Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AV3689

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-03-2006
Datum publicatie
07-03-2006
Zaaknummer
05 / 294 WW44 AQ1 A
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Woningstichting Tubbergen heeft bij verweerder een vergunning aangevraagd voor het realiseren van een appartementengebouw met daarin 13 seniorenwoningen aan het adres Oranjestraat 10-14 in Tubbergen. Verweerder heeft met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling verleend van het bestemmingsplan Tubbergen Centrum en de gevraagde bouwvergunning verleend onder de bij dat besluit behorende voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 05 / 294 WW44 AQ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d.

in het geschil tussen:

[VOF] V.O.F., gevestigd te [plaats],

[eisers], allen wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. I.C. Dunhof-Lampe, werkzaam bij Jacobs Kranenburg Advocaten te Almelo,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Tubbergen, verweerder.

Derde belanghebbende: Woningstichting Tubbergen, gevestigd te Tubbergen, vergunninghoudster

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 15 februari 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Op 19 december 2002 heeft de Woningstichting Tubbergen bij verweerder een vergunning aangevraagd voor het realiseren van een appartementengebouw met daarin 13 seniorenwoningen aan het adres Oranjestraat 10-14 in Tubbergen. Verweerder heeft besloten om aan het bouwplan medewerking te verlenen middels een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De bouwaanvraag heeft vervolgens overeenkomstig artikel 19a van de WRO gedurende vier weken ter inzage gelegen. Eisers hebben een zienswijze ingediend.

Verweerder heeft aan Gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: GS) gevraagd om een verklaring van geen bezwaar teneinde met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te kunnen verlenen van het vigerende bestemmingsplan. Gedeputeerde Staten hebben de gevraagde verklaring van geen bezwaar op 27 januari 2004 (verzonden 28 januari 2004) verleend.

Bij een op 5 april 2004 verzonden besluit van 2 april 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling verleend van het bestemmingsplan Tubbergen Centrum en de gevraagde bouwvergunning verleend onder de bij dat besluit behorende voorwaarden.

Tegen dit besluit is door eisers bij schrijven van 12 mei 2004, nader aangevuld bij schrijven van 11 juni 2004, bezwaar gemaakt. Tevens hebben eisers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van de bouwvergunning tot in de bodemprocedure is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot 6 weken nadat op het bezwaarschrift van eisers zal zijn beslist.

Op 23 juni 2004 heeft verweerder het ontwerp bestemmingsplan “Tubbergen Centrum” ter inzage gelegd.

Ter zake van de bezwaren tegen het besluit van 2 april 2004 heeft verweerder eisers in de gelegenheid gesteld om hun bezwaar ter hoorzitting van de commissie bezwaar en beroep (hierna: de commissie), gehouden op 26 oktober 2004, toe te lichten, van welke gelegenheid eisers en hun gemachtigde gebruik hebben gemaakt. Bij schrijven van 26 oktober 2004 heeft de commissie advies uitgebracht aan verweerder.

Bij schrijven van 9 februari 2005 heeft de welstandscommissie Het Oversticht, desgevraagd nogmaals aangegeven dat het bouwplan voldoet een redelijke eisen van welstand.

Bij een op 18 februari 2005 verzonden besluit van 15 februari 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO en de verleende bouwvergunning in stand gelaten, met dien verstande dat aan de bouwvergunning de voorwaarde is verbonden dat de bergingen intern dusdanig worden opgedeeld, dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat een woning een van buiten toegankelijke bergruimte moet hebben die tenminste 6,5 % van de gebruiksoppervlakte van de woning beslaat.

Blijkens het beroepschrift van 14 maart 2005 kunnen eisers zich niet met dat besluit verenigen.

Bij schrijven van 3 juni 2005 heeft verweerder de rechtbank de aan het besluit ten grondslag liggende stukken, alsmede een verweerschrift doen toekomen.

