Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU6785

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
05 / 251 WW AZ1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag WW-uitkering na verwijtbaar ontslag. Bestrijding verwijtbaarheid op grond van de karaktereigenschappen van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 05 / 251 WW AZ1 A

uitspraak van de Enkelvoudige kamer d.d. 23 november 2005

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. C.J.M. Fens, werkzaam bij FNV Bondgenoten te Deventer,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 24 januari 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser is sedert 20 oktober 1986 op basis van een fulltime dienstverband werkzaam geweest bij [werkgever] B.V. te [plaats] (hierna: [werkgever]). Op 19 april 2004 heeft eiser zich ziek gemeld. Deze ziekmelding is niet door [werkgever] geaccepteerd.

Vervolgens heeft [werkgever] op 18 mei 2004 bij de kantonrechter te Enschede een verzoekschrift ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend, waarbij wordt verzocht de arbeidsovereenkomst met eiser te ontbinden wegens gewichtige redenen in de zin van veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn, dat redelijkerwijs van [werkgever] niet meer gevergd kan worden om de arbeidsverhouding nog veel langer te laten voortduren. Hiertoe wordt naar voren gebracht dat tussen partijen al geruime tijd een ernstig verschil van inzicht bestaat over de wijze waarop eiser zijn functie dient uit te oefenen en dat geconcludeerd kan worden dat thans sprake is van een structureel verschil van inzicht op diverse punten, als gevolg waarvan een niet werkbare situatie is ontstaan. In dit verband wordt erop gewezen dat eiser al geruime tijd ver onder het niveau functioneert zoals dat van een goed en gemotiveerd werknemer mag worden verwacht. Aan de hand van een opsomming van diverse gesprekken en briefwisselingen met eiser wordt gesteld dat sprake is van een structureel disfunctioneren van eiser, dat [werkgever] via herhaaldelijke overplaatsingen binnen haar bedrijf heeft getracht de houding en wijze van werken van eiser te verbeteren, dat op grond van de geschetste problemen, door eisers houding en opstelling, het in eiser gestelde vertrouwen onherstelbaar is geschaad en dat het incident van 18 april 2004 de druppel vormde die de emmer heeft doen overlopen.

Eiser heeft naar aanleiding van dit verzoek een verweerschrift ex artikel 7:685 BW ingediend. Hierin betoogt eiser onder meer, onder verwijzing naar verslagen van met hem gevoerde functioneringsgesprekken, dat niet is gebleken van functioneren onder niveau en dat de werkgever weliswaar minder tevreden was over eisers communicatie, doch geen ondersteuning heeft aangeboden ter verbetering van eisers communicatieve vaardigheden. Voorts gaat eiser in op de door [werkgever] aangehaalde gespreksverslagen en correspondentie en stelt vervolgens dat de gronden die [werkgever] aanvoert ter onderbouwing van de ontbinding onjuist of onvolledig zijn dan wel dat de verwijten geen betrekking hebben op het functioneren van eiser. Daarnaast zijn volgens eiser de aan hem gemaakte verwijten hoofdzakelijk te gering of te oud om daaraan het door [werkgever] gewenste gevolg te verbinden.

Bij beschikking van 8 juli 2004, zaaknummer 168809, heeft de kantonrechter te Enschede de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2004 ontbonden zonder toekenning, als gevraagd door eiser, van een vergoeding ter zake van die ontbinding. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

“Eigenlijk vanaf het begin van zijn indiensttreding is er al kritiek op het functioneren van [eiser]. Die kritiek heeft bijna uitsluitend betrekking op zijn functioneren in teamverband, dus in de communicatieve sfeer. Op zijn werkprestaties valt niets of zeer weinig aan te merken, zodat daar de angel van het probleem niet zit. (…)[eiser] heeft het kennelijk moeilijk om van iemand anders te “moeten” horen hoe en wat hij moet doen. Zijn karakter zit hem daarbij kennelijk in de weg, want het gewoon af en toe doen wat er gezegd wordt is voor hem lastig, zo blijkt.

