Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AV0534

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
75797 / KG ZA 06-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vorderenwedertewerkstelling van eiser sub 2 als lid van de Raad van Toezicht. Daarnaast vorderen zij de wijziging van de statuten nietig te verklaren en de bepaling dat de bewonersvereniging de meerderheid van de leden van de Raad van Toezicht bindend voordracht, weer in de statuten op te nemen. Ondanks dat de voorzieningenrechter het ontslag van eiser sub 2 onrechtmatig acht, worden de vorderingen van eisers afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 75797 / KG ZA 06-12

datum vonnis: 18 januari 2006 (rd)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1.

Bewonersvereniging HBS Ons Belang,

statutair gevestigd te Hengelo (O),

verder te noemen de Bewonersvereniging,

2.

[eiser sub 2],

wonende te Hengelo (O),

verder te noemen: [eiser sub 2],

eisers,

procureur: mr. L. de Widt,

tegen

Hengelose Bouwstichting Ons Belang,

gevestigd te Hengelo (O),

gedaagde,

verder te noemen HBS,

advocaat: mr. L.C. van der Marel.

Het procesverloop

De Bewonersvereniging heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 2006. Ter zitting zijn verschenen: [naam], voorzitter van de Bewonersvereniging, namens eiseres sub 1 en [eiser sub 2], vergezeld door mr. De Widt, en de heren [namen] namens HBS vergezeld door mr. Van der Marel. De standpunten zijn toegelicht. Beide raadslieden hebben ter zitting gebruik gemaakt van een pleitnota.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

- HBS (destijds geheten HBV) is op 27 januari 1920 opgericht als vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.

- Bij notariële akte van 14 december 1998 is de vereniging (HBV) omgezet in een stichting. Met de omzetting naar een stichting kwam een einde aan de bevoegdheid van de leden, tevens huurders van HBV, die zich hadden verenigd in de Verenigingsraad om hun stemrecht in een algemene ledenvergadering uit te oefenen. In de plaats van het bestuur, de algemene ledenvergadering, de Verenigingsraad en de Bewonersraad, kwam er een nieuw stichtingsbestuur en een Raad van Toezicht (RvT). Binnen HBS vervult de Bewonersvereniging een adviesfunctie.

- De leden van de vereniging zijn akkoord gegaan met de omzetting naar een stichting onder meer onder de voorwaarde dat ten hoogste de helft plus één van de leden van de RvT worden benoemd op een bindende voordracht van de Bewonersraad. De directie van de HBV heeft bij verklaring van 8 april 1998 de rechten van de Verenigingsraad in de statuten van een nieuw te vormen rechtspersoon gegarandeerd.

- De statuten zijn bij notariële akte van 31 juli 2003 gewijzigd.

- Het bestuur van HBS heeft in het voorjaar van 2004 een visitatie laten uitvoeren. Daarnaast heeft HBS medio juni 2005 Dudok Bouw- en Vastgoedrecht (Dudok) verzocht om onderzoek te verrichten naar de interne besluitvorming en toezichtstructuur binnen HBS en haar verbindingen.

- Bij schrijven van 6 oktober 2005 heeft HBS aangegeven dat zij voornemens is haar statuten te wijzigen en is de Bewonersvereniging om advies verzocht.

- Bij brief van 3 november 2005 heeft de Bewonersvereniging geadviseerd om haar recht om de meerderheid van de leden van de RvT – die wordt gewijzigd in Raad van Commissarissen – bindend voor te dragen, niet te beperken.

- Bij brief van 25 november 2005 heeft de directie van HBS aangegeven voornoemd advies naast zich neer te leggen.

- Bij brief van 20 december 2005 heeft de Bewonersvereniging HBS verzocht te wachten met het passeren van de notariële wijzigingsakte totdat door de rechter op het geschil is beslist.

- Bij notariële akte van 21 december 2005 zijn de statuten gewijzigd.

- Eiser sub 2, [eiser sub 2], is sinds drie jaren lid van het bestuur van de PvdA afdeling Hengelo (O). [eiser sub 2] heeft zich kandidaat gesteld voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006.

- Op 7 september 2005 heeft een bespreking tussen de RvT, een directielid van HBS en een notaris van Dudok plaatsgevonden, waarin is gesproken over de nevenfunctie van [eiser sub 2] als bestuurslid van de PvdA, buiten aanwezigheid van [eiser sub 2].

- Bij email van 14 september 2005 heeft de voorzitter van de RvT aan [eiser sub 2] medegedeeld dat zijn lidmaatschap volgens Dudok is beëindigd, dat hij niet is verschenen op de vergadering van de dag daarvoor, dat hij wordt verzocht met de RvT van gedachten te wisselen en dat de RvT het standpunt van Dudok niet naast zich kan neerleggen.

