Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AY8052

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
04-09-2006
Datum publicatie
21-09-2006
Zaaknummer
80470 / KG ZA 06-204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rangschikken agrarische grond als landgoed onder de Natuurschoonwet is in overeenstemming met het algemeen belang als bedoeld in artikel 51 lid 1 Pachtwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 80470 / KG ZA 06-204

datum vonnis: 4 september 2006 (jm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

eiser 1,

wonende te Rossum,

en

eiser 2,

wonende te Oldenzaal,

eisers,

verder tezamen noemen eiser,

advocaat en procureur: mr. J.J. Paalman,

tegen

gedaagde 1,

en

gedaagde 2,

beiden wonende te Weerselo,

gedaagden,

verder tezamen te noemen gedaagde,

procureur: mr. P.C. Kleyn van Willigen,

advocaat: mr. F.W. van Dijk te Wageningen.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 28 augustus 2006. Ter zitting zijn verschenen:

--

De standpunten zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast. Op 4 mei 2005 is overleden de heer A.A. K., bij zijn leven laatst gewoond hebbend in zijn boerderij aan de Lweg te Rossum. Wijlen K was eigenaar van de betreffende boerderij met schuren, erf, ondergrond en bijbehorende landbouwgronden, met een totale oppervlakte van ongeveer 6.5230 hectaren. Door het aanvaarden van de nalatenschap is eiser eigenaar geworden van de onroerende zaken. gedaagde is gebruiker (pachter) van een perceel, horende tot deze nalatenschap, ter grootte van ongeveer 4.52.00 hectaren.

eiser wil de geërfde onroerende zaken als landgoed laten rangschikken onder de Natuurschoonwet om zodoende een bedrag ad circa € 227.436,- aan successierecht te kunnen besparen. eiser heeft in het voorjaar van 2006 bij de Dienst Regelingen een aanvraag tot rangschikking van de onroerende zaken onder de Natuurschoonwet ingediend. Ten behoeve van de NSW-rangschikking is onder andere een Inrichtingsplan opgesteld. Dit plan heeft betrekking op alle door Eiser van K geërfde onroerende zaken, waaronder de landbouwgronden die gedaagde in gebruik heeft. Om te kunnen komen tot de gewenste rangschikking dient aan verschillende in het Ranschikkingsbesluit NSW genoemde voorwaarden te worden voldaan.

Enkele van deze voorwaarden zijn dat op de onroerende zaken bomen gepland moeten worden, het erf op een bepaalde wijze moet worden ingericht en wandelpaden moeten worden aangelegd, aldus eiser. eiser stelt hiervoor stroken grond nodig te hebben van de door gedaagde gebruikte landbouwgronden. gedaagde weigert echter mee te werken aan de beoogde NSW-rangschikking. eiser heeft gedaagde gedagvaard voor de Pachtkamer van de rechtbank Almelo sector kanton locatie Enschede. eiser vordert aldaar ontbinding van de pachtovereenkomst op grond van artikel 51 lid 1 Pachtwet.

2. eiser stelt vóór 30 september 2006 tot aanleg van met name de wandelpaden te moeten zijn overgegaan. Voor het aanleggen van deze wandelpaden stelt eiser de medewerking van gedaagde nodig te hebben. Nu gedaagde deze medewerking weigert vordert eiser, vooruitlopend op de beslissing in de ontbindingsprocedure, om gedaagde te gebieden eiser toe te staan op de door gedaagde gebruikte landbouwgronden de in het Inrichtingsplan en in de toelichting daarop aangeduide aanplant, erfinrichting en wandelpaden aan te leggen en te onderhouden.

3. gedaagde stelt dat geen sprake is van algemeen belang als genoemd in artikel 51 Pachtwet omdat het in de onderhavige zaak niet gaat om natuurbehoud. De Natuurschoonwet wordt hier gebruikt om een fiscaal belang te realiseren. gedaagde stelt een bedrijfsbelang te hebben om niet mee te werken aan de beoogde rangschikking, welk belang zwaarder dient te wegen dan het financiële belang van eiser. Daarnaast stelt gedaagde dat eiser inmiddels over voldoende grond beschikt om zijn plannen te realiseren.

