Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AX8926

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
08/710170-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, zonder de komst van zijn vader en de politie (die gealarmeerd waren) af te wachten, een mes gepakt en een onderzoek in zijn woning ingesteld waarin was ingebroken. Hij heeft zich zo bewust in een mogelijk gevaarlijke situatie begeven. De vervolgens aangetroffen persoon heeft hij opzettelijk van het leven beroofd door hem met dat opzet meermalen met een mes in de borst en een long en het hart en het hoofd en de schedel en de rug te steken, tengevolge waarvan het slachtoffer is overleden. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde feit zich heeft voltrokken in een zeer gespannen sfeer en dat verdachte heeft gehandeld onder een emotionele druk, waarvoor degene die in zijn huis aanwezig was, mede verantwoordelijk was. Voorts ging de agressie uit van het slachtoffer door een provocerende opmerking naar verdachte te maken en verdachte aan te vallen. Hoewel deze omstandigheden verdachtes handelen niet gerechtvaardigd of verontschuldigbaar maken, dienen deze wel een matigende invloed te hebben op de op te leggen straf. De rechtbank veroordeelt verdachte tot vier jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/710170-06

STRAFVONNIS

Uitspraak: 20 juni 2006

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1973,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te [plaats]

terechtstaande terzake dat:

hij op of omstreeks 19 februari 2006,

in de gemeente Enschede opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een

scherp en/of puntig voorwerp in de borst en/of een long en/of het/de

hart(streek) en/of het hoofd en/of de schedel en/of de rug en/althans (elders)

in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 19 februari 2006,

in de gemeente Enschede,

opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet die [slachtoffer] (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp in de borst en/of een long en/of het/de hart(streek) en/of het hoofd

en/of de schedel en/of de rug en/althans (elders) in het lichaam gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer] is overleden;

Gezien de stukken.

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting.

Gehoord de vordering van de officier van justitie.

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met name is niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 februari 2006 in de gemeente Enschede opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst en een long en het hart en het hoofd en de schedel en de rug gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

Namens verdachte is ter zitting aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad [slachtoffer] van het leven te beroven, nu [slachtoffer] in zijn mes is gelopen. De rechtbank passeert dit verweer. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Nadat [slachtoffer] achter de deur van het kleine kamertje vandaan kwam, tegen verdachte zei “wil je me daarmee steken” en op verdachte afliep, heeft verdachte op het ongewapende slachtoffer ingestoken. Uit het obductieverslag leidt de rechtbank af dat niet aannemelijk is dat het slachtoffer in het mes van verdachte is gelopen. De patholoog anatoom concludeert hierin dat het slachtoffer is overleden aan een steekwond in het hart en een long. De rechtbank acht het gelet op de plaats waar deze steekwond zich bevond, aannemelijk dat de eerste messteek van verdachte het slachtoffer fataal is geworden. Gelet op het feit dat deze steekwond een lengte had van 18 centimeter en schuin midden- en voetwaarts verliep door de linker long en het hart, leidt de rechtbank af dat verdachte met kracht gericht heeft gestoken op het ongewapende slachtoffer en dat er geen sprake geweest kan zijn dat [slachtoffer] in het mes van verdachte is gelopen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft het subsidiair tenlastegelegde, het misdrijf:

"Doodslag",

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte is door de raadsman een beroep gedaan op noodweerexces en/of psychische overmacht. De raadsman heeft ter onderbouwing van het beroep op noodweerexces aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld vanuit een noodweersituatie, namelijk ter verdediging van eigen lijf en goederen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding daarvan door [slachtoffer]. Dat verdachte daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door [slachtoffer] met een mes in zijn borst te steken, is het onmiddellijk gevolg van een door deze aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De raadsman stelt dat vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging moet volgen.

Ter onderbouwing van beroep op psychische overmacht stelt de raadsman dat de wilsvrijheid van verdachte is beperkt door van buiten komende omstandigheden als het inbreken in de woning van verdachte en de bestorming door [slachtoffer] van verdachte na de ontdekking op heterdaad. De raadsman betoogt dat daardoor bij verdachte een psychische drang is ontstaan om zijn goederen te beschermen waarvoor hem in redelijkheid geen andere uitweg openstond. De raadsman stelt dat [slachtoffer] door geen gebruik te maken van de vluchtmogelijkheid om uit het raam van de kleine slaapkamer te klimmen, hij bewust de vechtpartij met verdachte heeft uitgelokt. Volgens de raadsman stond er voor verdachte in redelijkheid geen andere uitweg open dan zich met het mes te verdedigen.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Met betrekking tot het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank het volgende. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces dient komen vast te te staan dat er sprake was van een noodweersituatie. Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, waaronder hetgeen door de verdachte is verklaard, is daaromtrent het volgende gebleken.

