Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU6704

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
23-11-2005
Zaaknummer
05 / 130 ALGEM AZ1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op het voorgaande is ook voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een gezagsverhouding en moet worden geoordeeld dat verweerder terecht heeft beslist dat in het onderhavige geval sprake is van een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Het aannemen van het bestaan van een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, leidt tot verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de ZW, de WW en de WAO, zodat naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres terecht correctienota’s zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 05 / 130 ALGEM AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d.

in het geschil tussen:

Windo B.V.,

gevestigd te Enschede, eiseres,

gemachtigde: J.J. Boers te Enschede,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, locatie Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 december 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres exploiteert een IT- en internetbedrijf. Bij een looncontrole op 27 februari 2004 met betrekking tot de jaren 1999 tot en met 2003, waarvan op 11 juni 2004 rapport is uitgebracht, zijn in de administratie van eiseres betalingen aan Heerenstaete BV en facturen van Equilibrium BV in verband met management-, incasso-, advies- en consultancywerkzaam- heden aangetroffen, betrekking hebbend op de jaren 2002 en 2003. De enig aandeelhouder van beide genoemde BV’s is de Investerings- en beleggingsmaatschappij DIG BV.

De heer L.J.A. Beukers (hierna: betrokkene) bezit alle aandelen van DIG BV en de BV heeft tevens een (100%) deelneming in “Ik hâld fan dy sa asto bist BV”. Laatstgenoemde BV heeft een 5% belang in het bedrijf van eiseres. Windo Industries BV heeft het meerderheidsbelang (95%) in het bedrijf van eiseres.

De werkzaamheden van betrokkene ten behoeve van eiseres zijn in januari 2004 gestaakt. Volgens verweerder is betrokkene door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AvA) geschorst. Verweerder is (onder meer) vanwege het minderheidsbelang van mening dat betrokkene onder gezag van de AvA staat en dus zijn werkzaamheden voor eiseres op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht.

Bij schrijven van 25 juni 2004 heeft verweerder eiseres in verband hiermee in kennis gesteld van het voornemen correctienota’s op te leggen voor de verschillen over de jaren 1999 tot en 2003. Bij schrijven van 26 juli 2004 heeft eiseres gereageerd op verweerders brief van 25 juni 2004. Bij schrijven van 27 augustus 2004 heeft verweerder aangekondigd een bestuurlijke boete op te leggen. Vervolgens heeft verweerder op 29 september 2004 aan eiseres correctienota’s doen toekomen inzake premies sociale verzekeringswetten over de jaren 2002 en 2003. Op 30 september 2004 heeft verweerder eiseres de boetenota’s over die premiejaren doen toekomen.

Bij schrijven van 19 oktober 2004 heeft eiseres tegen voornoemde correctie- en boetenota’s een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en de correctienota’s van 29 september 2004 en de boetenota’s van 30 september 2004 gehandhaafd.

Blijkens het beroepschrift van 3 februari 2005, aangevuld op 22 juli 2005, kan eiseres zich niet verenigen met dit besluit. Verweerder heeft op 3 maart 2005 een verweerschrift ingediend. Desverzocht heeft verweerder op 3 augustus 2005 een reactie gegeven op het aanvullend beroepschrift.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 12 oktober 2005, waar eiseres noch verweerder is verschenen.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 27 december 2004, waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond heeft verklaard en de correctienota’s van 29 september 2004 en de boetenota’s van 30 september 2004 heeft gehandhaafd, in rechte in stand kan blijven.

Voor de beantwoording van die vraag dient allereerst te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft aangenomen, dat ten aanzien van de werkzaamheden die betrokkene voor eiseres heeft verricht in de betrokken premiejaren sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen 3 van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Ingevolge artikel 3 van genoemde wetten is een werknemer een natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Gesteld, noch gebleken is dat betrokkene een publiekrechtelijke dienstbetrekking heeft gehad. Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is sprake indien de betrokkene gehouden is tot het persoonlijk verrichten van arbeid, de werkgever gehouden is loon te betalen en tussen betrokkene en de werkgever sprake is van een gezagsverhouding. Bij de vraag of voldaan is aan deze voorwaarden dient te worden gekeken naar de feitelijke omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden verricht. Aan de bedoeling van partijen komt geen doorslaggevende betekenis toe. Ook een zelfstandige kan – indien aan de genoemde drie voorwaarden wordt voldaan – werkzaamheden in dienstbetrekking verrichten. De omstandigheid dat er sprake is van een overeenkomst tussen twee besloten vennootschappen staat evenmin in de weg aan het aanwezig achten van een arbeidsovereenkomst, indien de feiten en omstandigheden van het betreffende geval duidelijk wijzen op het bestaan van een zodanige overeenkomst.