(…) Indien een werknemer grote moeite heeft om een opdracht zonder morren gewoon uit te voeren, dan heeft dat niets met een lastige of kritische werknemer te maken, maar met een onhebbelijke karaktertrek van de werknemer, waar hij toch aan zou moeten werken. Voor een werkgever gaat zo’n houding onherroepelijk een keer een beslissende rol spelen, zelfs bij een werkgever die daarin zeer lankmoedig is. Die tijd lijkt voor [eiser] aangebroken.

Het gebeuren in de nacht van 23 november 2003 is wat dat betreft tekenend. Over de ware toedracht van een en ander kunnen wellicht bomen worden opgezet, wat blijft is dat [eiser] maanden later weigert te werken als een bepaalde collega op het greentire transport zit: hij meldt zich domweg ziek en gaat naar huis. Een gesprek daarover en over mogelijke andere oplossingen zijn op dat moment niet mogelijk. Dit eigenzinnige gedrag kan niet. Het is hoe dan ook de werkgever die ook in de letterlijke betekenis van het woord de baas is. [eiser] maakt in principe niet uit hoe een en ander geregeld wordt. (…)

Van enige verbetering in het communicatieve disfunctioneren van [eiser] blijkt niets. [werkgever] heeft al meerdere opties, al dan niet door de ontstane situatie aangegrepen, uitgeprobeerd, maar zelfs bij een min of meer individueel uit te oefenen functie gaat het niet goed. Thans meent zij dat de tijd is aangebroken dat partijen afscheid van elkaar moeten nemen en de kantonrechter kan zich dat standpunt wel voorstellen.

Namens [eiser] is begrijpelijkerwijze de nadruk gelegd op ieder individueel genoemd voorbeeld en daarbij telkens gewezen op ofwel de geringe importantie van een en ander, dan wel op de inmiddels verstreken tijd, maar daarbij wordt uit het oog verloren dat het eigenlijk al vanaf het begin van het dienstverband één niet aflatende stroom van voorvallen betreft met de nadruk op het woord stroom.

Telkens is [eiser] er op gewezen dat hij eens een keer daarmee moet ophouden, maar kennelijk is hij niet in staat deze karaktereigenschap zo te hanteren dat het voor beide partijen hanteerbaar blijft. [werkgever] blijft telkens tegen dat probleem aanlopen en uiteindelijk trekt [eiser] daarbij aan het kortste eind. Die dag is thans aangebroken. (…)

Voor het toekennen van een vergoeding, zoals uiteindelijk door de gemachtigde van [eiser] bij de dupliek op 1 juli 2004 verzocht bestaan geen termen van billijkheid. [eiser] is zo vaak gewaarschuwd en heeft zoveel kansen gehad om zijn onhebbelijkheden op dat terrein bij te schaven, dat een vergoeding niet op zijn plaats is. Het moge dan wellicht een karaktereigenschap van [eiser] zijn die hem in de weg zit, daaraan kan uiteindelijk [werkgever] ook niets doen.”

Bij brief van 13 juli 2004 heeft [werkgever] het ontslag uit haar dienst met ingang van 1 augustus 2004 bevestigd.

Op 3 augustus 2004 heeft eiser verweerder verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW).

Op de werkgeversverklaring, gedagtekend 10 augustus 2004, is van de zijde van [werkgever] aangegeven dat het ontslag tot stand is gekomen via de kantonrechter, met als reden van ontslag ‘disfunctioneren’, en dat eiser het ontslag aan zichzelf te wijten had. De daarop op 16 augustus 2004 van de zijde van [werkgever] afgelegde verklaring tegenover een buitendienstmedewerker van het UWV luidt als volgt:

“De reden dat wij over zijn gegaan tot het ontbinden van de arbeidsovereenkomst is een optelsom van factoren over een lange tijd. (…) De heer [eiser] was niet meer houdbaar binnen het bedrijf. Het ontslag is dhr.[eiser] te verwijten. Als hij zijn gedrag had veranderd na zoveel waarschuwingen dan had hij nog bij ons kunnen werken.”

