstandigheden zoals langdurige regenval kunnende aanwezige storende bodemlagen weliswaar een snelle infiltratie naar de diepte toe belemmeren, maar de bolle ligging van het perceel draagt er toe bij dat overtollige neerslag ook zijdelings af kan stromen en via de greppels en sloten verder kan worden afgevoerd. Naar verwachting kan hiermee de waterhuishouding in de teeltlaag van het perceel voldoende worden beheerst om een negatief effect te hebben op de vitaliteit van de bomen. Uiteraard is het dan wel een voorwaarde dat vanaf de randen van het perceel het water weg kan stromen naar de sloten én dat de sloten dit op hun beurt weer voldoende snel kunnen afvoeren.

De voornaamste, zo niet de enige oorzaak is bodemzuurstoftekort die is opgetreden als gevolg van te langdurige waterverzadiging van de teeltlaag. De oorzaak van het sneven van de coniferen moet voor 100% worden toegeschreven aan de waterverzadiging van de bodem. De wateroverlast was in dit geval van te lange duur.

5. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en gezien de inhoud van het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundigen, beslist de rechtbank dat zij de bevindingen van die deskundigen overneemt en tot de hare maakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij de (aanvullende) opmerkingen en/of antwoorden naar aanleiding van vragen die partijen aan de deskundigen met betrekking tot de conceptrapportage hebben gesteld, met belangstelling heeft gelezen. De rechtbank zal die opmerkingen en/of antwoorden hieronder zonodig bespreken.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

6. Het waterschap heeft in punt 12 van haar antwoord-conclusie na deskundigenbericht gesteld dat de (bodem)deskundige in feite geen antwoord geeft op de vraag naar de toestand van het perceel, voorafgaand aan de wijziging van de waterhuishouding door het waterschap en dat hij weliswaar vaststelt dat grondbewerking heeft plaatsgevonden, doch dat de bewerkingsdiepte niet is vast te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank geeft de deskundige in zijn rapport aan welke maatregelen L. ten behoeve van de teelt van de coniferen heeft genomen. Omdat boringen en metingen met de penetograaf onlangs zijn genomen en niet vóór het jaar 1998 is de deskundige niet in staat geweest de toestand van het perceel voor 1998 exact weer te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet relevant. Uit het rapport blijkt duidelijk dat Leuveld ten behoeve van de teelt van Thuja's de juiste acties heeft genomen. Met betrekking tot de bewerkingsdiepte heeft de deskundige gesteld dat de exacte (onderstreping rb.) bewerkingsdiepte niet is vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende dat de deskundige een 'diepe grondbewerking' heeft vastgesteld, waardoor een ploegzool kan worden doorbroken, hetgeen tot gevolg heeft dat de waterdoorlatendheid wordt verbeterd. Daarnaast heeft de bomendeskundige in antwoord op vraag 5b aangegeven dat in bodemfysisch opzicht onder normale omstandigheden na de door L. getroffen maatregelen ook de waterhuishouding in principe voldoende in orde moet zijn.

Over de opmerking van het waterschap onder vraag 4e met betrekking tot de constatering van diverse personen van het waterschap dat de verdichte laag ook reeds aanwezig was op het moment dat er reeds coniferen op het perceel stonden, kunnen de deskundigen geen (bevestigende noch ontkennende) uitspraken doen. De rechtbank merkt op dat het waterschap dienaangaande ook geen bewijs aanbiedt.

7. In punt 15 van haar antwoord-conclusie stelt het waterschap dat zij onderschrijft dat onderscheid bestaat tussen de samenstelling van de bodem en het gedrag van de bodem. Het waterschap stelt dat het gedrag van de bodem direct wordt beïnvloed door de samenstelling van de bodem en dat het gedrag van de bodem niet los kan worden gezien van de samenstelling van de bodem. Volgens het waterschap maakt de leemachtige bodem, waarin een verdichte laag voorkomt en bovendien sprake is van een slechte waterdoorlatendheid en geringe infiltratiecapaciteit van de bodem dat niet de enkele wijziging in de waterhuishouding van het waterschap als oorzaak van de gestelde wateroverlast heeft te gelden, doch dat ook de samenstelling van de bodem een bepalende factor is.

8. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport dat de wijze waarop de bodem van het perceel reageert op watertoevoer, bestaande uit neerslag op het perceel, verhoging van het waterpeil in de sloten en overstroming, verband houdt met de samenstelling van de grond.

De rechtbank begrijpt uit het betoog van het waterschap dat zij stelt dat de samenstelling van de bodem van het perceel dusdanig is dat een goede afvoer van het water (deels) door de samenstelling van de grond van het perceel wordt belemmerd. Echter, waar het waterschap aan voorbijgaat is dat L. de in het rapport genoemde maatregelen, zoals rond leggen, diepe grondbewerking en drainage, heeft genomen om de waterhuishouding van de bodem van het perceel te verbeteren. In dat kader is de rechtbank van oordeel dat niet is gesteld of anderszins gebleken dat L., totdat het waterschap de droogleggingsnorm naar boven heeft bijgesteld, last heeft gehad van wateroverlast op het perceel.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

Pas toen het waterschap de waterhuishouding heeft gewijzigd, is er, zoals ook uit de op 18 oktober 2004 door R. afgelegde verklaring blijkt, onder andere door overstroming van het perceel en het regelmatig tot aan de slootrand staan van het water, wateroverlast ontstaan.

9. In het deskundigenrapport wordt onder 4f. de betreffende vraag/opmerking van mr. I. Luiken weergegeven. Vervolgens wordt in het deskundigenrapport onder 4f. het antwoord van de deskundigen weergegeven.

Daaruit blijkt, kort gezegd, dat in het rapport verder is ingegaan op het gedrag van de grond tijdens een periode van langdurige neerslag in combinatie met een wijziging in de waterhuishouding. Tijdens de teelt van de coniferen was er sprake van langdurige neerslag en is de wijziging van de waterhuishouding van invloed geweest op het gedrag van de grond, waarbij door plasvorming en hoge grondwaterstanden lucht gebrek ontstaat. Diepe grondbewerking waarbij verdichte lagen door menging zijn doorbroken met daarnaast een goed functioneren van de drainage door een langdurig hoog waterpeil in waterloop 15-6-0-2 ontstaat echter waterstagnatie op de aanwezige tertiaire kleilaag waarbij het water tot in het maaiveld stijgt.

10. Vaststaat dat naar aanleiding van de bouw van woningen, het waterschap de waterhuishouding van het betreffende gebied heeft gewijzigd door onder andere de droogleggingsnorm naar boven bij te stellen en de afvoer van (overtollig) water onder andere via de Vossenbeltleiding te laten lopen.

De rechtbank heeft bewezen geacht dat L. is geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat, kort gezegd, de grondwaterstanden gedurende forse periodes vanaf het jaar 1998 onaanvaardbaar hoog zijn geweest en dat zich regelmatig overstromingen hebben voorgedaan. Niet is gesteld en ook is niet anderszins gebleken dat zich voor de wijziging van de waterhuishouding door het waterschap zich problemen hebben voorgedaan met de afwatering van het perceel van L.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat door de hoge waterstand in de sloten, inclusief de overstromingen, die beiden het gevolg zijn van een periode van langdurige neerslag en een stagnerende afvoer van water vanwege de wijziging van de waterhuishouding, het perceel van L. gedurende forse periodes niet meer adequaat kon afwateren. De stelling van het waterschap dat de wateroverlast op het perceel van L. mede is veroorzaakt door samenstelling van de bodem en de afwezigheid van greppels en sloten moet naar het oordeel van de rechtbank als onjuist worden gekwalificeerd. Immers, doordat gedurende forse periodes het water tot aan de slootrand stond en zelfs over het perceel vloeide, tengevolge waarvan het perceel met water doordrenkt is geraakt, is een goede afvoer van water en drainage van het perceel gedurende die forse periode illusoir omdat op dat moment niet of nauwelijks verschil bestaat tussen het niveau van het water in het perceel en de nabij het perceel gelegen sloot. De samenstelling van de bodem en/of het al dan niet aanwezig zijn van greppels zijn dan niet meer ter zake doende. Pas als het waterpeil in de watergangen voldoende is gezakt, wordt het gedrag van de bodem en de drainage weer van belang.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, in samenhang met hetgeen uit het rapportdeel van de bomendeskundige blijkt, namelijk dat door te langdurige waterverzadiging in de teeltlaag bodemzuurstof tekort is ontstaan, waardoor de boomwortels afsterven, is daarin de oorzaak van het sneven van de Thuja's gelegen.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