Het beroep is, gevoegd met een tegen hetzelfde besluit ingesteld beroep van [partij], behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 28 februari 2006, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. I.C. Dunhof-Lampe, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door F.G.S. Droste, ambtenaar van de gemeente Tubbergen. Vergunninghoudster is niet verschenen.

Na het onderzoek ter zitting zijn de beroepen weer gesplitst. In de zaak van [partij] zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 15 februari 2005 in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

Op 1 januari 2003 is de herziening van de Woningwet in werking getreden.

Artikel VII, derde lid, van de Wijzigingswet woningwet (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht) bepaalt, voor zover van belang, dat, tenzij artikel I, onderdeel N, ertoe leidt dat voor het bouwen geen vergunning is vereist, op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet die is ingediend vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet, het recht van toepassing is zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag is ingediend. Nu de aanvraag om bouwvergunning op 19 december 2002 bij verweerder is ingediend, is op de bouwvergunningverlening - zowel in primo als in bezwaar - de Woningwet van toepassing zoals deze luidde op 19 december 2002.

Waar in deze uitspraak gesproken wordt over de Woningwet, wordt daarmee bedoeld de Woningwet zoals deze luidde op 19 december 2002.

Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in de artikelen 2 en 120 bedoelde algemene maatregelen van bestuur gegeven voorschriften of, voor zover van toepassing, de voorschriften, bedoeld in artikel 7a;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening en, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, aan de voorschriften die bij een in artikel 8, achtste lid, of bij of krachtens een in artikel 120 bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn gegeven;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid, of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Artikel 19, eerste lid, van de WRO bepaalt dat de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling kan verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat vrijstelling krachtens het eerste lid niet wordt verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Standpunten van partijen

Eisers stellen zich vooreerst formeel op het standpunt dat het advies van de commissie geen deel uitmaakt van het besluit en dat in het bestreden besluit de vermelding van de gedelegeerde bevoegdheid ontbreekt.

Voorts stellen eisers dat het voorbereidingsbesluit ten tijde van de beslissing op bezwaar was vervallen en dat er op dat moment ook geen ontwerpherziening van het bestemmingsplan ter inzage lag, waardoor de juridische grondslag voor de verlening van de vrijstelling ontbrak.

Daarnaast stellen eisers zich op het standpunt dat de stukken niet voldoen aan de eisen van een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat de inbreuk op het planologische regime groter is dan door de gemeente is geschetst.

Eisers stellen zich verder op het standpunt dat het besluit ontoereikend is gemotiveerd en in strijd met de stedenbouwkundige visie. Zij wijzen er op dat verweerders verwijzing naar de ontwikkelingen in hedendaagse dorpscentra op geen enkele wijze met nadere gegevens is onderbouwd, dat in de op 5 juni 2000 door de raad vastgestelde Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie Tubbergen Centrum de onderhavige locatie niet expliciet is aangewezen voor woningbouw, dit in tegenstelling tot de locatie “Pinners”, waarvoor ook vergevorderde plannen bestaan voor de bouw van 40 seniorenwoningen. Ook de locatie “Wentrup” en de locatie “Tijhuis” zijn, in tegenstelling tot de onderhavige locatie, wel expliciet aangewezen voor woningbouw.

Eisers stellen dat zij er op moeten kunnen vertrouwen dat verweerder conform zijn eigen, in de ontwikkelingsvisie vastgelegde, beleid handelt en hier niet ongemotiveerd van afwijkt. Het bouwplan is in strijd met de drie door verweerder gehanteerde uitgangspunten, te weten:

a. wonen in maximaal 2 lagen met “opbouw” dan wel kap;

b. huisvesting voor jongeren en voor gezinnen met kinderen en

c. bouwen volgens de kenmerkende karakteristiek van het centrum van Tubbergen.

