Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2006:AV0531

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
76055 / KG ZA 06-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijk verbod tot executie van onderhoudsbijdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 76055 / KG ZA 06-26

datum vonnis: 23 januari 2006 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

De man,

wonende te Enschede,

eiser,

verder te noemen De man,

procureur: mr. W.H. Kesler,

tegen

De vrouw,

wonende te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen De vrouw,

procureur: mr. A. Gerards.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 17 januari 2006. Ter zitting zijn verschenen: De man, vergezeld door mr. Dekker in de plaats van mr. Kesler en De vrouw vergezeld door mr. Gerards. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 17 december 2003 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 28 december 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede. Onderdeel van voornoemde beschikking is een door partijen gesloten echtscheidingsconvenant. In dit echtscheidingsconvenant is onder meer bepaald dat De man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te leveren van € 200,= per kind per maand en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van De vrouw van € 2.639,37 per maand. In artikel 2 van het echtscheidingsconvenant is omtrent de onderhoudsbijdragen nog het volgende bepaald:

2.1 Het in de artikelen 1 en 2 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald, waaronder begrepen het geval dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate (eventueel: met ten minste 25% ten opzichte van € 132.000,00 of het inkomen van de man voor de betreffende vermindering) zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen.

De man heeft voornoemde bedragen tot november 2005 aan De vrouw voldaan.

Op 3 juli 2005 is de dienstbetrekking tussen De man en [Vorige werkgever] beëindigd, waarbij aan De man een ontslagvergoeding van € 144.000,= is toegekend. Dit ontslag is niet verwijtbaar. Het inkomen van De man is hierdoor substantieel gedaald. De man heeft inmiddels met een drietal zakenpartners een onderneming genaamd [Onderneming] opgericht.

De man heeft op 27 december 2005 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot wijziging van partneralimentatie, waarbij zijn uitgangspunt is dat hij in staat moet worden geacht om voor de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 met € 1.195,70 bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van De vrouw.

De vrouw heeft ter verkrijging van de haar toekomende onderhoudsbijdragen een deurwaarder ingeschakeld en op 28 december 2005 de beschikking van deze rechtbank d.d. 17 december 2003 aan De man doen betekenen, met sommatie aan De man om een bedrag van € 2.554,94 te voldoen. De deurwaarder heeft vervolgens op 9 januari 2006 aangekondigd dat hij op dinsdag 24 januari 2006 beslag komt leggen op de roerende zaken van De man.

2. Bij dagvaarding vordert De man om De vrouw de executie van de beschikking van deze rechtbank d.d. 17 december 2003, welke zij dreigt aan te vangen, te verbieden totdat deze rechtbank op het door De man ingediende verzoekschrift strekkende tot wijziging van de partneralimentatie heeft beslist, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag en/of overtreding van het gevorderde verbod en met veroordeling van De vrouw in de kosten van deze procedure.

3. De man stelt daartoe dat hij thans niet in staat kan worden geacht om de vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van De vrouw te voldoen. Hij heeft de vastgestelde onderhoudsbijdragen voldaan tot november 2005.

Doordat de dienstbetrekking van De man per 1 juli 2005 is beëindigd, heeft hij (samen met een aantal zakenpartners) een bedrijf opgericht teneinde financieel gezien weer op het niveau van zijn dienstbetrekking bij [Vorige werkgever] te komen. Dit is ook in het belang van De vrouw. Omdat het bedrijf zich thans in de opstartfase bevindt, is het voor de bestuurders c.q. aandeelhouders niet mogelijk om zichzelf een salaris uit te keren. Het zoeken van een dienstbetrekking in loondienst is volgens De man geen optie, omdat het in Nederland haast onmogelijk is een dienstbetrekking te vinden, gelijkwaardig (financieel gezien) aan de dienstbetrekking zoals De man deze had bij [Vorige werkgever]. In het buitenland bestaat deze mogelijkheid wel, maar De man wil met het oog op de kinderen niet naar het buitenland vertrekken.

De man stelt voorts dat hij, na beëindiging van de dienstbetrekking met [Vorige werkgever], getracht heeft overleg te voeren met De vrouw over de onderhoudsbijdragen. De man heeft De vrouw verschillende voorstellen gedaan, maar zij is op geen enkel voorstel ingegaan.