Indien er geen sprake is van verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de ZW, WW en de WAO moet, voor zover hier van belang, worden bezien of sprake is van een met een dienstbetrekking gelijk te stellen arbeidsrelatie als bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de ZW, WW en de WAO.

Blijkens het bestreden besluit is verweerder, kort gezegd, de mening toegedaan dat bij de arbeidsverhouding tussen eiseres en betrokkene aan de drie voornoemde vereisten is voldaan.

Eiseres bestrijdt dat betrokkene werkzaam is in een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Volgens eiseres verrichtte betrokkene zijn werkzaamheden niet op aanwijzing van eiseres dan wel de grootaandeelhouder. Gesteld wordt dat betrokkene managementwerkzaamheden verrichtte en in dat kader volledige bevoegdheid had. Eiseres wijst er verder op dat betrokkene ook werkzaamheden voor andere opdrachtgevers verrichtte. Volgens eiseres hield betrokkene zich ten behoeve van haar bedrijf slechts twee dagen per week bezig met de managementwerkzaamheden.

Hiernaast voert eiseres aan dat de beëindiging van de werkzaamheden van betrokkene voor eiseres in overleg is geschied, zonder besluit van de AvA. Ten slotte voert eiseres aan dat betrokkene als gevolg van het standpunt van verweerder alsnog een zogeheten Verklaring arbeidsrelatie (VAR-verklaring) heeft aangevraagd bij de belastingdienst. Volgens eiseres toont de geldigheidsduur van de afgegeven verklaring aan dat betrokkene deze ook had ontvangen als hij deze in eerdere jaren had aangevraagd. Indien betrokkene in 2002 en 2003 een VAR-verklaring bij eiseres had overgelegd, was zij naar haar mening op grond van de inhoud van deze verklaring gevrijwaard geweest van inhoudingsplicht. Wat betreft de opgelegde boete is eiseres van mening dat haar geen opzet/grove schuld te verwijten valt en dat derhalve de boete ten onrechte is opgelegd.

In het aanvullend beroepschrift van 22 juli 2005 heeft eiseres op onderdelen haar beroep nader toegelicht en gemotiveerd. Daarin betwist eiseres (onder meer) dat betrokkene verplicht was de onderhavige werkzaamheden persoonlijk te verrichten De hieraan ten grondslag liggende redenering is dat er geen sprake is geweest van een arbeidsverhouding op basis van een arbeidsovereenkomst, maar op basis van een overeenkomst tot opdracht.

In het aanvullend beroepschrift wordt tevens verweerders standpunt betwist dat betrokkene bestuurder(mede-)directeur van eiseres was. Hieraan ligt de stelling ten grondslag:

- dat betrokkene pas tijdens de activiteiten die hij voor eiseres verrichtte aandelen van eiseres heeft gekregen;

- dat betrokkene geen directeur was van eiseres;

- dat de situatie dat betrokkene ondergeschikt was aan de AvA van eiseres zich niet voordoet, omdat betrokkene ook via zijn holding geen bestuurder was en ook uit dien hoofde niet ondergeschikt was;

- dat betrokkene zelfstandig vanuit zijn eigen vennootschap werkte en in casu duidelijk sprake is van twee afzonderlijke vennootschappen.

In het verweerschrift geeft verweerder onder meer aan dat in het looncontrolerapport van 11 juni 2004 is geconstateerd dat betrokkene feitelijk als statutair directeur heeft gefungeerd. Bij het declareren voor zijn werkzaamheden als directeur maakte betrokkene volgens verweerder gebruik van twee persoonlijke vennootschappen. Voorts blijkt volgens verweerder uit dit rapport dat betrokkene middels een van zijn persoonlijke vennootschappen voor 5% aandeelhouder is van eiseres.

Verweerder wijst erop dat vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is dat, behoudens bijzondere gevallen, bij de beoordeling van de verzekeringsplicht van directeur/aandeelhouders de mogelijkheid om al dan niet tegen hun eigen wil te kunnen worden ontslagen van doorslaggevende betekenis is voor het aannemen van een gezagsverhouding. Indien een directeur/aandeelhouder van een besloten vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en eigendomsverhoudingen met betrekking tot de aandelen in de AvA geen doorslaggevende invloed heeft op zijn ontslag moet in beginsel worden aangenomen dat hij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de besloten vennootschap, aldus verweerder.

