Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU8357

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
75254 / KG ZA 05-314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gemeente Hof van Twente hoeft geen vervangende woonwagen aan te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 75254 / KG ZA 05-314

datum vonnis: 19 december 2005

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. [Eiser 1], en

2. [Eiser 2],

beiden zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

eisers,

verder ook te noemen: [Eiser],

procureur: mr. R.J. Lindeboom,

tegen

de Gemeente Hof van Twente,

zetelende te Goor,

gedaagde,

verder ook te noemen: de gemeente,

procureur: mr. J. Naber.

Het procesverloop

Eisers hebben gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 13 december 2005. Ter zitting zijn verschenen: de heer en mevrouw [Eiser], vergezeld door mr. Lindeboom en mr. Naber namens de gemeente, vergezeld door mevrouw [Mevr. A], mevrouw [Mevr. B], en mevrouw [Mevr. C]. De standpunten zijn toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast:

- op 10 juli 2002 heeft [Eiser] een huurovereenkomst gesloten met de gemeente, waarbij [Eiser] met ingang van 1 juli 2002 voor onbepaalde tijd een woonwagen en standplaats, gelegen aan de [Straatnaam] te Goor, heeft gehuurd;

- bij vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo van 13 juli 2004 is de huurovereenkomst op vordering van de gemeente ontbonden per datum vonnis, en is [Eiser] veroordeeld om voormelde woonwagen en standplaats te ontruimen;

- teneinde ontruiming te voorkomen heeft [Eiser] in kort geding een staking van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis gevorderd;

- bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 14 september 2004 zijn de vorderingen van [Eiser] afgewezen, waarna [Eiser] de woonwagen en de woonwagenstandplaats op 22 september 2004 heeft ontruimd;

- [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, van 13 juli 2004;

- op 28 september 2004 en op 8 november 2005 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente met betrekking tot de woonwagenstandplaats aan de [Straatnaam] te Goor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen;

- bij arrest van 29 november 2005 heeft het gerechtshof Arnhem, rechtdoende in hoger beroep, het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, van 13 juli 2004 vernietigd.

2. [Eiser] vordert thans, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de gemeente om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de huurovereenkomst van 10 juli 2002, in die zin dat de in de huurovereenkomst genoemde woonwagen, dan wel een andere, gelijkwaardige, woonwagen en de standplaats aan de [Straatnaam] in Goor, aangesloten op gas, water en electriciteit, aan de familie [Eiser] ter beschikking zal zijn gesteld, op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per dag, een deel van een dag daaronder begrepen, voor iedere dag dat de gemeente daarmede in gebreke blijft.

Tevens vordert [Eiser] veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

3. [Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gemeente gehouden is genoemde woonwagen en standplaats aan [Eiser] ter beschikking te stellen, en dat [Eiser] op zijn beurt gehouden is de huur te voldoen.

[Eiser] voert daartoe aan dat nu het gerechtshof Arnhem bij arrest van 29 november 2005 het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, heeft vernietigd, de huurovereenkomst, op 10 juli 2002 tussen [Eiser] en de gemeente gesloten, in stand is gebleven.

[Eiser] heeft er een spoedeisend belang bij dat de woonwagen en de standplaats weer door de gemeente aan de familie ter beschikking worden gesteld. De familie [Eiser] heeft sinds 22 september 2004 een zwervend bestaan geleid, hetgeen een zware wissel heeft getrokken op [Eiser] en de vier kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft [Eiser] laten weten dat het feit dat de familie [Eiser] niet over een vaste woon- of verblijfplaats kan beschikken, nadelig is voor de ontwikkeling van de kinderen en overweegt in dat verband een uithuisplaatsing van de kinderen, aldus [Eiser].

4. De gemeente voert aan dat zij na de ontruiming op 22 september 2004 de bestrating van de standplaats heeft verwijderd, evenals de gas-, electriciteits- en waterleidingen alsmede het riool. Voorts stelt zij dat -op basis van het gemeentelijk beleid om woonwagenstandplaatsen op te heffen- een voorbereidingsbesluit is genomen tot wijziging van het bestemmingsplan, zodat geen bouwvergunning meer kan worden verleend voor het opnieuw aanleggen van een woonwagenlocatie aan de [Straatnaam] te Goor.

Aldus verkeert de gemeente, zo wordt gesteld, feitelijk en juridisch in de onmogelijkheid om de huurovereenkomst na te komen en het gehuurde ter beschikking te stellen, aangezien het huurobject niet meer bestaat, en de woonwagenstandplaats er ook niet meer is.

