Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AX7707

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
05 / 147 WW AZ1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft besloten eisers op 21 april 2004 ingediende aanvraag voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) niet te honoreren. Aan de blijvend gehele weigering van de uitkering ligt ten grondslag dat eisers dienstverband op zijn verzoek is ontbonden. Omdat de rechter van oordeel is dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie vrijwel geheel in eisers risicosfeer ligt en ook aan eiser is te verwijten, is eiser verwijtbaar werkloos geworden omdat hij heeft nagelaten passende arbeid te behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 05 / 147 WW AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 6 juni 2006

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J. Dijkman, advocaat te Goor,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 30 december 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser is in 1979 in dienst getreden bij [werkgever] te [plaats] (hierna: [werkgever]) en met ingang van 1 januari 1989 benoemd tot statutair directeur. Nadat eiser zijn werkgever had meegedeeld dat hij onder de op dat moment bestaande arbeidsomstandigheden niet verder kon werken en toen bleek dat eiser zich niet kon vinden in de vervolgens door zijn werkgever opgestelde beëindigingsovereenkomst, heeft de werkgever eiser per 24 september 2003 op non-actief gesteld. De volgende dag heeft eiser zich in overleg met zijn huisarts ziek gemeld. Van de bedrijfsarts, die eiser op 6 oktober 2003 op het spreekuur heeft gezien, krijgt eiser twee weken de tijd om het met zijn werkgever ontstane conflict op te lossen. Gedurende die twee weken wordt eiser arbeidsongeschikt geacht, doch vanaf 24 oktober 2003 is volgens de bedrijfsarts van arbeidsongeschiktheid geen sprake meer. [werkgever] heeft de loondoorbetaling per 9 december 2003 gestaakt en op dezelfde dag heeft eiser zich wederom arbeidsongeschikt gemeld. In verband hiermee heeft eiser op 6 januari 2004 het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft eiser meegedeeld dat hij uit gaat van het bestaan van de door eiser beschreven klachten. Volgens de bedrijfsarts leidt dit echter, conform het in Nederland gehanteerde protocol Arbeidsconflicten, niet tot het advies aan de werkgever de loondoorbetaling op basis van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte voort te zetten. Eiser kan zich hierin niet vinden en vraagt een deskundigenoordeel bij verweerder. In dat kader wordt eiser op 21 januari 2004 op het spreekuur gezien door verzekeringsarts J. Dekker. De verzekeringsarts concludeert in zijn rapportage van 30 januari 2004 dat eiser op en na 24 oktober 2003 geen beperkingen heeft ten aanzien van zijn arbeid, die worden veroorzaakt door ziekte of gebrek.

Eiser wordt met ingang van 24 oktober 2003 dan ook niet arbeidsongeschikt geacht.

Op 6 februari 2004 is bij deze rechtbank eisers verzoek tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen binnengekomen. Aan het verzoek tot ontbinding heeft eiser ten grondslag gelegd dat er sprake is van verandering van omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn behoort te eindigen. Eiser vordert een billijke, bij de kantonrechtersformule aansluitende, ontbindingsvergoeding. Bij beschikking van de rechtbank van 7 april 2004 (zaaknummer: 62433 / HA RK 04-7) is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2004 ontbonden, omdat sprake was van een verandering van omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de arbeidsrelatie zodanig is verstoord dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. De rechtbank heeft geen ontbindingsvergoeding toegekend omdat naar haar oordeel de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie aan eiser te wijten is en vrijwel geheel in zijn risicosfeer ligt.

Bij besluit van 23 juni 2004 heeft verweerder besloten eisers op 21 april 2004 ingediende aanvraag voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) niet te honoreren. Aan de blijvend gehele weigering van de uitkering ligt ten grondslag dat eisers dienstverband op zijn verzoek is ontbonden. Omdat de rechter van oordeel is dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsrelatie vrijwel geheel in eisers risicosfeer ligt en ook aan eiser is te verwijten, is eiser verwijtbaar werkloos geworden omdat hij heeft nagelaten passende arbeid te behouden.

