Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU6800

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
74643 / KG ZA 05-279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Medezeggenschapscommissie Vliegbasis Twenthe vordert in kort geding de Staat te verbieden om per 1 december 2005 een F16 Squadron van Vliegbasis Twenthe naar Vliegbasis Volkel over te plaatsen. Deze vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 74643 / KG ZA 05-279

datum vonnis: 23 november 2005 (rd)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de Medezeggenschapscommissie Vliegbasis Twenthe,

gevestigd te Enschede,

eiseres,

verder te noemen de MC,

procureur: mr. N.L.H.M. Laane,

tegen

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie),

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

verder te noemen de Staat,

advocaat: mr. D. Den Hertog.

Het procesverloop

De MC heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 14 november 2005. Ter zitting zijn verschenen: de heer [naam], voorzitter van de MC, vergezeld door mr. Laane en mr. M. Soppe, kantoorgenoot van mr. Laane, en namens de Staat de heer [naam], commandant van de Vliegbasis Twente, vergezeld door mr. Den Hertog. De standpunten zijn toegelicht.

De MC is in de gelegenheid gesteld na de behandeling ter zitting uiterlijk op 16 november 2005 te reageren op een door de Staat ter zitting overgelegde productie.

Op 16 november 2005 is een reactie van de MC ingekomen.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Feiten

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

? Het Ministerie van Defensie heeft het besluit genomen tot opheffing van de Vliegbasis Twenthe.

? Op basis van het Besluit medezeggenschap defensie (BMD) en de Regeling overlegprocedure bij reorganisaties (ROR) hebben partijen overeenstemming bereikt over een Definitief Reorganisatie Plan (DRP), vastgesteld op 26 maart 2004, welk plan uitvoering geeft aan voornoemd besluit tot sluiting van de Vliegbasis Twenthe.

? In het DRP is vastgelegd dat de sluiting van de vliegbasis Twenthe uiterlijk plaatsvindt per 31 december 2007. Het personeelsbestand van de vliegbasis Twenthe zal in drie fasen tot nul worden gereduceerd:

- Fase 1: per 1 mei 2004 werd het 315 Squadron opgeheven en werd de formatie op de vliegbasis teruggebracht tot de minimaal benodigde formatie om de resterende taken uit te voeren.

- Fase 2: per 1 december 2005 zal het 313 Squadron worden opgeheven. De vliegbasis Twenthe zal vervolgens voor de squadrons van de vliegbases Volkel en Leeuwarden opengesteld blijven; de formatie zal worden teruggebracht tot de minimaal benodigde formatie om de resterende taken uit te voeren.

- Fase 3: uiterlijk per 1 januari 2007 zal de openstelling van de vliegbasis worden beëindigd en zal de formatie teruggebracht worden tot de minimaal benodigde capaciteit om de sluiting van de vliegbasis tot stand te kunnen brengen, fase 3 eindigt uiterlijk op 31 december 2007.

? Doel van dit plan is om het formatie- en personeelsbestand van de Vliegbasis Twenthe gefaseerd af te bouwen, met behoud van werkgelegenheid bij andere delen van de krijgsmacht.

? Voorts is een reorganisatieplan MOB’s (Main Operating Bases) vastgesteld, waarin wordt aangegeven wat de gevolgen zijn voor de vliegbases Leeuwarden en Volkel van sluiting van vliegbasis Twenthe en de gelijktijdige afstoting van 29 F-16’s. Gelijktijdig met het opheffen van het 313 Squadron op Twenthe wordt op de vliegbasis Volkel een nieuw operationeel F-16 squadron opgericht. In het DRP wordt deze aangeduid als 3xx Squadron, aangezien de nieuwe naam op dat moment nog niet bekend was. April 2005 is besloten het nieuw op te richten squadron de naam van het 313 Squadron te geven.