Bij besluit van 17 augustus 2004 heeft verweerder besloten eiser geen WW-uitkering toe te kennen, op de grond dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 september 2004 bezwaar gemaakt. Bij brief van 26 oktober 2004 heeft eiser de gronden van zijn bezwaar aangevuld.

Op 16 november 2004 is eiser over zijn bezwaar gehoord.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en zijn besluit van 17 augustus 2004 gehandhaafd.

Bij brief van 7 maart 2005, op 8 maart 2005 bij de rechtbank binnengekomen, heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft bij brief van 6 april 2005 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 12 oktober 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 24 januari 2005 in rechte in stand kan blijven.

Juridisch kader

Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel is een werknemer verwijtbaar werkloos indien hij zich zodanig verwijtbaar heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

Artikel 27, eerste lid, WW bepaalt dat indien de werknemer een hem op grond van onder meer artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegde verplichting niet is nagekomen, verweerder de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval verweerder de uitkering gedeeltelijk weigert over een periode van 26 weken door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

Standpunten van partijen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, zakelijk weergegeven, het volgende overwogen.

Op basis van de stukken dient te worden geconcludeerd dat eiser reeds zo vaak gewaarschuwd is om zijn houding/gedrag te wijzigen, waarbij het erop lijkt dat eiser in deze houding eerder volhardt dan dat hij er iets aan heeft willen doen, dat het eiser duidelijk had kunnen zijn dat hij zich, gezien de waarschuwingen en voorvallen van de afgelopen jaren, op glad ijs bevond. Op het moment dat eiser dient samen te werken met een collega, waarmee hij maanden eerder een aanvaring had gehad, en eiser meldt zich ziek en weigert een gesprek om over andere oplossingen te praten, had hij kunnen nagaan dat dit voor zijn werkgever de druppel zou zijn, die zou leiden tot zijn ontslag. Dat een en ander voortkomt uit een karaktertrek wordt niet ontkend, doch vormt geen reden om eiser het ontslag niet of in verminderde mate aan te rekenen. Eiser heeft zich verwijtbaar zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou hebben. Eiser heeft ruim de tijd gehad om zijn gedrag, in ieder geval naar zijn werkgever en collega’s, te veranderen, doch heeft niet willen inzien dat dit noodzakelijk was. Ook al is eiser er herhaaldelijk op gewezen, hij heeft niets gedaan om zijn gedrag te veranderen, tot het moment kwam dat het voor eiser te laat was en hij door zijn werkgever ontslagen werd.