- Bij email van 15 september 2005 heeft [eiser sub 2] laten weten het niet eens te zijn met het standpunt van Dudok.

- Op 10 oktober 2005 heeft de RvT besloten het ontslag van [eiser sub 2] te bekrachtigen, hetgeen bij brief van 13 oktober 2005 aan [eiser sub 2] is bevestigd.

- Bij brief van 16 november 2005 heeft [eiser sub 2] bezwaren geuit tegen dit ontslag.

- Bij brief van 29 november 2005 heeft de RvT daarop een reactie gegeven.

De vordering

2. Eisers vorderen, zakelijk weergegeven, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het ontslag van [eiser sub 2] als niet rechtsgeldig c.q. onrechtmatig te achten en HBS te bevelen [eiser sub 2] weder te werk te stellen in zijn functie als lid van de RvT, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. de gepasseerde akte van statutenwijziging te vernietigen dan wel onrechtmatig te achten voor wat betreft de bindende voordracht voor de leden van de RvT c.q. Raad van Commissarissen, althans HBS te bevelen de artikelen 14 en 15 van de oude statuten op te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

3. HBS te bevelen de Bewonersvereniging schriftelijk op de hoogte te stellen van de vacatures en haar in staat te stellen nieuwe leden van de RvT voor te kunnen dragen.

4. HBS te veroordelen in de kosten van dit geding.

3. Eisers stellen daartoe dat het ontslag van [eiser sub 2] onrechtmatig is, nu er geen deugdelijke grond is voor dit ontslag en hij niet is gehoord op het voornemen daartoe. De door de RvT verleende goedkeuring van de statutenwijziging is gelet hierop eveneens onrechtmatig. Volgens eisers had [eiser sub 2] opgeroepen moeten worden voor de vergadering waarin is beslist over statutenwijziging en heeft de RvT – door dat na te laten – in strijd met een interne regeling niet unaniem een beslissing genomen over de statutenwijziging. Volgens eisers is [eiser sub 2] ontslagen om daarmee de weg vrij te maken voor wijziging van de statuten. Eisers stellen voorts dat de Bewonersvereniging in 1998 slechts akkoord is gegaan met omzetting in een stichting onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de RvT door de Bewonersvereniging bindend kan worden voorgedragen. Eisers stellen dat de wijziging van de statuten in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, nu de zeggenschap van de Bewonersvereniging daardoor feitelijk wordt gereduceerd tot nihil en zij dit gevolg niet hadden voorzien. Eisers stellen daarnaast dat HBS zich niet houdt aan de statuten door na te laten melding te maken van vacatures binnen de RvT. Eisers stellen tot slot een spoedeisend belang te hebben nu er een vacature is voor functie van voorzitter en de Bewonersvereniging daarvoor een voordracht wil doen.

Het verweer

4. HBS betwist vooreerst het spoedeisend belang van eisers bij hun vordering. HBS stelt voorts dat zij naar aanleiding van het visitatierapport een verdere professionalisering wenst door te voeren, waarbij de RvT meer op afstand zal toezien op het beleid van de directie, één en ander in overeenstemming met de wet, het BBSH en de reflexwerking van de Code Tabaksblat. Op basis van de bevindingen van Dudok is een rechtsgeldig besluit genomen tot wijziging van de statuten en is het (automatische) ontslag van [eiser sub 2] wegens belangenverstrengeling bekrachtigd. Volgens HBS is het lidmaatschap van [eiser sub 2] automatisch beëindigd door het aanvaarden van een bestuursfunctie bij de lokale afdeling van de PvdA. HBS stelt dat zij – onder meer door het vragen van een second opinion inzake het ontslag – zorgvuldig heeft gehandeld en dat zij de belangen van de Bewonersvereniging daarbij in ogenschouw heeft genomen.