De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 28 juli 2004, aangevuld bij schrijven van 14 september 2004, bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Eiser heeft op 11 november 2004 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn bezwaarschrift tijdens een hoorzitting toe te lichten.

Op 30 december 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker gerapporteerd en is daarbij ingegaan op de van de zijde van eiser in bezwaar ingebrachte grieven.

Bij het bestreden besluit van 30 december 2004 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 23 juni 2004 gehandhaafd.

Blijkens het op 9 februari 2005 ingediende beroepschrift kan eiser zich niet met dit besluit verenigen. Onder gelijktijdige toezending van de op het geding betrekking hebbende stukken heeft verweerder op 9 maart 2005 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2005 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.

Bij schrijven van 9 november 2005 is hierop door verweerder gereageerd. Verweerder verwijst hierbij naar een bij dat schrijven overgelegd commentaar van de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker van 7 november 2005.

Desgevraagd heeft verweerder op 2 januari 2006 de integrale tekst van de door hem gehanteerde richtlijn voor ontslag op medische gronden in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 mei 2006, waar eiser evenals zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

3. Overwegingen

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting is verschenen. Verweerder heeft de rechtbank op de dag van de zitting meegedeeld dat de gemachtigde van verweerder niet ter zitting kan verschijnen vanwege familieomstandigheden.

De rechtbank heeft mede gelet op tijdstip van de mededeling besloten om de zaak toch ter zitting te behandelen en indien dit noodzakelijk mocht blijken de zaak te heropenen. Gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat bepaalt dat indien een partij niet voldoet aan, onder meer de verplichting te verschijnen, de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank heeft mede gelet op het tijdstip van de mededeling besloten om de zaak toch ter zitting te behandelen en indien dit noodzakelijk mocht blijken de zaak te heropenen. Gelet op de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

Met betrekking tot de inhoud van de zaak overweegt de rechtbank als volgt.

In dit geschil staat ter beoordeling of verweerder terecht heeft besloten de WW-uitkering van eiser blijvend geheel te weigeren.

Juridisch kader

In artikel 24, eerste lid, onderdeel a van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

Op grond van artikel 24, tweede lid van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben;

b. de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Indien een werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a of onderdeel b, onder 3 opgelegd, niet is nagekomen, weigert het UWV op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Standpunten van partijen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de situatie dat de dienstbetrekking eindigt wegens vermeende medische klachten van de werknemer, er geen verwijtbare werkloosheid wordt aangenomen als er aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

1. De psychische toestand van de werknemer ten tijde van het nemen van ontslag was zodanig dat hem dat ontslag niet aan te rekenen was.

2. Het bestaan van een dienstbetrekking met de betreffende werkgever op zich was reeds zo bezwaarlijk voor betrokkenes gezondheidstoestand dat voortzetting van de dienstbetrekking –ook als hij niet zou werken- reeds tot schade van de gezondheid van de werknemer zou leiden.

3. Er sprake is van de volgende situatie:

a. werknemer heeft alvorens ontslag te nemen een advies tot het nemen van ontslag gekregen van een Arbo-arts en/of een behandelend arts (huisarts/specialist); en

b. werknemer zou bij hervatting zijn arbeid tot schade van zijn gezondheid gaan doen; en

c. aan deze situatie niet binnen afzienbare tijd een einde zou komen.

In haar rapportage van 30 december 2004 concludeert bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker dat aan geen van deze voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat geen sprake is van een acute medische noodzaak op grond waarvan de dienstbetrekking op korte termijn zou moeten eindigen. Ook voor het overige is volgens verweerder niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan voorzetting van de dienstbetrekking niet van eiser kon worden gevergd.

Er is weliswaar sprake van een verstoorde arbeidsrelatie, maar gelet op alle beschikbare gegevens is verweerder van mening dat deze situatie eiser voornamelijk valt aan te rekenen. Gelet hierop is verweerder van mening dat in de beslissing van 23 juni 2004 op goede gronden is bepaald dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

Namens eiser is in beroep –samengevat weergegeven- het volgende aangevoerd.