In beroep heeft eiser, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

De kantonrechter, die niet op de verweren van eiser ingaat, komt niet tot een werkelijke onderbouwing van het gevoelen dat eiser er de schuld van is dat de verhoudingen vertroebeld waren geraakt. Als basis voor een beslissing over een recht op WW-uitkering schiet de beschikking van de kantonrechter te kort. Tot drie maal toe refereert de kantonrechter aan karaktereigenschappen die eiser in de weg zitten, hetgeen eerder de werknemer is dan de werkgever die de gevolgen heeft te ondergaan van een dergelijk risico, doch artikel 24 van de WW eist wél verwijtbaarheid, en dat is heel iets anders dan de vraag voor wiens risico een bepaalde omstandigheid moet komen. Bij een onderzoek naar de verwijtbaarheid kan dan ook niet worden volstaan met de constatering dat er vaak discussiepunten zijn geweest tussen werkgever en werknemer, doch is juist van cruciaal belang of de werknemer daarbij verwijten kunnen worden gemaakt. In dit verband wordt ingegaan op het incident op 23 november 2003 en de ziekmelding op 18 april 2004. Het incident op 23 november 2003 betrof een aanrijding van eisers heftruck door een andere heftruck, hetgeen door eiser als een aanslag werd ervaren. Dit incident is nooit op een bevredigende manier uitgesproken en is eiser niet te verwijten. Op 18 april 2004 waren eiser en de bij het incident betrokken werknemer tezamen ingeroosterd. Toen eiser deze collega zag raakte hij volledig overstuur en heeft hij zich om die reden ziek gemeld, welke ziekmelding niet door zijn chef werd geaccepteerd. Zijn chef heeft geprobeerd met overleg de zaak te sussen, maar eiser, die zo over zijn toeren was dat hij daartoe niet in staat was, heeft volhardt in zijn ziekmelding en is naar huis gegaan. De vraag of een werknemer zich ziek meldt is echter niet ter beoordeling van de werkgever, maar aan deskundigen, in casu de bedrijfsarts van de arbodienst. Het is kwalijk, en juridisch volstrekt onjuist, dat ook de kantonrechter zich uitspreekt over de aanwezigheid van arbeidsongeschiktheid bij eiser, door het gedrag van eiser ‘eigenzinnig’ te noemen. Omdat niet meer valt na te gaan of eiser werkelijk in een hevige gemoedstoestand is geraakt, waardoor hij niet in staat was te werken, noch in staat was redelijk overleg te voeren, nu eisers werkgever geen deskundige heeft ingeschakeld om dit te onderzoeken, moet het ervoor worden gehouden dat eiser werkelijk arbeidsongeschikt was. En zelfs als eiser iets te verwijten zou zijn, dan nog kan eisers gedrag niet leiden tot ontslag. Immers, gelet op het zogenoemde Vixia-arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, zou de enig mogelijke sanctie op het niet naleven van controlevoorschriften bij ziekte zijn het niet betalen van loon. Van enig andere overtreding van eisers verplichtingen als werknemer is niet gebleken. De enig denkbare overtreding is dat eiser zich ziek heeft gemeld, terwijl hij dat in werkelijkheid niet was. Kennelijk was eisers chef die mening toegedaan, doch daaraan moet voorbij worden gegaan, nu die mening niet wordt gestaafd door een deskundigenoordeel. Verweerder had dit moeten onderzoeken en moeten concluderen dat er geen gegevens voorliggen dat de ziekmelding onterecht was.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met de karaktereigenschappen van eiser, in die zin dat geen sprake kan zijn van verwijtbaarheid, indien eisers gedrag voortkomt uit zijn karaktereigenschappen. Ook op dit punt geldt een onderzoeksplicht voor verweerder. Niet zonder meer kan worden gesteld dat eisers gedrag kan worden verweten omdat hij er geen oplossingen voor heeft gezocht. Het zou kunnen zijn dat bij eiser sprake is van onvermogen om iets aan zijn gedrag te doen. Mogelijk was eiser ongeschikt voor zijn functie bij [werkgever]. neer

In zijn verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nog, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Het gegeven dat sprake is van een karaktereigenschap mag niet als excuus worden aangemerkt voor eisers gedrag en houding. Eiser is door zijn (voormalig) werkgever veelvuldig aangesproken op zijn houding en gedrag, alsook op de consequenties indien geen sprake is van verbetering. Het was derhalve duidelijk dat dit voor de werkgever problematisch was. Het ligt dan op eisers weg in houding en gedrag verbetering aan te brengen, doch eiser heeft tijdens de hoorzitting aangegeven geen activiteiten te hebben ondernomen om zijn gedrag te verbeteren. Het niet veranderen van houding en gedrag, na door de werkgever te zijn gewezen op de negatieve gevolgen van eisers houding en gedrag voor de werksituatie, kan eiser worden verweten. Niet is aangetoond of gebleken dat eiser niet-verwijtbaar niet in staat was genoemde verbetering/verandering te realiseren. Eiser had zich derhalve moeten realiseren dat een nieuw incident de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Gelet op de reden waarom eiser zich op 18 april 2004 tot zijn chef heeft gewend en de adequate reactie van eisers chef om het probleem op voor eiser bevredigende wijze op te lossen, is het niet onbegrijpelijk dat er bij eisers chef twijfel bestond met betrekking tot de validiteit van de ziekmelding van eiser. Eisers chef heeft om die reden eiser medegedeeld de ziekmelding niet te accepteren. Aangezien eiser derhalve op de hoogte was van het standpunt van zijn werkgever dat hij niet als arbeidsongeschikt was aan te merken, had het op eisers weg gelegen zich tot de bedrijfsarts te wenden of bij het UWV een deskundigenoordeel aan te vragen om aldus zijn claim van arbeidsongeschiktheid te onderbouwen.