Bij schrijven van 23 mei 2001 achtte verweerder slechts maximaal 8 woningen aanvaardbaar. Eisers stellen dat het bouwplan niet voldoet aan het uitgangspunt van de raad dat moet worden gebouwd volgens de kenmerkende karakteristiek van het centrum van Tubbergen. Het bouwplan is te hoog is en daardoor onvoldoende afgestemd op de hoogte van het tegenoverliggende pand van Kemperink. Eisers wijzen er op dat verweerder bij een bouwplan voor een appartementencomplex iets verderop wel rekening hield met de hoogte van de omliggende bebouwing.

Voorts wijzen eisers er op dat de lichttoetreding en bezonning van de tegenoverliggende woningen wordt beperkt, een argument dat in 1993 nog door verweerder als argument werd gebruikt voor afwijzing van een bouwplan in dezelfde straat.

Ook is het plan in strijd met de doelstelling dat voor jongeren en gezinnen met kinderen dient te worden gebouwd. Het bouwplan is bestemd voor ouderen terwijl er reeds een vergunning is verleend voor de nieuwbouw van 80 seniorenwoningen naast het verzorgingstehuis aan de Sportlaan en er vergevorderde plannen zijn voor 40 seniorenwoningen op het Pinners-terrein. Eisers stellen dat verweerder de behoefte aan seniorenwoningen dient te onderbouwen en dat dient vast te staan dat de appartementen ook daadwerkelijk door ouderen (verweerder spreekt van 55 plussers en vergunninghoudster van 65 plussers) zal worden bewoond en het bouwplan niet slechts op papier voor ouderen wordt gebouwd om zodoende met minder parkeerplaatsen te hoeven volstaan. In dat verband geven eisers aan dat evenmin duidelijk is hoe de gemeente tot de vaststelling van de parkeernorm 0,6 is gekomen. Om die reden twijfelen eisers of het plan aan de bouwverordening voldoet.

Ook stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder in strijd met artikel 56 van de Woningwet ten onrechte een voorwaarde aan de bouwvergunning verbindt die er toe strekt om aan een verzoek om een bouwvergunning klevende gebreken die zodanig zijn dat dit verzoek dient te worden afgewezen, te herstellen. Het bouwplan had wegens strijd met artikel 48 van het Bouwbesluit moeten worden geweigerd.

Voorts wijzen eisers er op dat de wijziging van het gevelaanzicht van de bergingen geen wijziging van niet-ingrijpende aard betreft en dat de welstandscommissie Het Oversticht een en ander niet op juiste wijze heeft kunnen toetsen nu op de op 17 februari 2004 ingediende gewijzigde tekening slechts het vooraanzicht van de bergingen is getekend. Voorts is ten onrechte getoetst aan de op 7 juni 2004 vastgestelde welstandsnota, terwijl de aanvraag reeds op 19 december 2002 is ingediend.

Daarnaast stellen eisers dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt door niet conform de op 27 april 1995 met eisers aangegane overeenkomst serieus onderzoek te doen naar mogelijkheden tot wijziging van de bestemming van het perceel 4428 (thans sectie L, nrs. 8450, 8451 en 7962) in “Verkeersdoeleinden” als doorverbinding en voor kort parkeren. Eisers menen dat verweerder bij de belangenafweging meer belang had moeten hechten aan de gedane toezegging dan aan het gewicht van de bouw van extra appartementen.

Eisers geven aan dat verweerder ten onrechte stelt dat het huidige bestemmingsplan de bouw van bijruimten tot een maximale hoogte van 6 meter tot 1 á 2 meter van het bestemmingsplan toestaat. In dat verband wijzen eisers nogmaals op de vermindering van lichttoetreding en bezinning en de aantasting van de privacy. Ook menen zij dat niet is aangetoond dat wordt voldaan aan de sinds 1 januari 2005 geldende Europese regels voor grenswaarden voor fijn stof.