De man stelt dat hij in staat geacht moet worden om voor de periode van één jaar een bedrag van € 1.195,70 te voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van De vrouw. De man baseert dit bedrag op (een gedeelte van) de ontslagvergoeding, welke hij heeft ontvangen van [Vorige werkgever].

De man heeft namelijk kosten moeten maken in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking en het opstarten van zijn nieuwe onderneming, waarna een bedrag van € 77.280,= is overgebleven dat over de periode 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 als inkomen kan worden beschouwd. Omdat De man over de maanden juli, augustus, september en oktober de vastgestelde onderhoudsbijdragen heeft voldaan, dient er volgens hem een verrekening plaats te vinden in dier voege dat de onderhoudsbijdrage ten behoeve van De vrouw vanaf

november 2005 tot juli 2006 € 457,15 zal bedragen. De betalingsachterstand met betrekking tot de onderhoudsbijdragen voor De vrouw bedraagt thans derhalve € 1.481,50.

Tenslotte stelt De man dat hij, gelet op de aangekondigde beslaglegging, een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening als gevorderd. Bovendien dreigt door de aangekondigde executiemaatregelen de ontslagvergoeding van De man voortijdig te verdampen, terwijl hij deze vergoeding ook voor zijn eigen levensonderhoud dient aan te wenden.

4. De vrouw voert verweer tegen de vordering van De man en stelt daartoe het navolgende.

De vrouw betwist dat De man op dit moment ten aanzien van de door haar te ontvangen onderhoudsbijdragen een betalingsachterstand van € 1.481,50 heeft. De man verrekent ten onrechte de (volgens hem) te veel betaalde onderhoudsbijdragen met de thans nog verschuldigde onderhoudsbijdragen. Feitelijk voldoet hij dus € 457,15 per maand aan De vrouw en is de achterstand gelet op de vastgestelde onderhoudsbijdragen vele malen hoger. Voorts is het niet aan De man om eigenhandig en in weerwil van de beschikking

d.d. 17 december 2003, te handelen op de hiervoor beschreven wijze. De vrouw verwijst hiertoe naar artikel 2 van het echtscheidingsconvenant. Op basis van dat artikel kan niet zonder meer worden afgeleid dat een wijziging van de onderhoudsbijdragen ook kan worden ingevoerd zonder daaraan ten grondslag liggende, rechterlijke uitspraak. Bovendien is het volgens De vrouw zeer de vraag of de rechtbank in de thans aanhangig gemaakte verzoekschriftprocedure het verzoek van De man zal toewijzen. Deze inschatting is overigens in deze procedure niet aan de orde.

De man had ook kunnen solliciteren naar een dienstbetrekking in loondienst. Dat hij dit niet heeft gedaan, staat hem vrij maar dit kan volgens De vrouw niet ten laste worden gebracht van de draagkrachtruimte van De man.

De vrouw stelt voorts dat zij recht en belang heeft bij het laten leggen van executoriaal beslag. en onderbouwt dit door bankafschriften over te leggen waaruit haar behoefte zou blijken, gelet op haar maandlasten. De man dient de onderhoudsbijdragen te voldoen en dient niet vooruit te lopen op de door hem ingeschatte uitkomst van een verzoekschriftprocedure tot wijziging van de partneralimentatie.

De vrouw concludeert dan ook tot afwijzing van de vordering.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Gelet op het in gang gezette (executoriale) beslag heeft De man naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening als gevorderd. De vrouw heeft het door De man gestelde spoedeisend belang overigens ook niet betwist.

5.1 Daarom komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Gelet op het karakter van de onderhavige procedure kan de voorzieningenrechter ook een voorlopig oordeel geven over het resultaat van een bodemprocedure, voor zover dit voor de beoordeling van de zaak nodig is.

5.2 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft De man voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen sinds juli 2005 dermate is gedaald, dat De man hierdoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gehouden kan worden aan het niet-wijzigingsbeding, zoals dit is opgenomen in artikel 2 van het echtscheidingsconvenant.

