Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU7140

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-09-2005
Datum publicatie
30-11-2005
Zaaknummer
73000 JE RK 05 –685
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het dertienjarige onder toezicht van de William Schrikker Groep gestelde kind verblijft krachtens machtiging uithuisplaatsing in een orthopedagogisch behandelcentrum voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren. Het betreft een AWBZ voorziening. De leiding van de instelling pleegt met de ouders van de daar verblijvende kinderen zorgovereenkomsten in het kader van de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomsten te sluiten. Zo ook met betrekking tot dit kind. De behandeling zou kunnen inhouden dat op haar maatregelen als fixeren, afzonderen, time-out en separatie moeten worden toegepast. Het kind heeft zelf de overeenkomst voor akkoord getekend. Moeder met gezag heeft om redenen die te maken hebben met haar verweer tegen de OTS en de plaatsing en de beperkte omgangsregeling geweigerd om de haar voorgelegde overeenkomst namens het kind te tekenen. De gezinsvoogdij-instelling acht zich niet bevoegd om te tekenen. Zij verzoekt aan de kinderrechter vervangende toestemming ex artikel 1:264 BW. De instemming van het kind volstaat niet voor de instelling omdat zij vanwege haar handicap niet in staat wordt geacht haar belangen goed te kunnen waarderen en bepalen. De kinderrechter is van oordeel dat de toestemming van het kind van 13 jaar in dit geval inderdaad onvoldoende is en dat toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger of (vervangend) van hem nodig is. Voornoemde handelingen zijn volgens hem aan te merken als "medische behandelingen welke noodzakelijk zijn om een ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind af te wenden" (1:264-criterium). Ruime uitleg van 1:264 BW. GVI wordt ontvankelijk geacht en de vervangende toestemming wordt verleend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 264
Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek, enz. (geneeskundige behandelingsovereenkomst)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2006/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Kinderrechter

Zaaknummer 73000 JE RK 05 –685

Beschikking 30 september 2005 (jho)

Beschikking

van de kinderrechter in de rechtbank Almelo op het verzoek van

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Diemen aan de Dalsteindreef 69, namens Bureau Jeugdzorg Overijssel,

verzoekster, hierna ook wel de GVI te noemen, vertegenwoordigd door

de jeugdbeschermer de heer A. Leepel

welk verzoek zich richt tegen

(moeder),

wonende te [Woonplaats] aan de [Adres],

belanghebbende en verweerster, hierna ook wel de moeder te noemen,

bijgestaan door haar advocaat mr M. van der Veen,

welk verzoek betrekking heeft op de minderjarige onder toezicht van verzoekster gestelde (kind), geboren te Almelo op 15 september 1992, hierna ook wel (kind) te noemen.

Het procesverloop

1. Op 26 juli 2005 is ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van de gezinsvoogdij-instelling (GVI) strekkende tot het met spoed verlenen van vervangende toestemming voor het ondertekenen van een zorgovereenkomst met betrekking tot de thans 13 jaar oude (kind).

2. Door aan de kinderrechter toe te rekenen omstandigheden heeft mondelinge behandeling van het verzoek eerst op 21 september 2005 plaatsgevonden en wordt eerst thans beslist. Op 21 september 2005 heeft de heer Leepel namens de GVI het verzoek nader mondeling toegelicht. Hij heeft zich daarbij bediend van aantekeningen welke zich bij de stukken bevinden.

Moeder, bijgestaan door mr Van der Veen, heeft het verzoek gemotiveerd weersproken.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

1. (kind) staat al geruime tijd onder toezicht van de GVI. Het ouderlijk gezag over haar wordt door moeder uitgeoefend. De gezagsbeperkende maatregel is laatstelijk op 9 juni 2005 voor de duur van een jaar verlengd. Krachtens verleende machtiging verblijft (kind) sinds 22 februari 2005 voor dag en nacht in een voorziening van Stichting. Dreei in Hoogeveen. Het betreft ten deze een orthopedagogisch behandelcentrum voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren. Stichting Dreei is een AWBZ-voorziening. (kind) is voor verblijf en behandeling in deze instelling geïndiceerd bij besluit van het centrum indicatiestelling zorg (CIZ) van 5 januari 2005.

2. Kennelijk maakt Stichting Dreei ook voor OTS pupillen die met machtiging van de kinderrechter geplaatst zijn, in het kader van de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) gebruik van door de jeugdige van 12 jaar en ouder zelf en door de wettelijk vertegenwoordiger te tekenen zogeheten ‘zorgovereenkomsten’. Zo ook voor (kind). Uit het verzoek en de toelichting daarop van de heer Leepel wordt afgeleid dat het tekenen van een dergelijke overeenkomst in het geval van (kind) in het bijzonder gewenst wordt omdat Dreei voorziet dat voor de zeer intensieve behandeling (ZIB) van (kind) met meer dan gewone waarschijnlijkheid gebruik zal moeten worden gemaakt van bijzondere maatregelen. Die maatregelen worden genoemd in een bijlage bij de zorgovereenkomst: fixeren, afzonderen, time-out en of separeren.