Oordeel voorzieningenrechter

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij hun vordering. Niet in geschil is dat de vacature van voorzitter van de Raad van Commissarissen vacant is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Bewonersvereniging, nu haar vordering het recht op een bindende voordracht voor deze functie betreft en HBS heeft gesteld dat deze vacature door middel van coöptatie zal worden ingevuld, een spoedeisend belang.

a. Ontslag [eiser sub 2]

6. Eisers hebben aangevoerd dat het ontslag van [eiser sub 2] onrechtmatig is. HBS heeft gesteld dat het (automatische) ontslag feitelijk reeds tijdens de vergadering van 13 en 28 september 2005 werd vastgesteld en dat het ontslagbesluit in de vergadering van 10 oktober 2005 is bekrachtigd. Op dat moment waren de statuten zoals gewijzigd bij notariële akte van 31 juli 2003 van toepassing. Artikel 17 lid 1 van die statuten bepaalt dat een lid van de RvT kan worden ontslagen door de RvT wegens verwaarlozing van zijn taak of wegens andere gewichtige redenen op grond waarvan zijn handhaving als lid van de RvT redelijkerwijs niet van de RvT kan worden verlangd. Lid 2 bepaalt dat het besluit niet wordt genomen dan nadat het lid vooraf de gelegenheid is geboden om te worden gehoord, waarbij hij zich kan laten bijstaan door een adviseur. Van een automatisch ontslag kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake zijn. Op grond van de statuten is een besluit door de RvT vereist. De voorzieningenrechter gaat er in het kader van dit geding vanuit dat het ontslagbesluit door de RvT is genomen op 10 oktober 2005.

7. HBS heeft als ontslaggrond aangevoerd dat [eiser sub 2] door zijn nevenfunctie van lid van het bestuur van de PvdA, afdeling Hengelo (O) in ieder geval de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn. Voorts heeft [eiser sub 2] volgens HBS geen melding gemaakt van zijn lidmaatschap. [eiser sub 2] betwist deze stelling. Volgens [eiser sub 2] is hij al drie jaar lid van het bestuur en was de voltallige RvT hiervan op de hoogte. Afgezien van de vraag of [eiser sub 2] de RvT al dan niet op de hoogte heeft gesteld van zijn nevenfunctie – waarbij de voorzieningenrechter overigens opmerkt het zeer aannemelijk te achten dat de RvT op de hoogte is gesteld, te meer nu HBS erkent dat in ieder geval enkele leden op de hoogte waren – is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een gewichtige reden op grond waarvan [eiser sub 2] niet langer lid kan zijn van de RvT. HBS beroept zich op artikel 16 lid 1 onder g van de statuten. Dit artikel bepaalt dat een persoon die deel uitmaakt van een orgaan van een organisatie die zich ten doel heeft gesteld de belangen van gemeenten of provincies te behartigen, geen lid kan zijn van de RvT. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter behartigt het bestuur van een politieke partij de belangen van de kiezers, niet die van de gemeente. Het lidmaatschap van een dergelijk bestuur levert derhalve geen belangverstrengeling op. Dat [eiser sub 2] zich in die functie actief bezig hield met de nota Volkshuisvesting maakt dat oordeel niet anders. Eerst indien [eiser sub 2] gekozen zou worden tot gemeenteraadslid, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van onverenigbaarheid van functies als bedoeld in artikel 16 lid 1 onder g van de statuten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de door HBS aangevoerde ontslaggrond derhalve ondeugdelijk.

8. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het ontslagbesluit van de RvT niet conform de statutaire vereisten tot stand is gekomen. Uit de door HBS overgelegde notulen blijkt dat de onverenigbaarheid van functies door Dudok is aangekaart tijdens de vergadering van 7 september 2005. Niet betwist door HBS is de stelling van eisers dat dit onderwerp niet op de agenda voor die vergadering stond en dat [eiser sub 2] bij de bespreking hiervan niet aanwezig was. HBS stelt dat de heer [naam voorzitter RvT] [eiser sub 2] op 8 september 2005 hierover telefonisch heeft gehoord, hetgeen door [eiser sub 2] is betwist. Afgezien van de vraag of dit al dan niet is geschied vereist artikel 17 lid 2 van de statuten dat een ontslagbesluit niet wordt genomen dan nadat het betreffende lid in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, waarbij hij zich kan laten bijstaan door een adviseur. Het door de [naam voorzitter RvT] gestelde verhoor via de telefoon – zo dit al heeft plaatsgevonden – voldoet naar het voorlopig oordeel van voorzieningenrechter niet aan het vereiste gesteld in artikel 17 lid 2. HBS heeft voorts gesteld dat zij [eiser sub 2] heeft uitgenodigd voor de vergadering van 13 september 2005 waarin de ontstane situatie zou worden besproken. Uit de overgelegde email d.d. 14 september 2005 van de heer [naam voorzitter RvT] aan [eiser sub 2] blijkt dat hij [eiser sub 2] verzocht heeft om contact om te nemen voorafgaand aan de vergadering van 13 september 2005, waarin de RvT de ontstane situatie hadden willen bespreken met [eiser sub 2]. Hieruit blijkt echter niet dat de RvT [eiser sub 2] heeft uitgenodigd om te worden gehoord over het voorgenomen ontslagbesluit waarbij hem is medegedeeld dat hij zich zou kunnen laten bijstaan door een adviseur. Vervolgens heeft de RvT – in de vakantie van [eiser sub 2] – het ontslagbesluit genomen.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het ontslagbesluit - zowel wat de wijze van totstandkoming daarvan als wat betreft de ontslaggrond – in strijd met de statutaire bepalingen en derhalve onrechtmatig. HBS heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op een volstrekt ontoelaatbare wijze ontdaan van [eiser sub 2], die zich maar liefst zesentwintig jaar heeft ingezet voor HBS en haar voorgangers. Desondanks kan de vordering van eisers als geformuleerd onder I van de dagvaarding niet worden toegewezen. Deze vordering om het ontslag van [eiser sub 2] als niet rechtsgeldig c.q. onrechtmatig te achten behelst feitelijk een vordering tot een verklaring voor recht. Toewijzing van deze vordering zou een declaratoir vonnis opleveren, hetgeen in kort geding niet mogelijk is. [eiser sub 2] zal een bodemprocedure aanhangig moeten maken om een verklaring voor recht te verkrijgen eventueel – zo er sprake moet zijn van geleden dan wel te lijden schade – aangevuld met een vordering tot schadevergoeding. Eisers vorderen daarnaast [eiser sub 2] weder te werk te stellen in zijn functie als lid van de RvT. In de bij notariële akte van 21 december 2005 gewijzigde statuten is de RvT vervangen door een Raad van Commissarissen. Aangezien de RvT niet meer bestaat, kan ook deze vordering van eisers niet worden toegewezen.