De in eerste instantie door een verpleegkundige en later door een bedrijfsarts van de Arbo-dienst onderschreven visie, dat primair sprake is van een arbeidsconflict dat bij eiser heeft geleid tot spanningsklachten, maar dat van een medische oorzaak van de door eiser ondervonden klachten niet direct kan worden gesproken, is volgens eiser gebaseerd op ondeugdelijke gronden. Eiser wijst er in dit verband op dat de arbodienst ten onrechte de STECR-Richtlijn voor Arbeidsconflicten van toepassing heeft geacht, omdat zijns inziens in de basis sprake is van een al langer bestaande medische/psychische problematiek, die is geëscaleerd door het zich verscherpende arbeidsconflict. Indien sprake is van psychische klachten, die tot relevante beperkingen voor arbeid leiden, is volgens eiser de Richtlijn Psychische Klachten van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. (NVAB) van toepassing. Het door de Arbodienst ingenomen standpunt dat er geen medische oorzaak is voor eisers klachten, maar dat zij een gevolg zijn van een arbeidsconflict, heeft een bepalende rol gespeeld in het vervolgtraject. Ook verweerders verzekeringsarts J. Dekker komt immers na telefonisch contact met de bedrijfsarts en overleg met een stafverzekeringsarts tot de conclusie dat de Richtlijn Arbeidsconflicten STECR van toepassing is en tekent daarbij aan dat in de gegeven situatie met het ‘vluchten in of oneigenlijk gebruik maken van de ziektewet’ niet de juiste weg wordt gewandeld. Volgens de verzekeringsarts is sprake van surmenage ten gevolge van een arbeidsconflict. Uit informatie van psychologe drs. J. Dijkstra-Zaanen van 27 januari 2004, bij wie eiser onder behandeling is, komt naar voren dat eiser reeds ten tijde van zijn ziekmelding een burn-out had tengevolge van een reeds langer durend psychisch conflict, dat ten dele arbeidsgerelateerd is. Deze informatie is weliswaar in het kader van haar second opinion opgevraagd door de verzekeringsarts, maar niet daadwerkelijk meegenomen in haar overwegingen, aldus eiser. Ook een door eiser ingeschakelde onafhankelijke deskundige, te weten de heer E.H. Groenewegen, als verzekeringsarts RAG verbonden aan het medisch adviesbureau ADVIMED, onderschrijft eisers visie. Op basis van dossierstudie en uitgebreide gesprekken met eiser schetst de heer Groenewegen feiten en omstandigheden die de visie van de psychologe, dat er zich een burn-out-beeld heeft ontwikkeld, in hoge mate ondersteunt.

In zijn rapport onderbouwt de heer Groenewegen waarom zijns inziens ten onrechte is verwezen naar de STECR-Richtlijn en legt hij tevens ernstig falen van de arbodienst en verweerders verzekeringsarts bloot. In aanvulling op de door hem onderschreven conclusies van de psychologe sluit de heer Groenewegen niet uit dat zelfs sprake is van een depressieve stoornis.