? Op 28 juli 2005 is door de voorzieningenrechter in deze rechtbank een kort geding vonnis tussen partijen gewezen, waarin de Staat onder meer is veroordeeld om de MC de volgende, toegezegde informatie te verstrekken: een gedetailleerd plan voor de oplevering van de infrastructuur, de geluidsstudie en de tijdsplanning van 28 juli tot 1 december 2005.

? Bij brief van 19 augustus 2005 heeft de Commandant de Nota bedreigde operationele ruimte aan de MC beschikbaar gesteld.

? Bij brief van 1 september 2005 heeft de MC de Commandant verzocht nadere informatie te verschaffen.

? Bij brief van 7 september 2005 heeft de Commandant informatie verschaft.

? Op 4 oktober 2004 heeft een overlegvergadering tussen de MC en de Commandant plaatsgevonden, waarin de MC nogmaals bepaalde informatie heeft opgevraagd en is gesproken over de in het DRP gestelde voorwaarde dat het 313 Squadron eerst zal worden opgericht en gevuld vanaf de locatie Twenthe om vervolgens op vliegbasis Volkel te operationaliseren, zodra de benodigde infrastructuur en geluidsruimte is gerealiseerd.

? Bij brief van 7 oktober 2005 heeft de Commandant aan de MC een tijdsplanning verstrekt van 28 juli tot 1 december 2005.

? De MC heeft de Commandant bij brieven van 7 en 10 november 2005 verzocht en zo nodig gesommeerd niet over te gaan tot overplaatsing van het squadron voordat de benodigde infrastructuur en geluidsruimte is gerealiseerd.

? Bij brief van 9 november 2005 heeft de Commandant laten weten geen gehoor te geven aan de sommatie.

De vordering

2. De MC vordert, zakelijk weergegeven:

I. De Staat te verbieden over te gaan tot overplaatsing van personeel en materieel van het (nieuwe) 313 Squadron van de Vliegbasis Twenthe naar Vliegbasis Volkel, voordat de benodigde infrastructuur en geluidsruimte is gerealiseerd; meer in het bijzonder, voordat is gerealiseerd:

a. de MER-procedure voor de Vliegbasis Volkel, althans voordat de MER is aanvaard door de Staat;

b. de geluidszone ex artikel 25a Luchtvaartwet voor de Vliegbasis Volkel is vastgesteld en in werking is getreden;

c. de wijzigingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer voor de Vliegbasis Volkel is verleend en in werking is getreden;

d. de Risico inventarisatie en evaluatie voor de Vliegbasis Volkel is vastgesteld;

of anderszins handelingen te verrichten in strijd met het DRP d.d. 26 maart 2004.

II. De Staat te gebieden een eventuele overtreding van het verbod onmiddellijk ongedaan te maken door terugplaatsing naar de Vliegbasis Twenthe.

III. één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom,

IV. althans zodanige uitspraak te doen als de voorzieningenrechter meent dat behoort.

V. met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

2. De MC stelt daartoe dat in het DRP is bepaald dat het nieuwe squadron wordt opgericht en gevuld vanaf de locatie van de Vliegbasis Twenthe om vervolgens op de Vliegbasis Volkel te operationaliseren, onder de voorwaarde dat de benodigde infrastructuur en geluidsruimte zijn gerealiseerd. De MC stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is en dat het voornemen van de Staat het 313 Squadron desondanks per 1 december 2005 te verplaatsen onrechtmatig en in strijd met de gemaakte afspraken is. Volgens de MC is er op Vliegbasis Volkel geen conform de Luchtvaartwet vastgestelde geluidszone en laat de indicatieve geluidszone geen ruimte om daar een vierde squadron F-16’s te huisvesten. De MC stelt daarnaast dat de voor het squadron benodigde nieuwbouw niet gereed zal zijn en dat sprake zal zijn van een met de Wet Milieubeheer strijdige situatie. De MC stelt voorts dat de krachtens de Arbowet verplichte Risico inventarisatie en evalutie ontbreekt. Volgens de MC komt overplaatsing in strijd met de wet en is het voornemen van de Staat desondanks tot overplaatsing over te gaan onrechtmatig.