Volgens de gemeente heeft [Eiser] ook geen belang bij herstel van de oude situatie, gelet op de incidenten in het verleden en het feit dat het gezin inmiddels zes personen telt, terwijl bovendien door de terugkeer van [Eiser] de belangen van andere burgers, voor wie de gemeente verantwoordelijk is, ernstig worden geschaad.

Tot slot verklaart de gemeente bereid te zijn de door [Eiser] geleden schade te vergoeden en te bemiddelen bij het verkrijgen van andere huisvesting voor [Eiser].

5. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan hetgeen de gemeente naar voren heeft gebracht over de overlast die [Eiser] en zijn familie heeft veroorzaakt. In zijn arrest van

29 november 2005 heeft het Gerechtshof te Arnhem geoordeeld dat de bewezen door [Eiser], dan wel personen voor de gedragingen van wie [Eiser] mogelijk aansprakelijk is, veroorzaakte overlast samen met de misdraging van mevrouw [Eiser] jegens mevrouw [Mevr. A], niet een dusdanige schending van artikel 7:213 BW, eventueel gelezen in verband met artikel 7:219 BW, oplevert dat moet worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen rechtvaardigt. Voorzover de gemeente beoogt in dit kort geding een vervolg te geven aan het tussen partijen gevoerde debat over de ernst en de gevolgen van de overlast, is zij niet aan het juiste adres. De voorzieningenrechter zal niet treden in het oordeel van het gerechtshof over bovengenoemde kant van de zaak.

6. Het verweer van de gemeente dat herstel van de oude situatie feitelijk onmogelijk is treft geen doel. De gemeente heeft aangevoerd dat de standplaats is ontmanteld: de bestrating is verwijderd evenals de aansluiting op het riool en de aansluitingen voor gas, water en electriciteit. Niet goed valt in te zien dat het niet mogelijk zou zijn die voorzieningen feitelijk te herstellen.

7. De gemeente heeft echter aangevoerd dat voor het opnieuw aanbrengen van voornoemde voorzieningen en het opnieuw in gebruik nemen van de standplaats een bouwvergunning vereist is. [Eiser] heeft dat niet weersproken en de voorzieningenrechter acht voorshands aannemelijk dat inderdaad een bouwvergunning vereist is. De omstandigheid dat de raad met betrekking tot het betreffende perceel een voorbereidingsbesluit heeft genomen brengt mee, dat de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning zal moeten worden aangehouden omdat er voordat de aanvraag is ingediend een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking is getreden. [Eiser] heeft aangevoerd dat het voorbereidingsbesluit van

28 september 2004 is vervallen en dat het voorbereidingsbesluit van 8 november 2005 een niet-toegestane verkapte verlenging ervan is. [Eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het voorbereidingsbesluit. De voorzieningenrechter kan op de mogelijke uitkomst van die bezwaar- en beroepsprocedure niet vooruitlopen. Wel stelt de voorzieningenrechter vast dat de gemeente op 8 november 2005 een voorbereidingsbesluit heeft genomen en dat het voorbereidingsbesluit op dit moment aan de afgifte van een bouwvergunning -en daarmee aan het opnieuw in gebruik nemen van de standplaats- in de weg staat. Dit brengt mee dat toewijzing van het gevorderde zou neerkomen op het verplichten van de gemeente om in strijd met de wet te handelen. Om die reden zal de vordering moeten worden afgewezen.

8. [Eiser] heeft aangevoerd dat het hier gaat om een weinig fraaie poging van de gemeente om langs bestuurlijke weg de uitkomst van een civiele procedure met de familie [Eiser] te frustreren en dat dergelijk gedrag niet mag worden beloond.

De gemeente heeft kort na het vertrek van [Eiser] de standplaats ontmanteld en een voorbereidingsbesluit genomen en kort voor de uitspraak van het gerechtshof een nieuw voorbereidingsbesluit genomen. Bij de omstandigheid dat de gemeente aldus zichzelf in de onmogelijkheid heeft gebracht haar contractuele verplichtingen jegens [Eiser] na te komen kunnen inderdaad vraagtekens worden geplaatst, doch dat neemt niet weg dat er op dit moment een juridische onmogelijkheid is de vordering van [Eiser] toe te wijzen.

9. In de omstandigheid dat eerst bij de mondelinge behandeling door de gemeente aan [Eiser] is uiteengezet dat een bouwvergunning vereist is en dat die bouwvergunning vanwege het voorbereidingsbesluit niet kan worden verleend, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de kosten te compenseren en wel aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst het gevorderde af.

II. Compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.