11. L. heeft, kort gezegd, het waterschap aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade op grond van de stelling dat het waterschap niet aan haar zorgplicht in de door L. bij dagvaarding geschetste situatie, heeft voldaan. L. verwijt het waterschap dat zij inadequaat heeft gereageerd op de klachten van L. over de hoge waterstanden, dat het waterschap onzorgvuldig heeft gehandeld door nieuwe stedelijke gebieden op een waterloop met onvoldoende capaciteit aan te sluiten en door ingrijpende werkzaamheden te verrichten waarbij een waterweg werd afgesloten.

Het waterschap heeft gesteld dat zij binnen de normen van het waterbeheerplan zijn gebleven en dat zij daarom meent dat haar geen verwijt treft. Wel geeft het waterschap toe dat de onderhandelingen met betrekking tot de aankoop van de grond voor de aanleg van het nieuwe tracé nog niet waren afgerond, waardoor het water uit diverse nieuwbouwwijken moest worden afgevoerd via de reeds bestaande - onaangepaste – watergangen.

12. In artikel 1 van de waterschapswet wordt aangegeven dat de taken die tot het doel aan de waterschappen zijn opgedragen de zorg betreffen voor hetzij de waterkering hetzij de waterhuishouding, hetzij beide. Het waterschap beheert de stand van het oppervlaktewater en het grondwater, opdat de ingelanden in casu L. geen schade ondervinden van een overmatige toevloed van hemel- of oppervlakte water. Ook in deze zaak gaat het naar het oordeel van de rechtbank om de zorgplicht van het waterschap. Vaste jurisprudentie is dat het waterschap een zekere beleidsvrijheid heeft om te beslissen wat het als goed beheerder in bepaalde omstandigheden moet doen. Volgens de Hoge Raad gaat die vrijheid echter niet zover dat het optreden van het waterschap slechts marginaal zou kunnen worden getoetst. De maatstaf is en blijft of het waterschap, in aanmerking genomen de concrete omstandigheden van het geval en de verschillende bij haar beleid betrokken belangen en haar beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven.

In de arresten van de Hoge raad van 9 oktober 1981, LJN: AG4240 en 30 januari 2004, LJN: AN7825, worden een aantal factoren genoemd die bij beoordeling van de aansprakelijkheid van een waterschap van belang zijn. Een belangrijke factor is of het waterschap weet dat een of meer ingelanden als gevolg van de lage ligging van hun land en de aard van de door hen geteelde gewassen in het bijzonder bedreigd worden door een te hoge waterstand. Dat betekent in het onderhavige geval dat van Leuveld mag worden verwacht dat hij het waterschap waarschuwt dat voor hem schade dreigt. Of die schade dan kan worden voorkomen hangt af van de middelen die het waterschap heeft.

13. Onbetwist is dat L. het waterschap zowel mondeling als schriftelijk op de hoogte heeft gebracht van het feit dat schade door hoge waterstand dreigt en/of (mogelijk) zal worden geleden. In zijn brief van 14 januari 2000 geeft L. aan dat hij in december 1998, februari 1999 en maart 1999 het waterschap heeft bericht over aanhoudende wateroverlast. In zijn brief van 8 mei 2000 en 27 juni 2000 geeft L. aan dat het waterschap nog steeds geen adequate oplossing van het hoogwaterprobleem hebben aangedragen.

In punt 32 en verder geeft het waterschap aan dat zij de stelling van L. dat het waterschap geen maatregelen heeft genomen betwist. Het waterschap geeft met een aantal voorbeelden aan welke maatregelen zij heeft genomen om de afvoer van het water te verbeteren. Zij verwijst daarbij tevens naar de door haar in het geding gebracht kaarten.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