Hij stelt zich op het standpunt dat eiser van af zijn ziekmelding doorlopend arbeidsongeschikt moet worden geacht en in zijn visie zijn er zelfs sterke aanwijzingen dat eiser al voor de ziekmelding gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Tot slot is het feit dat eiser -nu hij eindelijk openstaat voor behandeling- doorlopend onder behandeling is gebleven in de ogen van de heer Groenewegen een indicatie dat de klachten waarmee eiser zich heeft moeten ziekmelden, niet zijn gebaseerd op een simpel spanningsprobleem. Volgens eiser heeft verweerder dan ook feitelijk een stap overgeslagen, namelijk dat eiser ten onrechte hersteld is verklaard door de bedrijfsarts. Eiser meent dat verweerder ten onrechte uitgegaan van de juistheid van het oordeel van de bedrijfsarts en van deskundigheidsoordeel van de verzekeringsarts van 30 januari 2004. Volgens eiser had verweerder tot de slotsom moeten komen dat het enkele verwijzen naar de zgn. STECR-richtlijnen, gegeven de vastgestelde psychische klachten, onjuist was en vanuit die situatie verder moeten oordelen. Eiser was, zo stelt hij, door de onjuiste diagnose van de bedrijfsarts en van de verzekeringsarts feitelijk in de situatie gedrongen om een ontbindingsverzoek in te dienen. Verwezen wordt in dit verband naar de rapportages van Groenewegen en Dijkstra-Zaanen. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijken aanmerkelijk mildere eisen dan de eisen die verweerder hanteert om te beoordelen of sprake is van verwijtbare werkloosheid bij beëindiging van de dienstbetrekking om medische redenen. Eiser kan zich dan ook niet vinden in de formulering van de vraagstellingen en evenmin kan hij zich vinden in de door verweerder op de vragen geformuleerde antwoorden. Met betrekking tot het van de zijde van verweerder ingestelde onderzoek merkt eiser daarnaast nog op dat hij bestrijdt dat 6 februari 2004 een centrale datum is voor de beoordeling. Ook wijst hij erop dat de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts niet berusten op eigen bevindingen, omdat eiser tijdens het gesprek met de bezwaarverzekeringsarts slechts uitleg heeft gekregen over de consequenties van het oordeel van de bedrijfsverpleegkundige. Eiser betwist de door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen stelling dat eiser zijn gesprek met de bedrijfsarts kennelijk normaal heeft kunnen voeren. Evenmin kan zijns inziens uit zijn aanwezigheid tijdens de behandeling van het ontbindingsverzoek worden afgeleid dat zijn medische situatie ‘wel meevalt’. Voor zover verweerder van mening is dat minder gewicht toegekend zou moeten worden aan de brief van de psychologe, omdat daaruit geen bevindingen van eigen onderzoek blijken, deelt eiser die visie niet, aangezien zich dit niet verhoudt met de bevindingen van de heer Groenewegen. Voorts wijst eiser erop dat bij ontslag om medische redenen niet altijd een voorafgaand medisch advies behoeft te zijn ontvangen, waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2003, USZ 2004/108. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 17 maart 2004, USZ 2004/210 stelt eiser in dit verband voorts dat het voldoende is wanneer de arts beëindiging van zijn werkzaamheden verstandig vindt. Daarnaast wijst eiser erop dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB zelfs in een geval waarin strikt genomen geen sprake is van een acute medische noodzaak voor ontslagname aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moet worden onderzocht of aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren verbonden zijn, dat voortzetting redelijkerwijs niet van de werknemer kan worden gevergd.

Eiser concludeert dat de kern van de zaak blijft de vraag of hij terecht hersteld is verklaard door de bedrijfsarts, hetgeen later als zodanig is bevestigd door verweerders verzekeringsarts F.J. Dekker. Die vraag is niet onderzocht en mitsdien niet beantwoord.

Eiser is dan ook van oordeel dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid c.q. dat de overtreding hem niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat kader wijst eiser er nog op dat de rechtbank in april 2004 een door hem ingediend verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft gehonoreerd, wegens het bestaan van een verstoorde arbeidsrelatie.

Verweerder gaat volgens eiser bij de beoordeling van het al dan niet verwijtbare karakter van eisers werkloosheid ten onrechte van de juistheid van de beslissing van de rechtbank uit. Verweerder is gehouden zelfstandig een onderzoek te verrichten naar de feiten en omstandigheden die uiteindelijk geleid hebben tot de beëindiging van de arbeidsrelatie. Dat heeft verweerder niet gedaan, ondanks het feit dat door eiser argumenten zijn aangevoerd waaruit blijkt dat de beschikking van de rechtbank niet juist is. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht en het bestreden besluit ontbeert (derhalve) een deugdelijke motivering, zo stelt eiser.