De MC stelt voorts dat indien de Staat het DRP wil wijzigen, zij daarvoor op grond van het bepaalde in het BMD toestemming moet hebben van de MC en zij in afwachting daarvan geen nieuwe maatregel mag uitvoeren. Voorts stelt de MC dat indien de Staat een ander besluit wil nemen, zij de adviesprocedure van artikel 27 lid 1 BMD dient te volgen.

De MC stelt tot slot dat zowel het op Twenthe achterblijvende personeel als het naar Volkel over te plaatsen personeel belang hebben bij handhaving van het 313 Squadron op Vliegbasis Twenthe.

Het verweer

3. De Staat stelt zich op het standpunt dat de MC Twenthe slechts medezeggenschap heeft indien sprake is van wijziging van omstandigheden, die gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering op Vliegbasis Twenthe. Volgens de Staat is dit niet het geval. De Staat stelt dat door het treffen van tijdelijke maatregelen is geregeld dat het 313 Squadron kan functioneren op Vliegbasis Volkel en is daarmee aan de in het DRP opgenomen voorwaarde voldaan. De Staat stelt voorts dat – mocht dit niet het geval zijn – de vordering desondanks niet kan worden toegewezen, nu het door de MC beoogde doel van behoud van werkgelegenheid en uitstel van de sluiting van de Vliegbasis Twenthe daardoor niet kan worden bereikt. De Staat stelt dat – ingeval de vordering zou worden toegewezen – wanorde zal ontstaan in de lopende reorganisatie en dat haar belang derhalve boven het door de MC gestelde belang dient te worden geplaatst.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

5. Het gestelde spoedeisende belang is niet betwist, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat – zoals ook reeds overwogen in het vonnis van 25 juli 2005 – naar zijn voorlopig oordeel de bevoegdheden van de MC op basis van het BMD niet zover strekken dat zij op andere vliegbases rechten kan doen gelden. Medezeggenschap over de geluids- en infrastructurele voorzieningen op Vliegbasis Volkel behoort naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel tot de competentie van de MC Volkel. In het DRP, dat op basis van overeenstemming tussen de Staat en de MC tot stand is gekomen, is echter bepaald dat het 313 Squadron zal worden opgericht en gevuld vanaf de locatie Twenthe om vervolgens op de Vliegbasis Volkel te operationaliseren, zodra de benodigde infrastructuur en geluidsruimte is gerealiseerd. Gelet op deze tussen partijen overgekomen voorwaarde heeft de MC naar het oordeel van de voorzieningenrechter belang bij haar vordering.

7. Centraal dit kort geding staat vervolgens de vraag hoe de in het DRP opgenomen voorwaarde dient te worden uitgelegd. De MC stelt zich op het standpunt dat eerst aan de voorwaarde dient te worden voldaan, voordat tot oprichting van het 313 Squadron op Vliegbasis Volkel kan worden overgegaan, en dat de voorwaarde inhoudt dat de benodigde geluidsruimte en infrastructuur definitief en overeenkomstig de wettelijke eisen gerealiseerd moeten zijn. De Staat stelt zich echter op het standpunt dat het opheffen van het 313 Squadron op Vliegbasis Twenthe en het oprichten van een nieuw 313 Squadron op Vliegbasis Volkel in beginsel gescheiden trajecten zijn en dat aan het bepaalde in het DRP is voldaan indien het 313 Squadron op Volkel kan operationaliseren.