b. Statutenwijziging

10. Eisers hebben gesteld dat HBS in strijd met artikel 33 van de toenmalige statuten en met een interne regeling inhoudende dat besluiten die grote gevolgen kunnen hebben voor HBS unaniem dienen te worden genomen, heeft gehandeld, waardoor het besluit tot wijziging van de statuten onrechtmatig en vernietigbaar is. Volgens eisers was [eiser sub 2] door het onrechtmatig ontslag nog formeel lid van de vergadering en had hij opgeroepen moeten worden door een voltallige RvT. Het door eisers aangehaalde artikel 33 van de statuten ziet echter op het bestuursbesluit tot statutenwijziging. Niet betwist is dat er een rechtsgeldig bestuursbesluit aan de statutenwijziging ten grondslag ligt, zodat daarvan in dit geding dient te worden uitgegaan. Vervolgens is aan de orde de vraag of de RvT rechtsgeldig goedkeuring heeft verleend aan het bestuursbesluit. HBS heeft gesteld dat op het moment dat de RvT het besluit tot goedkeuring nam – in de vergadering van 28 september 2005 – [eiser sub 2] al uit zijn functie was ontheven, waardoor hij niet gerechtigd was om te stemmen over de statutenwijziging. Het besluit is – daarvan uitgaande – volgens HBS unaniem genomen.

Zoals reeds overwogen is het ontslagbesluit door de RvT eerst genomen op 10 oktober 2005 en is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat dit ontslag als onrechtmatig moet worden aangemerkt. In het kader van deze procedure dient er derhalve vanuit te worden gegaan dat [eiser sub 2] in ieder geval op het moment dat de RvT het goedkeuringsbesluit nam, nog lid was van de RvT.

11. Artikel 25 van de destijds vigerende statuten vermeldt in lid 1 dat alle besluiten worden genomen met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen, hetgeen volgens de voorzieningenrechter inhoudt de helft plus één. Gelet op de onbetwiste stelling van HBS dat de overige vier leden van de RvT voor goedkeuring van het bestuursbesluit hebben gestemd, is aan dit vereiste voldaan. Voorts is voldaan aan het in artikel 13 lid 1 vermelde quorum nu ten minste de helft van het totaal aantal leden van de RvT aanwezig is geweest. Eisers hebben niet gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor oproeping als vermeld in artikel 23 lid 2 van de statuten. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat uit de overgelegde notulen van de vergadering van 28 september 2005 (productie 10 van HBS) blijkt dat [eiser sub 2] met kennisgeving afwezig was en dus in ieder geval op de hoogte was van de vergadering. Voorts is de Bewonersvereniging in de gelegenheid gesteld zich conform artikel 27 lid 2 uit te spreken over het voornemen tot statutenwijziging. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het goedkeuringsbesluit van de RvT derhalve aan de in de statuten opgenomen bepalingen daaromtrent.

12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers hun stelling dat de RvT de interne regel hanteerde dat belangrijke besluiten unaniem genomen moeten worden – welke stelling door HBS is betwist – onvoldoende aannemelijk gemaakt.