Bij brief van 9 november 2005 heeft verweerder op de beroepsgronden gereageerd. Verkort samengevat heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, hoewel in het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van 5 februari 2004 de medische situatie van eiser aan de orde is gesteld, het de verstoorde arbeidsrelatie is die voor eiser de aanleiding heeft gevormd het ontbindingsverzoek in te dienen. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat, gelet op zijn medische toestand, voortzetting van het dienstverband niet van hem gevergd kon worden, is volgens verweerder de medische toestand van eiser ten tijde van het ontbindingsverzoek in geding. Eisers medische toestand op 1 mei 2004 dan wel per 7 april 2004 kan immers voor eiser niet de aanleiding zijn om op 5 februari 2004 een ontbindingsverzoek in te dienen. Voorts heeft verweerder in het schrijven van 9 november 2005 de richtlijnen voor ontslag op medische gronden verwoord, zoals deze zijn uitgewerkt naar aanleiding van enkele uitspraken van de CRvB, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/121. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van deze richtlijnen na zorgvuldig onderzoek geconcludeerd dat er in eisers situatie geen sprake is van medische redenen op grond waarvan voortzetting van het dienstverband niet van eiser zou zijn te vergen. Verweerder stelt dat hij conform vaste jurisprudentie van de CRvB bij de beoordeling of er sprake is geweest van verwijtbare werkloosheid niet enkel heeft gekeken naar het medische aspect van de zaak, maar daarbij het geheel aan omstandigheden dat voor de werknemer aanleiding is geweest het einde van het dienstverband te bewerkstelligen heeft betrokken. Op basis van de beschikbare gegevens heeft verweerder, gelet op de beschikking van de rechtbank van 7 april 2004 in de ontbindingsprocedure, geconcludeerd dat de verstoorde arbeidsverhouding met name eiser valt aan te rekenen. Verweerder stelt vast dat eiser geen nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de rechtbank bij haar beschikking in de ontbindingsprocedure is uitgegaan van onjuiste feiten dan wel dat de rechtbank op basis van de haar ten dienste staande gegeven niet tot haar oordeel heeft kunnen komen. Gelet hierop heeft verweerder, gezien de jurisprudentie van de CRvB, zoals gepubliceerd in USZ 2005, 96 bij de beantwoording van de vraag of de werkloosheid van eiser verwijtbaar is te achten, uit kunnen gaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, aldus verweerder.

Bij de brief van 9 november 2005 is een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Reker van 7 november 2005 gevoegd. Daaruit blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts de visie van eiser, dat de kern van de vraag blijft of hij terecht hersteld is verklaard, niet deelt. Volgens haar betreft de kern de beoordeling of er terecht op medische gronden ontslag is genomen. Die beoordeling heeft verweerder uitgevoerd aan de hand van op de jurisprudentie van de CRvB gebaseerde kaders.

De bezwaarverzekeringsarts ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen dan ten tijde van de beslissing op bezwaar. Voorts is zij van mening dat eiser allerlei andere mogelijkheden had om het in zijn ogen onjuiste en in zijn nadeel handelen van de bedrijfsarts aan de kaak te stellen.

Overwegingen van de rechtbank

Blijkens de beschikbare gegevens staat vast dat eiser, na op 24 september 2003 door zijn werkgever op non-actief te zijn gesteld, zich op 6 oktober 2003 ziek heeft gemeld, waarna hij door de bedrijfsarts op 20 oktober 2003 hersteld is verklaard. Ook staat vast dat eisers werkgever de loonbetaling aan eiser op 9 december 2003 heeft gestaakt en dat eiser daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Verder staat vast dat eiser tijdens een spreekuurbezoek aan de bedrijfsarts claimde nog steeds arbeidsongeschikt te zijn, dat de bedrijfsarts hierin niet meeging en dat verzekeringsarts Dekker het medisch oordeel van de bedrijfsarts heeft onderschreven.

