Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AW3871

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
77674 / KG ZA 06-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering op formele gronden afgewezen, omdat de vordering is ingesteld tegen de bestuurder van de vennootschap en niet tegen de vennootschap zelf. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat in kort geding een veroordeling tot nakoming slechts dan kan worden uitgesproken wanneer met hoge mate van waarschijnlijkheid te verwachten is, dat desgevorderd de gewone rechter in een bodemprocedure tot toewijzing zal kunnen komen. Hiervan is in deze zaak geen sprake. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen enige vorm van samenwerking zijn overeengekomen met betrekking tot de exploitatie van het café, al dan niet in de vorm van een vennootschap onder firma. Van auteursrechten op de huisstijl, de menukaarten, de website en het concept van het café is voorshands evenmin gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 77674 / KG ZA 06-84

datum vonnis: 25 april 2006 (mk)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. [Eisesr],

2. [Eiser],

beiden wonende te Enschede,

eisers,

advocaat: mr. F.F. Blokhuis te Amsterdam,

procureur: mr. E.M.M. van de Loo,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Enschede,

gedaagde,

procureur: mr. J.A. Hobma.

Het procesverloop

Eisers hebben gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 18 april 2006. Ter zitting zijn verschenen: eisers vergezeld door mr. Blokhuis en gedaagde vergezeld door mr. Hobma. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

Gedaagde is bestuurder en enig aandeelhouder van [de vennootschap], verder [de vennootschap] te noemen. [De vennootschap] exploiteert [het café], verder [het café] te noemen, aan de [adres].

2. Eisers stellen dat gedaagde hen in 2004 heeft benaderd met het plan om [het café]

samen over te nemen en te exploiteren. Eisers hebben in verband met die overname een bedrijfsplan (productie 5) opgesteld. Gedaagde heeft zich schriftelijke akkoord verklaard met dat plan. Op initiatief van gedaagde is besloten dat gedaagde [het café] in eerste instantie alleen zou overnemen. Dit mede omdat hij een betere onderhandelingspositie zou hebben met de verhuurder Grolsch. Bovendien wilde gedaagde bekijken of het klikte met eisers.

Partijen zijn mondeling overeengekomen dat ieder van partijen financieel zou investeren en uiteindelijk éénderde deel van [het café] zou overnemen. Gedaagde zou het horecadeel voor zijn rekening nemen en eisers de ontwikkeling van het concept en de communicatie.

Eisers hebben voor [het café] een logo, een huisstijl, kleding en een website ontworpen. Ook hebben zij de menu- en de wijnkaart opgesteld, voor de fotografie zorggedragen, personeel aangedragen, een overeenkomst met KPN gesloten voor draadloos internet en diverse politieke debatten en bijeenkomsten georganiseerd. Een overzicht van alle activiteiten hebben zij schriftelijk vastgelegd in een rapport. Er is sprake van een vennootschap onder firma, omdat partijen gezamenlijk een café exploiteren waarbij zij allen iets hebben ingebracht. Als vennoot heeft gedaagde hierover rekening en verantwoording af te leggen tegenover eisers. Eisers hebben auteursrechten op de huisstijl, op de menukaarten, op de website en op het concept van [het café]. De auteursrechten zijn ingebracht in de vennootschap onder firma. Partijen zijn mondeling overeengekomen dat zij een licentieovereenkomst zouden sluiten met betrekking tot de inbreng van die auteursrechten in de vennootschap. Op dit moment gebruikt gedaagde deze rechten zonder titel, zodat hij inbreuk pleegt op de artikelen 12 en 13 Auteurswet 1912. Voor hun werkzaamheden hebben eisers nooit een passende vergoeding ontvangen. Het is niet onaannemelijk dat eisers aansprakelijk worden gehouden voor schulden van de vennootschap onder firma. Daarom wensen zij zo spoedig mogelijk inzicht te krijgen in de boekhouding van de vennootschap, in de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomsten met het personeel. Gedaagde schiet toerekenbaar tekort in zijn verplichting tot samenwerken. Ook is hij op grond van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden tot vergoeding van de schade die door zijn schuld is veroorzaakt.

3. Eisers vorderen in dit kort geding – kort en zakelijk weergegeven – een veroordeling van gedaagde om binnen acht dagen na betekening van het vonnis:

? inzage te geven in de overeenkomsten die gedaagde namens of ten behoeve van

[het café] is aangegaan;

? de in september 2004 gesloten mondelinge samenwerkingsovereenkomst ten behoeve van de exploitatie van [het café] schriftelijk vast te leggen en na te komen;

? met eisers in onderhandeling te treden over het sluiten van een schriftelijke licentie-overeenkomst met betrekking tot de inbreng van de intellectuele eigendomsrechten van eisers;

? dit telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag;

Tot slot vorderen zij een veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

4. Gedaagde heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van eisers dan wel afwijzing van de vorderingen onder aanvoering van – kort en zakelijk weergegeven – de volgende verweren:

? het spoedeisende belang ontbreekt aan de zijde van eisers.

? De zaak is zo complex dat deze niet geschikt is om in kort geding te worden beslist. Een groot aantal feiten en omstandigheden is van belang en dient belicht te worden om in deze zaak een gefundeerd oordeel over de rechtspositie van partijen te kunnen geven.