De motivering van de beslissing

4. Aan de orde is de vraag of de rechter in de bodemprocedure de beweerde pachtovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 51 Pachtwet deels zal ontbinden.

De voorzieningenrechter gaat er in deze procedure van uit dat de overgelegde pachtovereenkomst rechtsgeldig is nu van het tegendeel in deze procedure niet is gebleken.

Op grond van het bepaalde in artikel 51 lid 1 Pachtwet ontbindt de Pachtkamer op vordering van de verpachter de pachtovereenkomst geheel of gedeeltelijk indien

1. de verpachter het verpachte of een gedeelte daarvan wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden;

2. en die bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang.

De verpachter heeft, indien aan de hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, recht op ontbinding. De niet agrarische bestemming moet hiervoor in overeenstemming zijn met het algemeen belang.

Niet ter discussie staat dat het rangschikken van de onroerende zaken onder de Natuurschoonwet een niet tot landbouw betrekkelijke doeleinde is zodat aan dit criterium genoemd in artikel 51 lid 1 Pachtwet is voldaan. Wel staat ter discussie of het rangschikken van grond met een agrarische bestemming onder de Natuurschoonwet in overeenstemming is met het algemeen belang. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat hiervan sprake is. Door het onderbrengen van de agrarische grond onder de Natuurschoonwet 1928 als landgoed, dient het tot duurzame instandhouding van het Nederlands natuurschoon en is het aldus in overeenstemming met het algemeen belang. De stelling van gedaagde dat de onroerende zaak op het moment van het indienen van het verzoek tot rangschikking geen landgoed is en daardoor geen sprake is van het algemeen belang: “behoud van het natuurschoon”, gaat niet op. Door het rangschikken van de onroerende zaak (de agrarische grond) onder de Natuurschoonwet wordt het een landgoed en is eiser verplicht dit landgoed als zodanig te onderhouden en (gedeeltelijk) voor publiek open te stellen. Hiermee blijft het Nederlands natuurschoon behouden. Dit is ook in overeenstemming met het doel van de Natuurschoonwet: het behouden van Nederlands natuurschoon dat als gevolg van uitbreiding van gemeentes en tal van andere factoren verdwijnt, door verstrekking van fiscale faciliteiten.

Wat betreft de stelling van gedaagde dat eiser enkel handelt uit financieel belang en de Natuurschoonwet wordt gebruikt om een fiscaal belang te realiseren oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Voor toepassing van artikel 51 lid 1 Pachtwet is het niet nodig dat de verpachter enkel om der wille van het algemeen belang handelt.

De belastingdienst heeft met de Natuurschoonwet de belastingdruk op bossen, natuurterreinen en landgoederen verlicht in ruil voor duurzame instandhouding. Door het fiscale voordeel dat hierdoor genoten wordt, heeft elke verzoeker tot rangschikking van zijn grond onder de Natuurschoonwet een financieel belang. De aanwezigheid van dit financiële belang staat er niet aan in de weg dat de beoogde niet-agrarische bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang, ook niet indien het financiële belang de hoofdreden is van de verpachter.

De voorzieningenrechter acht het, gelet op bovenstaande overwegingen, voldoende aannemelijk dat de rechter in de bodemprocedure de pachtovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 51 lid 1 Pachtwet (gedeeltelijk) zal ontbinden. Aan de orde is dan de vraag of vooruitlopend op de beslissing van de rechter in de bodemprocedure het belang van eiser om reeds nu een aanvang te maken met de aanplant, de erfinrichting en aanleg van wandelpaden op de door gedaagde gepachte grond dient te prevaleren boven het bedrijfsbelang van gedaagde.