Vervolgens is namens eiser bij deze rechtbank op 6 februari 2004 een verzoek ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werkgever] op de voet van artikel 7:685 van het BW wegens gewichtige redenen. Deze gewichtige redenen bestaan, zo staat in het verzoekschrift, uit een verandering in de omstandigheden, welke van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn behoort te eindigen. Blijkens het verzoekschrift is die verandering in de omstandigheden gelegen in, zoals in het verzoekschrift uitgebreid is beschreven, de omstandigheid dat het voor eiser rond 2000 voelbaar werd dat hij op een zijspoor werd gezet en dat hij steeds meer in zijn verantwoordelijkheden en beslissingsbevoegdheden werd beknot. In het verzoekschrift staat dat er voor eiser geen zinvolle basis meer bestaat om de arbeidsovereenkomst te continueren, nu hij feitelijk als directeur door [werkgever] is uitgerangeerd, waarbij slechts terloops wordt vermeld dat eiser genoodzaakt was zich op 23 september 2003 ziek te melden wegens spanningsklachten en dat deze situatie tot op de dag van vandaag voortduurt. De rechtbank leidt hieruit af dat aan het ontbindingsverzoek niet, althans niet primair medische redenen ten grondslag lagen. Hierbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat slechts in het kader van het verzoek om een vergoedingssom wordt vermeld dat eiser door houding en werkwijze van [werkgever] een psychische dreun heeft opgelopen, dat eiser zich daardoor zelfs onder doktersbehandeling heeft moeten stellen, waarbij wordt verwezen naar de rapportage van Dijkstra-Zaanen van 19 januari 2004, en dat is aangetoond dat de arbeidsongeschiktheid arbeidsgerelateerd is.

Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2004 is eisers ontbindingsverzoek toegewezen, eisers verzoek om een vergoedingssom afgewezen, het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [werkgever] aangehouden en eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 13 april 2004 zijn ontbindingsverzoek in te trekken. Vast staat dat eiser van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

Vervolgens heeft eiser op 20 april 2004 bij verweerder een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend.

De rechtbank stelt vast dat eiser op het desbetreffende aanvraagformulier op geen enkele wijze kenbaar heeft gemaakt dat, naar hij thans stelt, de bedrijfsarts hem voordien ten onrechte hersteld had verklaard, en, in samenhang hiermee, dat zijn arbeidsongeschiktheid in feite sedert september 2003 onafgebroken heeft voortgeduurd.

Evenmin heeft eiser op het aanvraagformulier aangegeven dat aan het ontbindingsverzoek medische redenen ten grondslag lagen. Naar eiser ter zitting heeft verklaard, was zijn psychische gesteldheid op het moment van invullen van het WW-aanvraagformulier er debet aan dat hij zulks niet kenbaar heeft gemaakt, doch de beschikbare gegevens bieden hiervoor geen aanknopingspunten. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat eiser pas in bezwaar heeft gewezen op de medische achtergrond van het ontbindingsverzoek en in dat verband naar voren heeft gebracht dat, kort gezegd, zijn psychische toestand van dien aard was dat voortzetting van het dienstverband met [werkgever] redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden ziet de rechtbank niet in dat, zoals eiser heeft gesteld, verweerder in het kader van zijn WW-aanvraag in de eerste plaats had moeten onderzoeken of eiser wellicht ten onrechte hersteld was verklaard door de bedrijfsarts en, in samenhang hiermee, of de verwijzing door de bedrijfsarts naar de zogenoemde, door eiser ter sprake gebrachte STECR-richtlijnen, al dan niet juist was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het kader van die aanvraag, gegeven het feit dat eiser zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werkgever] had verzocht, terecht volstaan met de beoordeling van de vraag of eiser al dan niet verwijtbaar werkloos is geworden. Te dien aanzien overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens vaste rechtspraak van CRvB is in geval de werknemer zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht, de daardoor ontstane werkloosheid in beginsel verwijtbaar, in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in combinatie met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, tenzij medische redenen voor de betrokken werknemer een acute noodzaak opleveren om zijn arbeidsovereenkomst te laten ontbinden, dan wel anderszins aan voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Ter beoordeling van de vraag of in het geval van eiser sprake is van een (acute) medische noodzaak om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden, uit hoofde waarvan zijn werkloosheid niet verwijtbaar is, heeft verweerder de volgende criteria gehanteerd:

1. de psychische toestand van eiser ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek was zodanig dat hem het ontslag niet aan te rekenen was;

2. het bestaan van de dienstbetrekking met [werkgever] op zich was reeds zo bezwaarlijk voor eisers gezondheidstoestand dat voortzetting van de dienstbetrekking - ook als hij niet zou werken - reeds tot schade van de gezondheid van eiser zou leiden;

3. er is sprake van de volgende situatie:

3a. eiser heeft alvorens het ontbindingsverzoek in te dienen een advies tot het nemen van ontslag gekregen van een arboarts en/of een behandelend arts en

3b. eiser zou bij hervatting van zijn arbeid tot schade van zijn gezondheid gaan doen en

3c. aan deze situatie zou niet binnen afzienbare tijd een einde komen.