In punt 22 van haar conclusie van dupliek stelt het waterschap pas wanneer zij de genoemde maatregelen heeft genomen. Die maatregelen, behoudens het verwijderen van een min of meer water blokkerende duiker, zijn echter niet genomen naar aanleiding van waarschuwingen van L. Immers, onbetwist is de stelling van L. dat naar aanleiding van zijn klacht de heer H. van het waterschap hem pas in maart 2000 heeft bezocht. Pas daarna heeft het waterschap ten behoeve van het perceel van L. actie ondernomen. Daarbij merkt de rechtbank op dat ingelanden de dam bij de Kristenbosweg op zeker moment hebben verwijderd om het waterpeil te verlagen, waarna het waterschap de dam om haar moverende redenen waar heeft aangebracht, waardoor het waterpeil wederom steeg. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte het waterschap over mogelijkheden om na de eerste waarschuwing van L. terzake de hoge waterstand om maatregelen te nemen, zoals gebruikmaken van de oude afvoerleidingen en/of verbreden van een deel van de Vossenbeltleiding, zoals zij later heeft gedaan. Ook had zij kunnen overgaan tot (kleinschalige) bemaling, alhoewel zulks in Twente doorgaans niet de gewoonte is volgens de op 23 november 2004 door de getuige

Van E. afgelegde verklaring.

14. Het waterschap heeft gesteld dat overstromingen tot het ondernemers risico van L. behoort. Echter, onbetwist is dat L. maatregelen heeft genomen zoals het rond leggen van het perceel, aanbrengen van drainage etc. en dat pas vanaf 1998 sprake is van wateroverlast op het perceel van L.

Ook heeft het waterschap gesteld dat L. door onderbemaling het waterpeil van het perceel zou kunnen hebben verlaagd. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het waterschap voorbij aan de aan haar opgedragen zorg, opdat de ingelanden geen schade ondervinden van een overmatige toevloed van hemel- of oppervlakte water.

15. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat het waterschap sinds de eerste waarschuwing van L. in 1998 jegens hem beneden haar zorg van een goed beheerder is gebleven. Het gevolg daarvan is dat de rechtbank van oordeel is dat door het tekortschieten van het waterschap zij aansprakelijk is uit onrechtmatige daad voor de daardoor ontstane schade van L.

16. Met betrekking tot de schade heeft L. als productie 10 in het geding gebracht een rapport van DLV Adviesgroep N.V. Uit het rapport blijkt dat de directe schade op

€ 85.536,60 (Fl. 188.497,87) wordt gesteld en dat de indirecte schade op € 13.645,17

(Fl. 30.070,=) wordt gesteld.

Het waterschap betwist de schadeberekening en stelt daartoe dat het louter een advies-schadeberekening is die bewijsrechtelijk van generlei waarde is. In de conclusie van dupliek stelt het waterschap dat in de schadeberekening naast de conifeersoort Thuja Occidentalis Brabant een bedrag ad € 7424,98 (Fl. 16.362,50) voor de Prunus Otto Luyken is opgenomen en dat de vermeende schade aan dat gewas in deze procedure niet aan de orde is.

Met het waterschap is de rechtbank van oordeel dat noch de aangeplante hoeveelheid coniferen, noch de gestelde opbrengst, noch de opbrengstderving met enig bescheid is onderbouwd. Ook de kosten die zouden zijn gemoeid met het verwijderen van de coniferen wordt evenmin met enig stuk onderbouwd.

zaaknummer: 56002 ha za 108 van 2003

Aangezien L. in punt 37 van de conclusie van repliek aangeeft één en ander te onderbouwen, zal de rechtbank L., nu het perceel geheel van coniferen is ontdaan, toelaten een schadeberekening met betrekking tot de werkelijk geleden schade, inclusief de werkelijke kosten van verwijdering van de gesneefde coniferen bij akte in het geding te brengen. Tevens zal L. zich in die akte moeten uitlaten over de gestelde schade ter zake de Prunus Otto Luyken.

Vervolgens zal het waterschap binnen vier weken bij akte op de door L. in het geding gebrachte berekening en stukken mogen reageren.

17. Op hetgeen partijen overigens verdeeld houdt, zal de rechtbank desnodig, in een later stadium ingaan.

DE BESLISSING:

I. Staat L. toe om bij akte de stukken in het geding te brengen als overwogen in rechtsoverweging 16.

II. Verwijst daartoe de zaak naar de civiele rolzitting van deze rechtbank van woensdag

11 oktober 2006.

III. Laat vervolgens het waterschap toe om binnen vier weken te reageren als overwogen in rechtsoverweging 16.

IV. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. de Jong en is op 13 september 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.