Tot slot stellen eisers dat geen rekening is gehouden met de belangen van ondernemers die belang hebben bij versterking en vergroting van de aantrekkingskracht van de Oranjestraat als winkelgebied, hetgeen kan worden bereikt door de bouw van nieuwe winkels en een betere parkeergelegenheid.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de ruimtelijke onderbouwing wel degelijk de inbreuk op het planologische regime kan dragen. De ruimtelijke onderbouwing bestaat uit het besluit van burgemeester en wethouders van 8 april 2003 waarbij wordt besloten tot het voornemen om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan en de beantwoording van de zienswijzen, welke is meegestuurd naar GS. Verweerder stelt dat in die documenten elk aspect wordt aangehaald en wordt gemotiveerd waarom die aspecten verantwoord en acceptabel zijn in het licht van de inpassing van het gebouw in haar omgeving.

Verweerder wijst er op dat de stelling dat eisers er op moeten kunnen vertrouwen dat de gemeente volgens haar eigen vastgestelde beleid handelt niet opgaat omdat de raad zich in de ontwikkelingsvisie Tubbergen Centrum juist niet expliciet heeft uitgesproken over de onderhavige locatie.

Ook acht verweerder het bouwplan in overeenstemming met de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie, waar als voorwaarde voor het bouwen in meer lagen is aangegeven dat maximaal twee bouwlagen met een “opbouw” dan wel kap zijn toegestaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de derde laag in het onderhavige bouwplan aan de voorzijde aan de Oranjestraat terugliggend en derhalve in de vorm van een opbouw, wordt gerealiseerd. Het feit dat de bouw aan de achterzijde wel drie volwaardige bouwlagen heeft, acht verweerder gezien de ligging aan een parkeerterrein met daarachter het gemeentehuis verantwoord, nu omwonenden daarvan geen overlast ondervinden.

Verweerder wijst er op dat de gemeenteraad op 7 juni 2004 de welstandsnota heeft vastgesteld en daarbij een aantal criteria voor het onderhavige perceel heeft vastgesteld.

Verweerder acht het bouwen voor senioren niet in strijd met de wens van de gemeenteraad dat het bieden van huisvesting aan jongeren en voor gezinnen met kinderen ook uitgangspunt kan zijn. In dat verband ziet verweerder tevens een bevestiging in het op 5 april 2004 door de gemeenteraad vastgestelde woonplan, waarin voor de periode van 2005 – 2009 is aangegeven dat er 296 appartementen/seniorenwoningen zullen worden gebouwd.

Met betrekking tot de verminderde lichttoetreding wijst verweerder er op dat in het huidige bestemmingsplan bijruimten kunnen worden gebouwd met een maximale hoogte van 6 meter tot 1 á 2 meter van het bestemmingsvlak. Ten opzichte van de mogelijkheden in het huidige bestemmingsplan kan er dus nauwelijks sprake zijn van vermindering van lichttoetreding, nog daargelaten dat ook de ligging van het bouwplan, ten noorden van de panden van Kemperink in combinatie met de draairichting van de zon, nauwelijks tot schaduwwerking zal leiden.

Ten aanzien van de gestelde doelgroep wijst verweerder er op dat uit een onderzoek van het bureau I&O blijkt dat er de komende tijd behoefte is aan woningen voor die doelgroep en aan het bestreden besluit ook de voorwaarde is verbonden dat de appartementen voor 55 plussers zijn bestemd.

Ten aanzien van de gehanteerde parkeernorm en het aantal parkeerplaatsen geeft verweerder aan dat bij bejaardenwoningen een norm van 0,25 – 0,5 wordt gehanteerd en voor seniorenwoningen een norm van 0,8 –1,0. Aangezien 55 plussers zowel bejaarden als senioren kunnen zijn, acht verweerder norm van 0,6, hetgeen overeenkomt met de 8 geplande parkeerplaatsen acceptabel.