3. (kind) heeft als 13 jarige de overeenkomst en de aanvulling met betrekking tot de bijzondere maatregelen zelf voor akkoord getekend. De GVI stelt zich kennelijk op het standpunt dat haar status van gezinsvoogdes niet met zich brengt dat zij als wettelijk vertegenwoordigster van (kind) kan gelden en zij acht zich daarom niet tot het medeondertekenen van de overeenkomst bevoegd. Aan moeder met gezag is meerdere malen verzocht in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster mede te onderteken. Moeder weigert zulks tot en met de zitting van 21 september 2005. Verkort zakelijk weergegeven wenst zij haar instemming niet te verlenen omdat ze het met de plaatsing van (kind) in Dreei niet eens is, ontevreden is over de omgangsregeling en, zoals uit de stukken blijkt, niet van plan is om financieel bij te dragen als zij daar in het kader van de AWBZ als ouder toe gehouden zou zijn.

4. Uit de stukken heeft de kinderrechter begrepen dat de daadwerkelijke behandeling van (kind) volgens de leiding van Dreei pas goed kan starten indien de zorgovereenkomst rechtsgeldig getekend is, zodat ook, indien nodig, de hiervoor genoemde bijzondere maatregelen kunnen worden toegepast. Nu dat nog niet is gebeurd is kennelijk een impasse ontstaan. De GVI tracht daar uit te geraken met toewijzing van het door haar gedane verzoek tot vervangende toestemming van de kinderrechter als bedoeld in artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek.

5. Het is niet aan de kinderrechter om te bepalen of Dreei al of niet terecht de eis stelt dat de zorgovereenkomst ook bij OTS en aanwezigheid van een door de kinderrechter benoemde gezinsvoogdes ondertekend moet worden door de wettelijk vertegenwoordiger (moeder), wier gezag door de maatregel is beperkt. Die eis behoort als een gegeven te worden aangenomen, evenals het feit dat volgens Dreei voor een behandeling als die welke voor (kind) geïndiceerd is een overeenkomst als bedoeld in de WGBO aanwezig behoort te zijn.

6. Naar het oordeel van de kinderrechter kan de GVI in haar verzoek worden ontvangen en behoort, inhoudelijk oordelende, het verzoek te worden toegewezen zoals hierna te melden. Voor dat oordeel is het navolgende redengevend.

7. Het kader waarin het onderhavige verzoek moet worden beslist is genoemd in artikel 1:264 van het Burgerlijk Wetboek. De tekst daarvan luidt:

Indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze toestemming op verzoek van de gezinsvoogdij-instelling worden vervangen door die van de kinderrechter.

8. (kind) is ouder dan 12 jaar en heeft zelf de overeenkomst getekend. Zoals de leiding van Dreei en de GVI terecht aangeven, is er reden om aan te nemen dat in het onderhavige geval die handtekening niet voldoende is, voorzover deze ziet op het toepassen van de middelen en maatregelen, genoemd in bijlage A van de overeenkomst. (kind) behoort tot de categorie licht verstandelijk gehandicapte kinderen en haar problematiek is kennelijk zodanig dat aangenomen moet worden dat zij niet in staat is tot een weloverwogen waardering van haar belangen, waardoor weer wel een toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger nodig zou zijn. Rechtsgeleerden hebben vastgesteld dat in een situatie als deze met betrekking tot vervanging van geweigerde toestemming zowel in de WGBO als het Burgerlijk Wetboek een lacune bestaat. Diezelfde geleerden zijn van mening dat een ruime uitleg van artikel 1:264 BW met zich brengt dat de toestemming van de volwassen vertegenwoordiger ook bij kinderen van 12 jaar en ouder kan worden vervangen door die van de kinderrechter.

9. Omdat er van moet worden uitgegaan dat de gezinsvoogdes niet de wettelijk vertegenwoordigster is en dus niet zelfstandig toestemming kan geven en mitsdien aangewezen is op de weg van artikel 1:264 BW, kan de GVI in het onderhavige geval van de 13 jarige licht verstandelijk gehandicapte (kind) in haar verzoek worden ontvangen. Voormeld artikel behoort aldus te worden begrepen dat onder ‘jonger dan twaalf jaren’ eveneens behoort te worden verstaan het OTS-kind van 12 jaar of ouder dat niet tot een weloverwogen waardering van haar belangen in staat moet worden geacht.