Verdachte trof bij binnenkomst in zijn woning een kapot keukenraam aan en vermoedde dat er was ingebroken. Verdachte heeft zijn moeder gebeld met de mededeling dat er volgens hem was ingebroken. Verdachte heeft zijn moeder verzocht de politie te bellen en hij heeft haar gevraagd of zijn vader kon komen. Verdachtes moeder heeft verdachte vervolgens teruggebeld en aan verdachte gezegd dat zijn vader onderweg was en dat de politie was gebeld. Verdachte is vervolgens, ondanks het feit dat zijn vader – die op korte afstand woonde – onderweg was en de politie was gealarmeerd, zijn woning ingegaan en op onderzoek uitgegaan. Verdachte heeft hierbij naar eigen zeggen ter verdediging uit de keuken een mes gepakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de veronderstelling was dat er niemand meer in de woning aanwezig was, maar dat hij voor het geval er toch iemand zou zijn een mes heeft meegenomen. Verdachte is met dit mes verder de woning ingegaan. Toen verdachte met het mes in zijn rechterhand – ter hoogte van zijn borst – bij het kleine slaapkamertje kwam merkte hij dat de deur slechts tot halverwege open kon, waarna er volgens verdachte een persoon met grote ogen achter de deur vandaan kwam en hem aanviel, waarbij die persoon met een treiterige stem gezegd zou hebben: “Wou je me daarmee steken jongen?”. Vervolgens heeft verdachte, zoals hiervoor reeds overwogen, het slachtoffer meerdere keren met het mes gestoken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door niet af te wachten totdat zijn vader en/of politie waren gearriveerd, verder de woning in te gaan en daarbij een gevaarlijk wapen als een vleesmes ter verdediging mee te nemen, zich bewust in een mogelijk gevaarlijke situatie begeven. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de keuze voor het mes als verdedigingswapen geen bewuste keuze was gelet op de grote spanning waaronder hij stond. Verdachte heeft bij de politie echter diverse keren verklaard dat hij uit de keuken een mes heeft gepakt ter verdediging voor het geval er toch iemand in de woning zou zijn. De rechtbank concludeert daaruit dat, ook al waren er voor verdachte geen voor de hand liggende andere c.q. minder gevaarlijke opties, er wel degelijk sprake was van een bewuste keuze. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat onmiddellijk voorafgaande aan de confrontatie, met de inbraaksituatie een zo bedreigende situatie aanwezig was dat ter afwending van die dreiging het meenemen van een vleesmes geboden was. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte ten gevolge van zijn keuze desondanks de woning binnen te gaan met medeneming van het mes, bij zijn onderzoek in de woning berekend moeten zijn op dat mogelijke gevaar. Van verdachte dient aldus een grotere mate van zelfbeheersing en koelbloedigheid te worden geëist dan van iemand die onvoorzien en onverhoeds met een wederrechtelijke aanranding wordt geconfronteerd. Aan de handelwijze van verdachte dienen derhalve strengere eisen te worden gesteld voor wat betreft de proportionaliteit en subsidiariteit. De handelwijze van verdachte ten tijde van de confrontatie met het slachtoffer voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan deze strengere eisen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 21 februari 2006 verklaard dat hij meende [slachtoffer] aan zijn jas te herkennen op het moment dat hij achter de deur vandaan kwam en dat [slachtoffer] hem onmiddellijk daarna zou zijn aangevallen. Verdachte heeft echter ook verklaard dat [slachtoffer] zou hebben gezegd: “Wou je me daarmee steken jongen”. Een dergelijke opmerking is ook gehoord door de moeder van verdachte. De rechtbank sluit een aanval van de kant van [slachtoffer] zeker niet uit, maar concludeert op grond van het voorgaande dat deze aanval niet zo onmiddellijk dreigend kan zijn geweest als verdachte heeft verklaard. Gelet hierop alsmede gelet op de getuigenverklaring van de vader van verdachte inhoudende dat hij verdachte buiten zinnen in de woning aantrof en dat verdachte zo kwaad was dat hij – nadat hij al buiten stond – nog een keer weer terug wilde naar de liggende man, en de omstandigheid dat het slachtoffer voor zijn aanval een provocerende opmerking maakte, acht de rechtbank aannemelijk dat op het moment van de aanval de angst van verdachte is omgeslagen in blinde woede. De rechtbank wordt in dit oordeel gesterkt door de verklaring van de vader van verdachte dat hij heeft gehoord dat verdachte zei: “En ik wol oe nog wel helpen. Godverdomme, ik zal oe”. Verdachte heeft het ongewapende slachtoffer vervolgens in zijn woede een groot aantal messteken toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank stond aan verdachte – van wie zoals overwogen verwacht mocht worden over een zekere mate van zelfbeheersing en koelbloedigheid te beschikken – in redelijkheid andere mogelijkheden ter beschikking dan gericht op het ongewapende slachtoffer in te steken, zoals het waarschuwen van het slachtoffer om terug te treden of zelf de situatie te ontvluchten. Door aldus te handelen als verdachte heeft gedaan is geen sprake van een noodzakelijke verdediging en kan er dus ook geen sprake zijn van noodweerexces in de zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht.