De man heeft immers becijferd dat zijn inkomsten over de periode juli 2005 tot juli 2006 het bedrag van € 77.280,= belopen, zijnde de door hem ontvangen ontslagvergoeding

van € 144.000,= minus door De man gemaakte kosten in verband met de beëindiging van zijn dienstverband en het opstarten van zijn nieuwe onderneming. Laatstgenoemde omstandigheid kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts niet aan De man worden tegengeworpen, zoals De vrouw betoogt.

5.3 Het is voldoende aannemelijk geworden dat een gelijkwaardige dienstbetrekking in loondienst – mede gelet op het huidige klimaat op de arbeidsmarkt – voor De man moeilijk te vinden is. Bovendien plukt De vrouw – op het moment dat De man winst uit zijn onderneming genereert – hier weer de vruchten van, terwijl zij met een lagere onderhoudsbijdrage genoegen dient te nemen op het moment De man een dienstbetrekking in loondienst aanvaardt, met substantieel lagere financiële arbeidsvoorwaarden.

Het aanbod van De man om in de periode juli 2005 tot juli 2006 aan De vrouw een onderhoudsbijdrage van € 1.195,70 te voldoen komt de voorzieningenrechter voorshands dan ook redelijk voor. De man kan zich echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet beroepen op verrekening van de volgens hem tot november 2005 teveel betaalde onderhoudsbijdragen aan De vrouw.

5.4 Aannemelijk is namelijk dat deze gelden aangewend zijn voor de levensbehoefte van De vrouw en derhalve ‘verdampt’ zijn, maar wat belangrijker is: De man had naar het oordeel van de voorzieningenrechter op een eerder tijdstip een verzoek in kunnen en moeten dienen, om op die manier een wijziging (lees: verlaging) van de maandelijkse onderhoudsbijdragen te bewerkstelligen. Dat De man dit niet eerder heeft gedaan, (terwijl partijen zonder resultaat in een vroeg stadium overleg hebben gevoerd) is zijn vrije keuze, maar deze omstandigheid kan hij thans niet aan de De vrouw tegenwerpen. Het gaat namelijk in dit geval niet aan om te verrekenen met reeds betaalde onderhoudsbijdragen, terwijl de ontvangster van deze onderhoudsbijdragen daarvan in overwegende mate financieel afhankelijk is en haar uitgavenpatroon daarop ook heeft afgestemd.

5.5 Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat De man niet uit eigen beweging op basis van artikel 2 van het echtscheidingsconvenant tot stopzetting althans wijziging van de door hem te betalen onderhoudsbijdragen kan en mag overgaan.

Vooruitlopend op een beslissing in de thans aanhangige verzoekschrift procedure is de voorzieningenrechter echter wel van oordeel dat artikel 2 van het echtscheidingsconvenant voorshands zo dient te worden uitgelegd, dat een eventuele wijziging (bij rechterlijke uitspraak) van de vastgestelde onderhoudsbijdrage in ieder geval dient in te gaan op het moment waarop de inkomensachteruitgang feitelijk plaatsvond. Omdat, gelijk hiervoor is overwogen, een dergelijke wijziging op voorhand voldoende aannemelijk is geworden, zal de voorzieningenrechter de vordering van De man gedeeltelijk toewijzen, in die zin dat de te executeren onderhoudsbijdragen niet meer zullen belopen dan het bedrag van € 1.195,70 als onderhoudsbijdrage voor De vrouw, respectievelijk het bedrag van € 202,20 per kind per maand als onderhoudsbijdragen voor de minderjarige kinderen van partijen. Laatstgenoemd bedrag is inclusief de tot op heden berekende indexering, zoals De man ook zelf becijfert in zijn pleitnota maar feitelijk, gelet op de door De vrouw overgelegde bankafschriften, niet voldoet terwijl hij daartoe wel verplicht is.

5.6 De gevorderde dwangsom komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor, met dien verstande dat hieraan een maximum van € 5.000,= zal worden verbonden.

5.7 Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren.

De beslissing:

De voorzieningenrechter:

I. Verbiedt De vrouw de beschikking van deze rechtbank d.d. 13 december 2003 te executeren, voor zover de te executeren onderhoudsbijdragen een bedrag van € 1.195,70 als bijdrage in het levensonderhoud van De vrouw en een bedrag van € 202,20 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen te boven gaat, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,= per dag en/of overtreding van voornoemd verbod, met een maximum van € 5.000,=.

II. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

III. Compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt.

IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Breitbarth, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.