Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AV3962

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
76907 / KG ZA 06-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert terugkeer naar woonwagen. Gemeente verweert zich. Vordering wordt afgewezen vanwege ontbreken spoedeisend belang aan zijde eiser.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser onvoldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vordering tot het ter beschikking stellen van juist deze plek aan [adres]. Allereerst niet omdat het gerechtshof in het door eiser reeds ingestelde spoedappèl binnen een week na heden over dezelfde voorziening zal oordelen. Ten tweede niet omdat de gemeente eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijk alternatief heeft geboden, in de vorm van vervangende woonruimte plus een geldsom. Tot slot niet omdat het gereed maken van de woonwagenplek aan [adres], evenals het gereed maken van de woonwagenplek in het geboden alternatief, tenminste vier weken zal duren. Het belang van de gemeente bij afwijzing van vordering zwaarder te wegen dan het belang van eiser bij toewijzing van de vordering. Van eiser kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedures afwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76907 / KG ZA 06-58

datum vonnis: 8 maart 2006 (lm)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. [Eiser] en

2. [Eiser 2]

beiden zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

eisers,

verder te noemen: [Eiser],

procureur: mr. R.J. Lindeboom,

tegen

Gemeente Hof van Twente,

zetelende te Goor,

gedaagde,

verder te noemen: de gemeente,

procureur: mr. J. Naber.

Het procesverloop

[Eisers] hebben gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 1 maart 2006. Ter zitting zijn verschenen: [Eiser] en [Eiser 2] vergezeld door mr. Lindeboom en mevrouw Nagtegaal en de heer Verbeek namens de gemeente vergezeld door mr. Naber. De standpunten zijn toegelicht.

Ten slotte hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast:

- op 10 juli 2002 heeft [Eiser] een huurovereenkomst gesloten met de gemeente, waarbij [Eiser] met ingang van 1 juli 2002 voor onbepaalde tijd een woonwagen en standplaats, gelegen aan de [Adres] te Goor, heeft gehuurd;

- bij vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo van 13 juli 2004 is de huurovereenkomst op vordering van de gemeente ontbonden per datum vonnis, en is [Eiser] veroordeeld om voormelde woonwagen en standplaats te ontruimen;

- teneinde ontruiming te voorkomen heeft [Eiser] in kort geding een staking van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis gevorderd;

- bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 14 september 2004 zijn de vorderingen van [Eiser] afgewezen, waarna [Eiser] de woonwagen en de woonwagenstandplaats op 22 september 2004 heeft ontruimd;

- [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, van 13 juli 2004;

- op 28 september 2004 en op 8 november 2005 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente met betrekking tot de woonwagenstandplaats aan de [Adres] te Goor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen;

- [Eiser] heeft tegen dat voorbereidingsbesluit bezwaar aangetekend;

- bij arrest van 29 november 2005 heeft het gerechtshof Arnhem, rechtdoende in hoger beroep, het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, van 13 juli 2004 vernietigd;

- bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo van

19 december 2005 is de door [Eiser] gevorderde veroordeling van de gemeente tot uitvoering van de huurovereenkomst afgewezen;

- [Eiser] heeft spoedappèl ingesteld tegen voormeld vonnis;

- bij uitspraak van de voorzieningenrechter, sector bestuursrecht, in de rechtbank Almelo van 9 februari 2006 is het voorbereidingsbesluit geschorst tot zes weken nadat op het bezwaarschrift van [Eiser] is beslist;

- bij sommatie van 20 februari jl. heeft [Eiser] de gemeente gesommeerd om binnen 24 uur de woonwagen en de woonwagenstandplaats aan de [Adres] te Goor aan hem ter beschikking te stellen;

- de gemeente heeft [Eiser] daarop medegedeeld dat zij niet aan de sommatie van [Eiser] tegemoet komt. Wel biedt zij [Eiser] een nieuwe woonwagenstandplaats op de toekomstige woonwagenlocatie binnen het plan Heeckeren aangevuld met een geldbedrag dan wel biedt zij [Eiser] in plaats van vervangende woonruimte een nader overeen te komen geldbedrag aan in ruil waarvoor [Eiser] geen aanspraak meer kan maken op de standplaats aan de [Adres] te Goor;

- de gemeente heeft bij dagvaarding van 23 februari jl. cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem van 19 november 2005.

2. [Eiser] vordert thans wederom, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de gemeente om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de huurovereenkomst van 10 juli 2002, in die zin dat de in de huurovereenkomst genoemde woonwagen, danwel een andere, gelijkwaardige, woonwagen en de standplaats aan de [Adres] in Goor, aangesloten op de riolering en voorzien van aansluitingen voor gas, water en elektriciteit, aan de familie [Eiser] ter beschikking zal zijn gesteld, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, voor iedere dag dat de gemeente daarmede in gebreke blijft, met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

Zij stelt daartoe onder meer dat er, gelet op de schorsing van het voorbereidingsbesluit door de voorzieningenrechter, sector bestuursrecht, in de rechtbank Almelo van 9 februari 2006, thans niets meer in de weg staat aan de nakoming van de huurovereenkomst door de gemeente. De gemeente is gehouden de woonwagen en de standplaats aan [Eiser] ter beschikking te stellen. Hij heeft een spoedeisend belang om binnen korte termijn weer over de door hem gehuurde woonruimte te kunnen beschikken, aangezien hij vreest voor uithuisplaatsing van de kinderen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming en mevrouw [Eiser] bovendien hoogzwanger is.