Ten aanzien van de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde dat de bergingen intern dusdanig worden opgedeeld dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat een woning een van buiten de woning toegankelijke bergruimte moet hebben die minimaal 6,5 % van de gebruiksoppervlakte van de woning beslaat, is verweerder van mening dat dit wel degelijk als voorwaarde is aan te merken welke strekt tot bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk moet voldoen. Het betreft slechts het verschuiven van scheidingsmuren in de bergingen, een ondergeschikte wijziging die naar het oordeel van verweerder onder het bereik van artikel 56 van de Woningwet valt.

Voorts stelt verweerder dat het alsnog inbrengen van de aanvankelijk ontbrekende bouwtekening van de gevel van de bergingen geen wijziging van dusdanig ingrijpende aard is, dat de zienswijzenprocedure nogmaals dient te worden gevoerd. De bergingen waren immers van meet af aan op de plattegrond ingetekend en bij schrijven van 25 februari 2005 is aan eisers toegelicht hoe de zij- en achtergevels eruit komen te zien.

Met betrekking tot het al dan niet naleven van de op 27 april 1995 opgestelde overeenkomst tussen verweerder en eisers stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel nu verweerder aan de inspanningsverplichting heeft voldaan. Op het perceel is deels een doorgang voor voetgangers en fietsers gerealiseerd en een strook voor kort parkeren langs het perceel. Daarnaast is er een inspraakprocedure gevolgd. Dat deze er toe heeft geleid dat de wens van eisers en de ondernemersvereniging, gelet op de forse gevolgen voor de centrumstructuur en de forse financiële gevolgen, is afgewezen, doet daar niets aan af.

Voorts wijst verweerder er op dat het onderhavige perceel slechts een klein onderdeel van de overeenkomst betreft.

Ook wordt aangegeven dat de verkoop van de grond aan de Woningstichting eerst heeft plaatsgevonden nadat de Ruimtelijke Ontwikkelingsvisie was afgerond en de raad zich daarmee had uitgesproken over de wenselijke ontwikkelingen in het centrum van Tubbergen.

Voorts wijst verweerder er op dat de doorsteek is opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan.

Ten aanzien van het beroep op artikel 4 van de bestemmingsplanvoorschriften stelt verweerder zich op het standpunt dat op de bestemmingsplankaart middels een geruit vlak expliciet is aangegeven waar o.a. bijruimten mogen worden gebouwd. Artikel 4 bepaalt slechts in welke gevallen de bebouwingsgrenzen mogen worden overschreden.

Voorts wijst verweerder er op dat de provincie Overijssel in het kader van het Besluit luchtkwaliteit een rapportage heeft geschreven waaruit blijkt dat in de gemeente Tubbergen geen waarden voor fijn stof worden overschreden.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt.

Ter zitting is gebleken dat verweerder de bouwaanvraag heeft getoetst aan het recht zoals dat gold ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag. Vervolgens heeft verweerder het besluit op bezwaar genomen met in achtneming van het recht dat gold op dat moment. Gelet op het hiervoor genoemde artikel VII, derde lid, van de Wijzigingswet woningwet had verweerder zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar moeten toetsen aan het recht dat gold op het moment van de indiening van de bouwaanvraag. Verweerder heeft derhalve een onjuist toetsingskader gehanteerd. Het besluit op bezwaar moet reeds om deze reden worden vernietigd.

Als ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 19, eerste lid, van de WRO moet volgens verweerder het besluit van burgemeester en wethouders van 8 april 2003 waarbij wordt besloten tot het voornemen om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan worden gezien, alsmede de beantwoording van de zienswijzen die onderdeel uitmaakt van de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar van GS. De rechtbank is van oordeel dat deze onderbouwing niet kan worden aangemerkt als een goede ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 19, eerste lid, van de WRO. In het algemeen geldt dat naarmate sprake is van een lichtere afwijking van het bestemmingsplan lagere eisen gesteld kunnen worden aan de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling. Van een lichte afwijking van het bestemmingsplan kan evenwel niet worden gesproken, nu de verschijningsvorm van het gebouw, de functie en de ruimtelijke uitstraling van het perceel aanmerkelijk veranderen.