Overwegingen van de rechtbank

Bij toetsing van de door verweerder gehanteerde grond voor het opleggen van de maatregel van blijvend gehele weigering gaat het er allereerst om of sprake is van zodanig gedrag dat eiser redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Als dit het geval is, komt aan de orde de vraag of het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, eiser niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval niet een blijvend gehele weigering maar de minder zware maatregel als omschreven in de laatste volzin van artikel 27, eerste lid, van de WW van toepassing is.

Blijkens de beschikbare gegevens staat vast, zoals ook de kantonrechter in zijn beschikking van 8 juli 2004 heeft overwogen, dat in feite vanaf het begin van eisers indiensttreding kritiek bestond op het functioneren van eiser en dat deze kritiek bijna uitsluitend betrekking had op zijn functioneren in teamverband. Anders gezegd: de samenwerking met collega’s liet te wensen over. Verder blijkt uit de beschikbare gegevens dat eiser hierop regelmatig is aangesproken, doch dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, van enige verbetering in het communicatieve disfunctioneren van eiser niets is gebleken.

Eiser uit kritiek op de beschikking van de kantonrechter, welke beschikking volgens eiser geen werkelijk motivering kent, geen werkelijk onderzoek van de feiten doet en vooral gevoed lijkt door onderbuikgevoelens. Volgens eiser is de kantonrechter niet op zijn verweren ingegaan en schiet diens beschikking schromelijk te kort als basis voor verweerders beslissing over het recht van eiser op WW-uitkering. De rechtbank is evenwel, in navolging van de Centrale Raad van Beroep in diens uitspraak van 1 juni 1999, USZ 1999/226, van oordeel dat verweerder bij de beantwoording van de vraag of eisers werkloosheid verwijtbaar is te achten, mocht uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, tenzij eiser alsnog kan aantonen dat die feiten niet juist zijn, dan wel dat de kantonrechter op basis van de hem ten dienste gegevens niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

In beroep heeft eiser niets aangedragen wat twijfel zou kunnen doen rijzen aan het oordeel van de kantonrechter. Uit de stukken komt het, ook door de kantonrechter geschetste, beeld naar voren dat eiser zich weinig aantrok van zijn collega’s en moeite had te accepteren dat zijn (ex-)werkgever de baas is. Niet in geschil is dat een en ander verband houdt met eisers karaktereigenschappen. Het enkele feit dat de wijze waarop eiser omging met zijn collega’s en met door de werkgever gegeven opdrachten in feite voortkwam uit zijn karakterstructuur, betekent evenwel niet, zoals eiser betoogt, dat zijn gedragingen hem niet kunnen worden verweten.