10. Met het verzoek wordt voorts de vraag voorgelegd of het met betrekking tot de bijzondere maatregelen gaat om ‘een medische behandeling, welke noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid te voorkomen’. De GVI stelt dat zulks het geval is. Moeder heeft er geen gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Wederom ruim interpreterend is de kinderrechter van oordeel dat fixeren, afzonderen, time out en separeren door medici te indiceren handelingen kunnen betreffen, welke nodig zijn om een behandeling in een AWBZ-gefinancierde instelling zo goed mogelijk te laten verlopen en daarmee deel uitmaken van die behandeling. Uit het verzoek en de toelichting daarop blijkt, dat voorzienbaar is dat (kind) zodanig ontremd kan raken tijdens de behandeling dat een bijzondere maatregel als bedoeld in bijlage A moet worden genomen om haar tegen zichzelf te beschermen en vorderingen in de behandeling veilig te stellen.

11. Als dat niet zou gebeuren, dan is aannemelijk dat zij haar eigen gezondheid ernstig in gevaar zou kunnen brengen. In dit verband acht de kinderrechter van belang, dat, terwijl de beoogde behandeling kennelijk nog geen aanvang heeft kunnen nemen, zich al situaties hebben voorgedaan waarin een of meer van de bijzondere maatregelen genomen moesten worden, van welke maatregelen de Dreei bij gebreke van een wettelijk kader de inspectie volksgezondheid op de hoogte heeft gesteld. Er is niet gesteld of gebleken dat de inspectie tegen het toepassen van die maatregelen bezwaar heeft gemaakt, waardoor aangenomen moet worden dat een dergelijk ingrijpen nodig was om ernstig gevaar voor de gezondheid van (kind) te voorkomen.

12. Voorzover de totale behandeling inclusief bijzondere maatregelen in Dreei als ‘medische behandeling’ kan worden aangemerkt is de bevoegdheid van de kinderrechter om te beslissen zoals verzocht daarmee gegeven. Indien die behandeling niet als ‘medisch’ zou mogen worden geduid dan acht de kinderrechter zich niettemin tot beslissen bevoegd, omdat alsdan bij gebreke van een op de situatie toepasselijke regeling in de WGBO of enig andere wet, een ruime uitleg aan artikel 1:264 BW behoort te worden gegeven met dien verstande dat onder ‘medische behandeling’ eveneens behoort te worden verstaan die behandeling waarvan de opnemende voorziening het noodzakelijk acht dat daartoe een overeenkomst als bedoeld in de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst wordt gesloten.

13. Moeder weigert haar toestemming op niet ter zake doende gronden. Medisch inhoudelijke bezwaren zijn niet, althans niet voldoende gemotiveerd aangevoerd. Haar bezwaren tegen de plaatsing zelve kan zij of had zij kunnen voorleggen aan het Gerechtshof in Arnhem in het kader van hoger beroep tegen de onlangs verleende verlenging van de machtiging tot plaatsing van (kind) in een AWBZ voorziening. Moeder’s onvrede over de omgangsregeling is evenmin relevant. Haar staan andere middelen ten dienste om daaromtrent een beslissing van (eerst) de GVI en daarna van de kinderrechter te vragen. Haar angst dat ze mogelijk financieel zal moeten bijdragen in de kosten van de opname van haar kind in de Dreei is evenmin een te honoreren bezwaar.

14. Waar moeder op onjuiste gronden haar toestemming weigert, behoort deze in het belang van de gezondheid van (kind) te worden vervangen door die van de kinderrechter. Vastgesteld behoort te worden dat moeder met haar weigering al geruime tijd een goede behandeling van (kind) in de weg heeft gestaan. Zij weigert elke medewerking aan de hulpverlening door voortdurend de strijd aan te gaan met GVI en leiding van Dreei. Zij behoort zich te beseffen dat het moment kan naderen waarop moet worden vastgesteld dat de gezagsbeperkende maatregel OTS niet langer toereikend is om de belangen van (kind) goed te kunnen dienen en dat een verderstrekkende maatregel noodzakelijk is. Zoals dat ook met haar eveneens in Dreei verblijvende dochter […] is gebeurd. Voogdij zou de William Schrikker Groep tot wettelijk vertegenwoordiger maken en alsdan zijn procedures als de onderhavige niet meer nodig en kan direct adequaat vanuit professionele verantwoordelijkheid worden beslist zonder tijdrovende tussenkomst van de rechter.

De beslissing

De kinderrechter verleent toestemming voor de noodzakelijke psychische behandeling van de minderjarige (kind), in het bijzonder voor toepassing van de hiervoor genoemde bijzondere maatregelen, en verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr J.H. Olthof, kinderrechter in de rechtbank Almelo, en is in het openbaar uitgesproken op vrijdag 30 september 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.