8. De voorzieningenrechter overweegt vooreerst dat een kort gedingprocedure zich er niet voor leent om bindend vast te stellen hoe de in het DRP opgenomen voorwaarde dient te worden uitgelegd. Hierbij is een taalkundige uitleg immers niet voldoende. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de voorwaarde mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang wat bij de totstandkoming van het DRP is besproken. De MC heeft enkel gesteld dat de bewuste voorwaarde in het concept DRP niet was opgenomen en dat deze op verzoek van de MC alsnog is toegevoegd. De Staat heeft gesteld dat in deze fase niet in detail is gesproken over hetgeen op de Vliegbasis Volkel gerealiseerd zou moeten zijn. Om de gang van zaken bij de totstandkoming van het DRP vast te stellen is bewijslevering nodig, waardoor deze procedure geen ruimte biedt. De voorzieningenrechter zal zich in het kader van deze procedure beperken tot een voorlopige uitleg van de voorwaarde, aan de hand van de tekst van de bepaling.

9. De bewuste passage in het DRP luidt als volgt:

“Het tijdspad waarlangs de gefaseerde afbouw van Vliegbasis Twenthe verloopt heeft een relatie met het tijdspad voor de implementatie van het DRP, MOB’s, in die zin dat het tijdstip van opheffing van het tweede F-16 Squadron op Vliegbasis Twenthe gekoppeld wordt aan het tijdstip van oprichting van het 3*** (lees 313) F-16 Squadron op Vliegbasis Volkel en de uitbreiding van de onderhoudsorganisatie op beide overige MOB’s (ref F). Op deze wijze wordt de continuering van F-16 operaties in de Klu geborgd. Daarnaast zal het 3xx (lees 313) squadron worden opgericht en gevuld vanaf de locatie Twenthe om vervolgens op Vliegbasis Volkel te operationaliseren zodra de benodigde infrastructuur en geluidsruimte is gerealiseerd”.

10. Voorlopige uitleg van de voorwaarde, zo deze al mocht worden begrepen als conditio sine quo non voor overplaatsing van het 313 Squadron per 1 december 2005, lijkt erop duiden dat niet vereist is dat de benodigde geluidsruimte en infrastructuur definitief gerealiseerd moeten zijn. De bewuste passage in het DRP vermeldt dat het 313 Squadron gevuld wordt, hetgeen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een opbouwende, trapsgewijze situatie impliceert. Hiermee verhoudt zich het nemen van tijdelijke maatregelen, in die zin dat in ieder geval gevlogen kan worden op Vliegbasis Volkel.

11. Vervolgens staat ter beoordeling of dat het geval is. De MC heeft aan hand van een aantal punten gesteld dat de benodigde geluidsruimte en infrastructuur niet zijn gerealiseerd, zodat het 313 Squadron op Vliegbasis Volkel niet operationeel kan zijn per 1 december 2005. De Staat heeft deze stellingen betwist. De afzonderlijke door de MC aangehaalde onderdelen zullen in het hierna volgende worden besproken.

Benodigde geluidsruimte

a. Luchtvaartwet.

12. De MC heeft gesteld dat voor de Vliegbasis Volkel niet is voorzien in een geluidszone als bedoeld in artikel 25a Luchtvaartwet. De MC stelt dat de wettelijke verplichting om een geluidszone vast te stellen al geldt sinds 1978. De MC stelt dat de Staat dan wel een indicatieve geluidszone heeft vastgesteld, maar dat deze geen juridische status heeft en daarnaast geen ruimte biedt voor een vierde F16 squadron. De MC stelt daarnaast dat de MER-procedure niet is afgerond en de Staat, zolang er nog geen MER is, geen geluidszone als bedoeld in artikel 25a Luchtvaartwet kan vaststellen. De MC haalt een aantal uitspraken van de bestuursrechter aan waaruit volgens haar blijkt dat het door de Staat gevoerde interimbeleid gebaseerd op de Structuurschema’s Militaire Terreinen 1 en 2 juridische grondslag ontbeert. De MC stelt voorts dat het Structuurschema Militaire Terreinen-2 nog niet in werking is getreden.