Belangenafweging en spoedeisend belang

5. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Voor wat betreft de vordering om eiser toe te staan om aanplant op de gepachte landbouwgronden aan te brengen ontbreekt het spoedeisend belang, nu de uiteindelijke aanplant pas binnen één jaar na de ingangsdatum van de rangschikking behoeft te zijn afgerond. Nu de aanvraag nog niet is goedgekeurd is de termijn van één jaar nog niet gaan lopen. Wel dient een aanvang te zijn gemaakt met de feitelijke uitvoering van het plan (zie brochure Rangschikking als landgoed: werkboek blz. 10 en 10A van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). Voldoende aannemelijk is dat eiser met de feitelijke uitvoering is begonnen. Derhalve ontbreekt voor dit deel van de vordering het spoedeisend belang en dient dit deel van de vordering te worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de erfinrichting nu uit het Inrichtingsplan blijkt dat de erfinrichting voornamelijk uit aanplant bestaat en van het spoedeisend belang van deze erfinrichting onvoldoende is gebleken.

6. Wat betreft het aanbrengen van wandelpaden oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Om extra fiscaal voordeel te genieten (zie artikel 7 Natuurschoonwet) kan men ervoor kiezen het NSW- gerangschikte landgoed ook open te stellen. Men is hiertoe niet verplicht. Uit het Inrichtingsplan Landgoed H blijkt dat de openstelling voor het publiek een randvoorwaarde is van het provinciale landgoederenbeleid en dat de openstelling sturend is geweest in de ontwikkelingen rondom het Landgoed H. Om die reden is het landgoed al in de beginsituatie aangevraagd als zijnde opengesteld. Op dat moment diende een wandelpad nog te worden aangelegd. Een deel van het wandelpad is inmiddels aangelegd. Onduidelijk is op grond waarvan eiser meent dat de aan te leggen wandelpaden binnen vier maanden na completering van de aanvraag moeten zijn gerealiseerd. Op het moment dat de aanvraag voor de status ‘opengesteld’ wordt ingediend dienen immers de wandelpaden al gereed te zijn. Kennelijk bedoelt eiser dat de wandelpaden in ieder geval gereed moeten zijn op het moment dat de aanvraag tot NSW rangschikking is goedgekeurd en dat de behandeling van die aanvraag tenminste vier maanden duurt. eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een groot financieel belang heeft bij het aanleggen van de wandelpaden voordat de aanvraag van de rangschikking is goedgekeurd. gedaagde heeft zijn belang bij het weigeren van de aanleg van de wandelpaden onvoldoende aannemelijk gemaakt. gedaagde stelt slechts bevreesd te zijn dat allerlei zwerfvuil op de door hem gepachte gronden zal terechtkomen.

De voorzieningenrechter acht deze vrees niet gegrond nu voor het behoud van de NSW-rangschikking de wandelpaden onderhouden moeten blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, vooruitlopend op de beslissing van de rechter in de bodemprocedure, en gezien het grote financiële belang van eiser om reeds nu de wandelpaden aan te leggen, het belang van eiser hier dient te prevaleren.

7. Nu de vordering slechts gedeeltelijk wordt toegewezen ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten van deze procedure te compenseren, in zoverre dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de dwangsommen te matigen en te maximaliseren.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Gebiedt gedaagde om eiser, daaronder tevens begrepen de door eiser eventueel te werk te stellen derden, toe te staan om op de door gedaagde gepachte landbouwgronden zoals bedoeld in de pachtovereenkomst van 7 juni 2002 de in het Inrichtingsplan en in de toelichting daarop d.d. 7 juli 2006 aangeduide wandelpaden aan te leggen, te onderhouden en de daartoe benodigde werkzaamheden toe te laten en het met de Natuurschoonwet overeenkomende gebruik van de wandelpaden niet te verhinderen. Alles op straffe van een door gedaagde aan eiser te betalen dwangsom van € 250,00 per dag of een gedeelte van de dag dat gedaagde hiermee na betekening van het vonnis aan gedaagde in strijd handelt, met een maximum aan dwangsommen van € 50.000,00.

II. Compenseert de kosten in zoverre dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Stoové, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.