13. Eisers hebben voorts aangevoerd dat het besluit van HBS tot statutenwijziging waarin haar rechten op een bindende voordracht worden beperkt, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, gelet op de toezegging die de directie van de HBV bij gelegenheid van de omzetting van HBV in HBS in 1998 heeft gedaan. Eisers stellen dat het recht om de meerderheid van de RvT bindend voor te dragen een uitdrukkelijke voorwaarde is geweest voor omzetting van de vereniging naar een stichting. Voorts stellen eisers dat deze bepaling niet aan verdere professionalisering in de weg staat.

HBS heeft aangevoerd dat het beperken van het recht van de Bewonersvereniging geen doel op zich was, maar een middel om te komen tot het verdere professionaliseren en slagvaardiger maken van de organisatie en het actuele toezicht zodat het voldoet aan de wet, het BBSH en de huidige inzichten op het gebied van corporate governance.

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bewonersverenging nog wel enige inbreng heeft, nu in de huidige statuten is bepaald dat zij twee leden van de Raad van Commissarissen bindend voordraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had de Bewonersvereniging – door bij de gelegenheid van omzetting naar een stichting akkoord te gaan met de in de nieuwe statuten vermelde procedure voor wijziging van de statuten – er rekening mee moeten houden dat zij na verloop van tijd geconfronteerd kon worden met een wijziging van de statuten die ziet op haar recht tot bindende voordrachten. Voorts is naar het voorlopig oordeel gehandeld conform de in de statuten vermelde wijzigingsprocedure, zoals die gold tot 21 december 2005. De volstrekte meerderheid van de RvT is akkoord gegaan met wijziging van de statuten. Daarnaast is de Bewonersvereniging in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het voornemen tot wijziging. HBS heeft voorts onder meer door overlegging van het visitatierapport en passages uit het rapport van Dudok voldoende onderbouwd dat haar belang in wijziging van de statuten niet is gelegen in het reduceren van de invloed van de Bewonersvereniging, maar dat dit wel als middel wordt aangegrepen om tot haar einddoel te komen, zijnde het verder professionaliseren en slagvaardiger maken van haar organisatie. De voorzieningenrechter acht dit een voldoende zwaarwegend belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft HBS derhalve niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid gehandeld als bedoeld in artikel 2:8 Burgerlijk Wetboek.

15. Op grond van het bovenstaande dient de vordering onder 2 van de dagvaarding te worden afgewezen, waarbij de voorzieningenrechter overigens nog opmerkt dat toewijzing van deze vordering zou leiden tot een constitutief vonnis, hetgeen in kort geding niet mogelijk is.

c. Bevel medewerking

16. Eisers hebben gevorderd HBS te veroordelen de Bewonersvereniging schriftelijk op de hoogte te stellen van de vacatures binnen de RvT en haar daarbij tevens in staat te stellen nieuwe leden van de RvT voor te kunnen dragen. Eisers hebben daartoe gesteld dat het bestuur van HBS zich niet aan artikel 15 lid 4 van de (oude) statuten houdt, door niet uit eigen beweging mede te delen dat er een vacature was voor de functie van [eiser sub 2]. HBS stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk de Bewonersvereniging in kennis stelt indien een vacature ontstaat vanwege het vertrek van een door de Bewonersverenging benoemd lid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Bewonersverenging onvoldoende aannemelijk gemaakt dat HBS haar niet op de hoogte stelt van vacatures binnen de Raad van Commissarissen waarvoor zij een bindende voordracht kan doen. Uit de door de Bewonersvereniging overgelegde brieven van 3 november 2005 (productie 10 bij de dagvaarding) en 23 november 2005 (productie 8 bij de dagvaarding) kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid hoe de gang van zaken is geweest met betrekking tot de wijze waarop de Bewonersvereniging kennis heeft genomen van de vacature van [eiser sub 2].

17. Resumerend komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de vorderingen van eisers dienen te worden afgewezen.

d. Kostenveroordeling

18. Ofschoon gelet op het vooroverwogene de vorderingen van eisers niet kunnen worden toegewezen, wordt HBS in de kosten veroordeeld, nu zij door haar als onzorgvuldig te bestempelen wijze van handelen met betrekking tot het ontslag van [eiser sub 2], eisers geen andere keuze liet dan HBS in rechte te betrekken.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen af.

II. Veroordeelt HBS in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op € 328,87 aan verschotten en € 816,= aan salaris van de procureur.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Inden, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2006, in tegenwoordigheid van mr. Dallinga, griffier.