De rechtbank ziet niet in dat verweerder hiermee een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

Daarnaast ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Reker, dat er geen medische grond is om aan te nemen dat er op 6 februari 2004 werd voldaan aan één van de hiervoor vermelde criteria, onjuist is.

Uit de door eiser ingebrachte rapportages van Groenewegen en Dijkstra-Zaanen blijkt niet dat het ontbindingsverzoek eiser niet valt aan te rekenen.

Evenmin valt uit die rapportages af te leiden dat reeds het bestaan van eisers dienstbetrekking met [werkgever] tot schade/verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser zou leiden. Aan het hiervoor als derde omschreven criterium is reeds daarom niet voldaan, omdat eiser voorafgaand aan de indiening van het ontbindingsverzoek op 6 februari 2004 geen medisch advies heeft gevraagd en ook niet spontaan heeft gekregen om zijn dienstverband met [werkgever] te beëindigen. Al met al is naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat medische (psychische) redenen, voortvloeiend uit de verstoorde arbeidsrelatie met [werkgever], voor eiser een (acute) noodzaak opleverden om zijn arbeidsovereenkomst te laten ontbinden. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat in eisers geval geen sprake is geweest van een (acute) medische noodzaak op grond waarvan de dienstbetrekking op korte termijn zou moeten eindigen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat er aan de voortzetting van eisers dienstbetrekking ook anderszins niet zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd. Hetgeen verweerder in dit verband heeft gesteld, te weten dat er weliswaar sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie, maar dat deze situatie, gelet op alle beschikbare gegevens, voornamelijk eiser valt aan te rekenen, is gestoeld op de beschikking van de rechtbank van 7 april 2004. Niet valt in te zien dat, zoals eiser heeft gesteld, verweerder niet van de juistheid van die beschikking had mogen uitgaan. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB mocht verweerder bij de beantwoording van de vraag of eisers werkloosheid verwijtbaar is te achten uitgaan van de door de rechtbank in haar beschikking van 7 april 2004 vastgestelde feiten, tenzij eiser alsnog kan aantonen dat die feiten niet juist zijn, dan wel de rechtbank op basis van de haar ten dienste staande gegevens niet tot haar oordeel heeft kunnen komen. Eiser heeft evenwel geen gegevens in geding gebracht welke twijfel doen rijzen aan voormelde rechtbankbeschikking.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. De bezwaarverzekeringsarts Reker heeft naar aanleiding van eisers - eerst in bezwaar - geponeerde stelling dat medische redenen aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werkgever] ten grondslag lagen, onderzocht of er sprake was van een (acute) medische noodzaak voor eiser om dienstbetrekking op korte termijn te laten beëindigen. Het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts daarover is naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat de bezwaarverzekeringsarts bij haar oordeelsvorming beschikte over informatie van de arbodienst, de resultaten van het door de verzekeringsarts Dekker gegeven deskundigenoordeel, de informatie van de huisarts, de brief van psycholoog Dijkstra-Zaanen en over de rapportage van Advimed (Groenewegen) van 17 juli 2004. Ook overigens ziet de rechtbank niet in dat sprake zou zijn van onvoldoende of onzorgvuldig onderzoek door verweerder.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in combinatie met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW door zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken. Verweerder was derhalve gehouden de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW.

Van omstandigheden die maken dat het door eiser niet nakomen van de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden hem niet in overwegende mate kan worden verweten, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van

mr. G.F.S. Sloet – van der Kolk als griffier.

Afschrift verzonden op

mtl