3. De gemeente verweert zich, daartoe onder meer stellende dat een spoedeisend belang voor [Eiser] om op exact dezelfde locatie aan de [Adres] terug te keren ontbreekt. De gemeente heeft [Eiser] een goed aanbod gedaan, welk aanbod [Eiser] niet heeft geaccepteerd. Terugkeer van [Eiser] naar de oude locatie is voor de gemeente onacceptabel vanwege het risico van verstoring van de openbare orde. Het is voor de gemeente onbegrijpelijk dat [Eiser] op geen enkele wijze te bewegen is om zich elders te vestigen.

4. Overwegingen voorzieningenrechter.

4.1. De voorzieningenrechter is allereerst, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat het door de gemeente ingestelde cassatieberoep in het onderhavige geval niet tot gevolg heeft dat het vernietigende arrest van het gerechtshof te Arnhem wordt geschorst. Een vernietiging komt naar zijn aard immers niet in aanmerking voor enige vorm van tenuitvoerlegging nu vernietiging onmiddellijk werkt, ongeacht of er cassatieberoep wordt of is ingesteld. Het gevolg daarvan is dat de voorziening, ongeacht of deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, gegeven door de rechtbank Almelo in eerste aanleg door de vernietiging in hoger beroep door het gerechtshof Arnhem haar werking heeft verloren, zolang de appèlbeslissing zelf niet is vernietigd. In dit concrete geval betekent dat dat de huurovereenkomst tussen [Eiser] en de gemeente nog steeds geldt. Het arrest van het gerechtshof Arnhem heeft echter, zolang in cassatie niet is beslist, nog geen kracht van gewijsde en derhalve is de juridische situatie nog niet vaststaand.

4.2. De vraag die vervolgens rijst is of in die situatie de door [Eiser] gevorderde voorlopige voorziening die strekt tot uitvoering van de huurovereenkomst en bewoning van de woonwagen aan de [Adres] te Goor moet worden toegewezen.

4.3. Voor de toewijsbaarheid van een vordering als de onderhavige geldt dat naast een spoedeisend belang het vrijwel zeker althans zeer waarschijnlijk moet zijn dat de rechter in een bodemgeschil de vordering geheel of gedeeltelijk zal toewijzen. Een spoedeisend belang bij een voorziening heeft de eiser van wie niet kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht. Of de spoedvoorziening ook daadwerkelijk wordt verleend is grotendeels afhankelijk van de uitkomst van een belangenafweging tussen partijen. Daarbij kunnen alle omstandigheden van het geval een rol spelen, zoals belangen van derden, het voorlopige karakter van de gevraagde voorziening en de ingrijpendheid van de gevolgen bij respectievelijk het uitblijven van de voorziening voor de eiser en het verlenen van de voorziening voor gedaagde.

4.4. De voorzieningenrechter constateert dat over de uitkomst van de bodemprocedures (waaronder het cassatieberoep van de gemeente) nog niets valt te zeggen. Derhalve komt het aan op een belangenafweging waarbij met name ook de spoedeisendheid van de gevraagde voorziening een rol speelt.

Ten aanzien van deze belangafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Het belang van [Eiser] bij toewijzing van de gevraagde voorziening is erin gelegen dat hij met zijn familie de woonwagen weer wil gaan bewonen op de (op dit moment) rechtmatige plek aan de [Adres] te Goor. Voorts bestaat het gezin uit vier kinderen die gebaat zijn bij hun oude vertrouwde thuissituatie en is mevrouw [Eiser] hoogzwanger van de vijfde.

Het belang van de gemeente bij afwijzing van de gevraagde voorziening is erin gelegen dat zij geen kosten wenst te maken voordat in rechte vast staat dat [Eiser] op de door hem gewenste plek aan de van [Adres] te Goor terug kan keren. Zij wil daarom de uitkomst van het cassatieberoep afwachten. Voorts dient de gemeente rekening te houden met het algemene belang van de naaste buren en omwonenden op hun woongenot. De gemeente vreest voor grote overlast indien [Eiser] zou terug keren op de oude plek.

Voorts stelt de gemeente dat zij bij toewijzing van de vordering van [Eiser] gedwongen wordt om te handelen in strijd met de Woonvisie van de gemeente. Inmiddels is ter zitting duidelijk geworden dat de nieuwe woonwagenlocatie een andere plek is dan de oude plaats van [Eiser] . De voorzieningenrechter overweegt dat hoewel de gemeente deze strijd had kunnen voorkomen als ze niet direct na het vonnis van de kantonrechter tot ontruiming was overgegaan, de gemeente deze bevoegdheid wel had nu het vonnis van de kantonrechter op dit punt uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [Eiser] onvoldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vordering tot het ter beschikking stellen van juist deze plek aan de [Adres]. Allereerst niet omdat het gerechtshof in het door [Eiser] reeds ingestelde spoedappèl binnen een week na heden over dezelfde voorziening zal oordelen. Ten tweede niet omdat de gemeente [Eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een deugdelijk alternatief heeft geboden, in de vorm van vervangende woonruimte plus een geldsom. Tot slot niet omdat het gereed maken van de woonwagenplek aan de [Adres], evenals het gereed maken van de woonwagenplek in het geboden alternatief, tenminste vier weken zal duren.

Gelet op het voorgaande dient het belang van de gemeente bij afwijzing van vordering zwaarder te wegen dan het belang van [Eiser] bij toewijzing van de vordering. Van [Eiser] kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedures afwacht.

4.5. [Eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding te worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst af de vordering van [Eiser] .

II. Veroordeelt [Eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op € 332,87 aan verschotten en € 527,= aan salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van Ommeren, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 maart 2006, in tegenwoordigheid van

mr. Morskieft, griffier.