? Er is tussen partijen geen mondelinge overeenkomst tot stand gekomen over de eigendomsstructuur dan wel de exploitatie van [het café]. De exploitatie van

[het café] is niet ingebracht in een vennootschap onder firma. De exploitatie vindt plaats binnen [de vennootschap]. Gedaagde is eigenaar en enig aandeelhouder van [de vennootschap] Gedaagde bezit de horecavergunning voor [het café] en de bankrekening van [het café] staat op naam van gedaagde.

Op initiatief van gedaagde zijn partijen wel in onderhandeling geweest over een eventuele samenwerking. Partijen hebben in diverse overleggen drie opties besproken:

1. Een overname door eisers van een deel van de aandelen van [de vennootschap].

2. Overname door eisers na een aantal jaren van [de vennootschap] en uitkoop van gedaagde.

3. Exploitatie van [het café] in een vennootschap onder firma.

Tot concrete afspraken zijn partijen echter niet gekomen. Gedaagde ontkent dat eisers een bedrijfsplan hebben opgesteld waarmee hij zich schriftelijk akkoord zou hebben verklaard. Gedaagde heeft € 505.000,-- betaald voor [de vennootschap] en hij is alleen bereid tot samenwerking met eisers wanneer zij financieel over de brug komen.

? Gedaagde betwist het bestaan van de gestelde auteursrechten en dat hij deze zonder recht en titel gebruikt. Ook betwist hij dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat zij een licentieovereenkomst zouden sluiten met betrekking tot de vermeende auteursrechten. Eisers hebben deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Er is geen sprake van een eigen en oorspronkelijk concept van eisers. Gedaagde heeft in de gesprekken met eisers zelf ook ideeën aangedragen voor de huisstijl van [het café]. [het café] heeft alleen een restyling ondergaan. Het concept van [het café] is hetzelfde gebleven. De investeringen die eisers in [het café] hebben gedaan zijn onverplicht gedaan. Als tegenprestatie hebben zij hiervoor regelmatig kosteloos gegeten en gedronken in [het café]. Voor zover er al sprake is van auteursrechten, had gedaagde toestemming voor het gebruik daarvan. Eisers hebben nooit om een verbod op dan wel een vergoeding voor het gebruik verzocht.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen op formele gronden moeten worden afgewezen. Uit de stellingen van partijen en uit de in het geding gebrachte stukken, onder welke een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor De Veluwe en Twente, kan worden afgeleid dat de exploitatie van [het café] formeel plaatsvindt binnen [de vennootschap]. De vorderingen hadden daarom moeten worden ingesteld tegen [de vennootschap] en niet tegen gedaagde. Dat gedaagde bestuurder en enig aandeelhouder van [de vennootschap] is en dat met hem de gestelde afspraken zouden zijn gemaakt, doet hieraan niets af. De vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in de dagvaarding en de pleitnota zijn tegen gedaagde niet toewijsbaar.

6. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

Van een spoedeisend belang aan de zijde van eisers is in voldoende mate gebleken. Zij hebben immers belang bij duidelijkheid op korte termijn over de vraag of er een rechtsgeldige overeenkomst met gedaagde is totstandgekomen.

In dit kort geding vragen eisers onder meer een zeer vergaande voorziening: nakoming van een overeenkomst. In kort geding kan een veroordeling tot nakoming slechts dan worden uitgesproken wanneer met hoge mate van waarschijnlijkheid te verwachten is, dat desgevorderd de gewone rechter in een bodemprocedure tot toewijzing zal kunnen komen. Hiervan is in deze zaak geen sprake. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen enige vorm van samenwerking zijn overeengekomen met betrekking tot de exploitatie van [het café], al dan niet in de vorm van een vennootschap onder firma. Gedaagde heeft deze stelling gemotiveerd betwist en uit de overgelegde stukken blijkt dit voorshands onvoldoende. Dat er in de diverse dagbladen artikelen zijn verschenen over een samenwerking van partijen maakt dit oordeel niet anders. Deze artikelen hebben in deze procedure voor het bestaan van enige samenwerking in welke vorm dan ook geen enkele betekenis.

Of productie 5 bij de dagvaarding wel of geen bedrijfsplan is, acht de voorzieningenrechter voor de beoordeling van dit geschil niet relevant. Dat eisers dit document opgesteld zouden hebben impliceert niet dat partijen mondeling overeenstemming hebben bereikt over een gezamenlijke exploitatie van [het café]. Ook uit het document zelf blijkt niet van enige overeenstemming tot gezamenlijke exploitatie. Gedaagde heeft weliswaar erkend dat hij bereid was en wellicht nog is om [het café] samen met eisers te exploiteren, maar voorshands is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de intentie van partijen tot samenwerking heeft geresulteerd in een rechtsgeldige, mondelinge overeenkomst waarvan nakoming kan worden gevorderd.

Van auteursrechten op de huisstijl, de menukaarten, de website en het concept van [het café] is voorshands evenmin gebleken. Gedaagde heeft ook deze stelling gemotiveerd betwist en eisers hebben hun stellingen hierover niet dan wel onvoldoende met bescheiden onderbouwd. Het is het woord van eisers tegenover dat van gedaagde.

7. Eisers worden als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst af de vorderingen van eisers.

II. Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op € 248,-- aan verschotten en € 816,-- aan salaris van de procureur.

III. Verklaart onderdeel II uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Breitbarth, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.