In het document waarin het voornemen van verweerder is vervat tot het volgen van een vrijstellingsprocedure is uitsluitend gesteld dat sprake is van grote behoefte aan woningen voor ouderen. Ter zitting heeft verweerder echter gesteld dat ook grote behoefte is aan de bouw van woningen voor jongeren. Een doorslaggevend, ruimtelijk relevant argument voor het verlenen van een vrijstelling kan daaraan derhalve niet worden ontleend.

In de reactie van verweerder op de zienswijzen wordt wel ingegaan op diverse ruimtelijke aspecten van het bouwplan. Zo komen onder meer aan de orde de vraag of voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, de vraag of sprake is van voldoende bezonning en lichttoetreding, de stedenbouwkundige uitgangspunten, de privacyaspecten, de uitstoot van koolmonoxide en een aantal procedurele kwesties. Deze onderwerpen komen echter niet aan de orde in het kader van een samenhangend geheel van in dit geval ruimtelijk relevante aspecten en evenmin is daarbij aangegeven in welke onderlinge samenhang deze aspecten dienen te worden bezien en nopen tot verlening van een vrijstelling in dit geval. Een zorgvuldige inventarisatie en afweging van belangen, betrekking hebbend op de aard en functie van het project, de mate van ingrijpendheid en de verhouding tot gemeentelijk -, provinciaal en rijksbeleid ontbreekt. Gelet hierop is van een goede ruimtelijke onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook om deze reden komt het besluit voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank wil tenslotte nog ingaan op de door verweerder gehanteerde parkeernorm. Verweerder heeft een parkeernorm van 0,6 gehanteerd, waardoor in totaal 8 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Deze norm heeft verweerder gehanteerd omdat sprake is van de bouw van woningen, bestemd voor senioren. Naar zowel in de stukken als ter zitting door verweerder is gesteld, ontbreekt het verweerder aan bestuursrechtelijke instrumenten om te voorkomen dat anderen dan senioren van de woningen gebruik zullen maken. Ter zitting heeft verweerder ook gesteld dat – naast behoefte aan woningen bestemd voor senioren – ook grote behoefte bestaat aan woningen voor anderen dan senioren. De te bouwen woningen zijn niet specifiek voor ouderen ingericht. Evenmin zijn voor ouderen specifieke voorzieningen getroffen. Het staat daarom geenszins vast dat uitsluitend ouderen van de woningen gebruik zullen maken. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat verweerder niet zonder meer mocht uitgaan van de door hem gehanteerde norm van 0,6 parkeerplaats per woning. Verweerder heeft een deel van het onderzoek van het bureau Goudappel en Coffeng overgelegd. Hieruit zou naar mening van verweerder blijken dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn in het centrum van Tubbergen. Nu verweerder slechts een deel van het onderzoek heeft overgelegd kan de rechtbank niet zien welke uitgangspunten aan dit onderzoek ten grondslag hebben gelegen.

Het besluit komt derhalve ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking.

Om overbodige procedures te voorkomen merkt de rechtbank ten aanzien van de aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde dat de bergingen intern dusdanig worden opgedeeld dat wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 48 van het (oude) Bouwbesluit nog op dat blijkens vaste jurisprudentie strijdigheid met het Bouwbesluit in beginsel niet kan worden opgeheven door een daartoe strekkende voorwaarde op te nemen.

Het beroep is derhalve gegrond, het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde EURO 644,--, alsmede reiskosten EURO 4,40.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 648,40 , door de gemeente Tubbergen te betalen aan eisers;

- verstaat dat de gemeente Tubbergen aan eisers het griffierecht ad EUR 276,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Aldus gegeven door mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman als griffier.

Afschrift verzonden op

CK