13. De Staat heeft betwist dat de indicatieve geluidsruimte geen juridische basis heeft. Volgens de Staat ligt er aan de indicatieve geluidsruimte een planologische kernbeslissing ten grondslag, zijnde het Structuurschema Militaire Terreinen-2 (SMT-2). Volgens de Staat kan de daarin opgenomen geluidsproductie worden geconsumeerd. De Staat stelt zich voorts op het standpunt de het kwantum per jaar te consumeren geluidseenheden niet discriminerend is, zodat niet van belang is welk squadron de geluidsruimte verbruikt, en dat in de schaarste wordt voorzien door het treffen van een aantal maatregelen.

14. De voorzieningenrechter overweegt dat de MC impliciet lijkt te stellen dat ieder vliegen op Vliegbasis Volkel onrechtmatig is, nu dit op basis van interimbeleid geschiedt dat geen juridische grondslag heeft. Expliciet heeft de MC dit niet gesteld noch heeft zij een algemeen verbod op het vliegen vanaf Vliegbasis Volkel gevorderd, zodat in het kader van deze procedure dient te worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het vliegen op basis van de bestaande indicatieve geluidszone. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat op meer vliegbases in het land wordt gevlogen op basis van een indicatieve geluidsruimte en dat tegen de planologische beslissingen waarop dit is gebaseerd bestuursrechtelijke voorzieningen openstaan dan wel hebben opengestaan, waarin de rechtmatigheid van deze beslissingen kan worden getoetst. Deze procedure leent zich niet voor een diepgaand onderzoek naar die niet gestelde doch wellicht gesuggereerde onrechtmatigheid. De voorzieningenrechter gaat er in deze zaak dan ook van uit dat op zich het vliegen vanaf Volkel niet onrechtmatig is. Defensie in het algemeen en ook de Luchtmacht zijn niet bij iedere Nederlander of groepen Nederlanders even geliefd. Indien er een solide rechtsgrond zou zijn om vliegen vanaf militaire bases (als Volkel) in recht te doen verbieden, zou op die rechtsgrond vrijwel zeker al wel met succes een (bodem)procedure door deze of gene (groepering) tegen de Staat zijn gevoerd. Het ontbreken van een dergelijke uitspraak tegen deze al tientallen jaren bestaande praktijk draagt bij aan het voorlopig oordeel dat het vliegen vanaf Vliegbasis Volkel niet onrechtmatig is. Zo al die onrechtmatigheid als medegrondslag van de vordering van de MC zou moeten worden gezien, geldt dat zij ondeugdelijk is.

15. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de Staat heeft gesteld dat op Vliegbasis Volkel feitelijke maatregelen worden getroffen, teneinde met de komst van het vierde F16 squadron de maximum geluidsnorm niet te overschrijden. Deze maatregelen bestaan volgens de Staat uit het consumeren van ontbrekende geluidsruimte bij de omringende militaire velden Gilze-Rijen, Eindhoven en/of Woensdrecht, het intensiever gebruik maken van tankvliegtuigen, waardoor in de lucht kan worden getankt, en door verplaatsing van het opleidingssquadron naar het buitenland. De MC heeft niet gemotiveerd betwist dat door het treffen van deze maatregelen de geluidscontouren van Vliegbasis Volkel, op basis waarvan thans gevlogen wordt, niet zullen worden overschreden. Niet vastgesteld kan worden dat sprake is van uitbreiding van het te consumeren geluid met de komst van het vierde squadron. Hiervan uitgaande kan het 313 Squadron op vliegbasis Volkel operationeel zijn en is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dit onderdeel voldaan aan de in het DRP gestelde eis dat de benodigde geluidsruimte dient te zijn gerealiseerd, zodra het nieuwe 313 Squadron wordt opgericht en overgeplaatst naar Vliegbasis Volkel.

b. Wet milieubeheer

16. De MC heeft gesteld dat door het huisvesten van een vierde F16 squadron op de Vliegbasis Volkel ook het grondgebonden geluid zal toenemen en dient er volgens de MC een gewijzigde Wm-vergunning te worden verleend. De MC stelt dat niet gebleken is dat een wijzigingsvergunning is verleend.