Uit het vooroverwogene volgt dat het beroep op psychische overmacht eveneens wordt verworpen. Doordat verdachte bewust ervoor gekozen heeft de woning verder te betreden met medeneming van een mes en zich daardoor bewust in een mogelijk gevaarlijke situatie heeft begeven, diende van hem een zekere mate van zelfbeheersing en koelbloedigheid te worden verwacht en mocht worden verwacht dat hij weerstand bood tegen de druk van de omstandigheden op dat moment.

De verdachte is aldus strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het subsidiair tenlastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft met een mes een groot aantal keren ingestoken op het slachtoffer, tengevolge waarvan hij is overleden. Verdachte heeft door zijn handelen de nabestaanden van het slachtoffer onpeilbaar leed toegebracht, zoals mede is gebleken uit hetgeen de moeder van het slachtoffer daarover ter zitting heeft verklaard. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een vrijheidsbenemende straf van lange duur in aanmerking komt.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde feit zich heeft voltrokken in een zeer gespannen sfeer en dat verdachte heeft gehandeld onder een emotionele druk, waarvoor degene die in zijn huis aanwezig was, mede verantwoordelijk was. Het slachtoffer heeft immers ingebroken in het huis van verdachte en het slachtoffer verbleef op het moment van de confrontatie derhalve wederrechtelijk in de woning van verdachte. Voorts ging de agressie uit van het slachtoffer door een provocerende opmerking naar verdachte te maken en verdachte aan te vallen. Hoewel deze omstandigheden verdachtes handelen niet gerechtvaardigd of verontschuldigbaar maken, dienen deze wel een matigende invloed te hebben op de op te leggen straf.

Bovendien speelt een rol dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de psychiatrische rapporten van drs. J.A.M. Gresnigt, klinisch psycholoog-psychiater, en mr. D.F.J. Hoekstra, arts-gedragsdeskundige, die over de persoon van verdachte zijn uitgebracht. Uit de rapporten komt naar voren dat verdachte volledig verantwoordelijk kan worden gesteld voor wat hij heeft gedaan. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare. In beide rapporten wordt voorts de conclusie getrokken dat er ten tijde van plegen van het feit sprake was van een emotionele ontregeling van heftige angst/paniek en woede in reactie op een extreme ongewilde beangstigende en onvoorspelbare situatie (het thuis worden geconfronteerd met een inbreker). In beide rapporten staat vermeld dat het gedrag in deze gemoedstoestand niet voortkomt vanuit een psychische stoornis, maar behoort tot het spectrum van menselijke gedragingen onder extreme omstandigheden. De rechtbank acht het aannemelijk dat er sprake was van een emotionele ontregeling van heftige angst en paniek en woede, maar neemt de conclusie dat het gedrag in deze toestand behoort tot het spectrum van menselijke gedragingen onder extreme omstandigheden niet over, nu de bevindingen van de rapporteurs zijn ingegeven door de versie van de gebeurtenissen van verdachte. Zoals hierboven overwogen is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een onvoorzienbare noodsituatie.

De na te melden straf en maatregel is gegrond, behalve op voormeld artikel op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het subsidiair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Rikken, voorzitter, mr. Teekman en mr. Bordenga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Dallinga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2006.