In de beschikbare gegevens ziet de rechtbank voldoende grond voor het oordeel dat eiser, door te volharden in zijn houding en gedrag met betrekking tot zijn functioneren in teamverband, ter zake waarvan hij door zijn werkgever herhaalde malen mondeling en schriftelijk is gewaarschuwd en zelfs eenmaal is ‘gedegradeerd’ naar een lager betaalde functie, redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag uiteindelijk op enig moment de beëindiging van zijn dienstverband tot gevolg zou kunnen hebben. Zoals verweerder terecht stelt, lag het dan ook op de weg van eiser om in houding en gedrag verbetering aan te brengen. Noch gesteld, noch gebleken is dat eiser buiten staat was om daarin verbetering/verandering aan te brengen. Eiser stelt slechts dat wellicht sprake was van onvermogen om daar iets aan te doen, doch komt met geen enkele onderbouwing van die stelling. Naar het oordeel van de rechtbank lag het niet zozeer op de weg van verweerder om daar onderzoek naar te doen, maar lag het op de weg van eiser, die stelt, kort gezegd, dat hij zijn gedrag niet kon verbeteren, om met gegevens te komen waaruit zulks zou kunnen worden afgeleid. Daarnaast had de omstandigheid dat eiser diverse malen op zijn houding en gedrag was aangesproken en ter zake daarvan was gewaarschuwd voor eiser aanleiding moeten zijn zich in zijn relatie tot werkgever en collega’s extra behoedzaam op te stellen. Eiser kon derhalve redelijkerwijs weten dat als zich wederom een incident zou voordoen dat zou kunnen worden gekwalificeerd als communicatief disfunctioneren, zijn ex-werkgever stappen zou kunnen ondernemen om het dienstverband te beëindigen.

Blijkens de beschikbare gegevens was de directe aanleiding voor [werkgever] om de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst met eiser te ontbinden wegens gewichtige redenen het incident in de nacht van 18 op 19 april 2004. Dit incident betrof eisers ziekmelding in die nacht, welk incident niet los kan worden gezien van een op 23 november 2003 voorgevallen incident waarbij eiser betrokken was. Kort gezegd kwam laatstbedoeld incident erop neer dat eisers stilstaande heftruck van achter werd aangereden, waardoor eiser letsel heeft opgelopen. Eiser stelt deze aanrijding te hebben ervaren als een aanslag. Blijkens de beschikbare gegevens was eiser op 18 april 2004 ingeroosterd samen met de collega die in destijds bij de aanrijding betrokken was. Op dat moment heeft eiser zich, zo blijkt uit de stukken, ziek gemeld, waarna eisers directe chef oplossingen voor het - kennelijk - daaraan ten grondslag liggende ‘samenwerkingsprobleem’ heeft aangedragen. Eiser heeft echter - zoals door hem is erkend - volhard in zijn ziekmelding en is naar huis gegaan. Wat er ook zij van de wijze waarop met eisers ziekmelding is omgegaan, gelet op het feit dat eiser, ondanks de door zijn directe chef aangedragen oplossingen, bleef volharden in zijn ziekmelding, was het niet onbegrijpelijk, zoals verweerder terecht stelt, dat bij eisers chef twijfel bestond over eisers ziekmelding. Uit het feit dat te kennen werd gegeven dat deze ziekmelding niet werd geaccepteerd, had eiser redelijkerwijs kunnen begrijpen dat volharding daarin, gelet op de reeks van eerdere incidenten, voor [werkgever] de druppel zou kunnen zijn die de emmer zou doen overlopen, met alle consequenties van dien. Het was dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat hij ziek/arbeidsongeschikt was geworden als gevolg van de inroostering op 18 april 2004, te meer daar sinds het “aanrijdincident” vijf maanden waren verstreken zonder dat eiser op enigerlei wijze kenbaar had gemaakt nog steeds met dat incident in zijn maag te zitten. Eiser heeft dat nagelaten. De rechtbank ziet niet in dat dan maar moet worden aangenomen dat eiser op die datum daadwerkelijk ziek/arbeidsongeschikt was. Dat blijkt namelijk nergens uit. Evenmin is gebleken dat eiser zich ter zake van zijn gestelde ziekte/arbeidsongeschiktheid tot een arts heeft gewend.

Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Verweerder was derhalve gehouden de uitkering blijvend geheel te weigeren op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW. Dat er in het onderhavige geval redenen zouden zijn om aan te nemen dat het ontslag eiser niet in overwegende mate valt te verwijten, zoals eiser kennelijk (subsidiair) heeft beoogd te stellen, is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman als griffier.

Afschrift verzonden op

nb