17. De Staat heeft gesteld dat een wijzigingsvergunning niet is vereist, nu de normering voor grondgebonden geluid non-discriminatoir is waar het betreft de vraag wie de geluidsproducerende bedrijfsactiviteiten verricht.

18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze procedure zich niet voor vaststelling of na overplaatsing van het nieuwe 313 Squadron zal worden gehandeld in strijd met de Wet milieubeheer. Beantwoording van deze vraag vereist immers uitvoerig (feitelijk) onderzoek. Nu de Staat zoals hiervoor reeds overwogen maatregelen treft om geluid te exporteren, gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat ook het grondgebonden geluid binnen de marges van de geldende regelgeving zal blijven en dat er per 1 december 2005 vanaf Vliegbasis Volkel gevlogen kan worden, zodat ook op dit punt is voldaan aan de in het DRP gestelde voorwaarde.

Benodigde infrastructuur

a. Gebouwen

19. De MC stelt dat de voor het 313 Squadron benodigde nieuwbouw niet per 1 december 2005 gereed zal zijn, maar eerst op 1 augustus 2006.

De Staat heeft niet betwist dat het DRP MOB’s uiteindelijk voorziet in nieuwbouw voor het 313 Squadron en dat dit niet per 1 december 2005 gereed zal zijn. Volgens de Staat zijn echter wel tijdelijke maatregelen getroffen. De Staat stelt dat het opleidingssquadron wordt ondergebracht bij de andere twee squadrons, waardoor het complex van het opleidingssquadron ter beschikking van het 313 Squadron komt. De Staat stelt voorts dat is voorzien in huisvesting op een nabij Volkel gelegen bungalowpark. De voorzieningenrechter overweegt dat nu de Staat onbetwist heeft gesteld dat tijdelijke maatregelen zijn getroffen, waardoor het nieuwe squadron tijdelijk maar wel verantwoord zal worden gehuisvest, ook op dit onderdeel is voldaan het de voorwaarde uit het DRP.

b. Risico inventarisatie en evaluatie

20. De MC heeft gesteld dat de op grond van de Arbowet benodigde Risico inventarisatie en evaluatie niet gerealiseerd is, terwijl partijen bij de totstandkoming van het DRP in 2004 ervan uit gingen dat deze uiterlijk eind 2005 gereed zou zijn. De Staat heeft erkend dat de Risico inventarisatie en evaluatie niet gereed is, maar betwist dat dit gevolgen heeft voor het operationaliseren van het nieuwe 313 Squadron. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat de consequenties van het ontbreken van een Risico inventarisatie en evaluatie niet zover strekken dat het 313 Squadron niet operationeel kan zijn. Dat de Risico inventarisatie en evaluatie niet gereed is, staat derhalve aan de oprichting van het nieuwe 313 Squadron niet in de weg.

21. Resumerend komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat is voldaan aan de in het DRP gestelde voorwaarde dat de benodigde infrastructuur en geluidsruimte dienen te zijn gerealiseerd zodra het nieuwe 313 Squadron wordt opgericht en overgeplaatst naar Vliegbasis Volkel. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat de door de Staat getroffen dan wel te treffen maatregelen slechts tijdelijke maatregelen zijn. Dat deze maatregelen niet de meest ideale zijn, is evident. De MC heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de in het DRP opgenomen voorwaarde aldus dient te worden uitgelegd dat op Vliegbasis Volkel de benodigde infrastructuur en geluidsruimte definitief zijn gerealiseerd per 1 december 2005. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende dat het 313 Squadron per 1 december 2005 kan operationaliseren vanaf Vliegbasis Volkel. Nu daaraan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is voldaan, dient de vordering van de MC te worden afgewezen.

22. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de MC naar analogie van artikel 22a Wet op de Ondernemingsraden, ondanks dat zij in het ongelijk is gesteld, niet worden veroordeeld in de proceskosten. Een proceskostenveroordeling zal derhalve achterwege blijven.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2005, in tegenwoordigheid van mr. Dallinga, griffier.