Verweerder is van mening dat eiseres in bezwaar en beroep geen als zeer bijzonder te kwalificeren feiten en materiële omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsverhouding zich kan voordoen. Gesteld wordt dat de aangevoerde wijze van samenwerking onverlet laat dat zich een situatie kan voordoen waarin de onderscheiden belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zijn en de AvA van zijn statutaire bevoegdheden gebruik kan maken. Betrokkene kan derhalve naar verweerders opvatting geen invloed uitoefenen op de wijze waarop Windo Industries BV van haar stemrecht over 95% van de aandelen binnen de AvA van eiseres gebruik maakt. Dat de beëindiging van de werkzaamheden in casu niet is afgedwongen door een besluit van de AvA maakt dit naar verweerders mening niet anders.

Wat betreft de gezagsverhouding geeft verweerder aan dat het geven van opdrachten, het zelfstandig verrichten van handelingen en het nemen van beslissingen inherent is aan de functie van directeur. Dat er wel degelijk sprake was van gezag blijkt naar verweerders mening wel uit het feit dat toen de grootaandeelhouder niet meer tevreden was met het functioneren van betrokkene, deze zijn werkzaamheden als directeur van eiseres moest staken.

Wat betreft de VAR-verklaring geeft verweerder aan dat deze niet ziet op de jaren hier in het geding en reeds op die grond in de onderhavige zaak geen rol kan spelen.

Voorts geeft verweerder aan dat, nu in het onderhavige geval de verzekeringsplicht uitsluitend is vastgesteld op grond van artikel 3 van de ZW, WW en de WAO, niet wordt toegekomen aan beantwoording van de vraag of betrokkene de werkzaamheden heeft uitgevoerd in de zelfstandige uitoefening van bedrijf of beroep. Zelfstandigheid kan slechts een uitzonderingsgrond vormen voor vast te stellen verzekeringsplicht op grond van de artikelen 4 en 5 van de ZW, WW en de WAO.

In zijn reactie van 3 augustus 2005 op het aanvullend beroepschrift geeft verweerder ten slotte nog aan dat partijen met name verdeeld zijn over de feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij gaat verweerder uit van de juistheid van de feiten zoals die zijn neergelegd in het looncontrolerapport met name omdat deze feiten door de heer J.J. Boers (accountant van eiseres) noch door eiseres in bezwaar zijn bestreden. Verweerder is van mening dat indien eiseres thans deze feiten bestrijdt, zij dat aannemelijk moet maken en dat niet kan worden volstaan met de blote mededeling dat de feiten anders liggen dan in het looncontrolerapport staan vermeld. Nu een nadere onderbouwing van de stelling van eiseres ontbreekt, is verweerder van mening dat bij de beoordeling van de arbeidsverhouding uitgegaan dient te worden van het feitencomplex zoals weergegeven in het looncontrolerapport.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet allereerst onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de in het looncontrolerapport neergelegde feiten en omstandigheden over de werkzaamheden van betrokkene ten behoeve van eiseres een onjuist of onvolkomen getrouw beeld van de werkelijkheid weergeven. Hoewel eiseres op 26 juli 2004 schriftelijk op het looncontrolerapport heeft gereageerd, is daarbij de juistheid van de beschrijving van deze feiten en omstandigheden niet bestreden. In het bijzonder heeft eiseres niet betwist dat, zoals in dit rapport is vermeld, blijkens de beschikbare gegevens betrokkene feitelijk samen met degene die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als directeur vermeld staat volledige (beslissings)bevoegdheid binnen het bedrijf van eiseres geniet en dat op grond van de beschikbaar gekomen bescheiden en verklaringen casu quo de feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat de AvA blijkbaar ook betrokkene als (mede)directeur heeft benoemd. Nu eiseres in bezwaar evenmin heeft aangevoerd dat de door betrokkene verrichte werkzaamheden afweken van de in het looncontrolerapport geschetste feiten en omstandigheden, vermag de rechtbank niet in te zien in welk opzicht verweerder in zijn onderzoeksplicht is te kort geschoten. Daartoe is in elk geval ontoereikend de enkele omstandigheid dat eiseres - voor het eerst en in een laat stadium - in beroep, zonder nadere onderbouwing, heeft aangevoerd dat het feitencomplex over de werkzaamheden van betrokkene ten behoeve van eiseres anders ligt dan in het looncontrolerapport vermeld staat. Bij gebreke van een nadere onderbouwing kan aan de stelling van eiseres dat betrokkene niet als statutair directeur heeft gefungeerd dan ook geen betekenis worden toegekend. Gelet op het feitencomplex weergegeven in het looncontrolerapport is de rechtbank van oordeel dat dit rapport voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat betrokkene feitelijk als statutair directeur bij eiseres heeft gefungeerd.

Rest de vraag of verweerder op basis van de onderzoeksbevindingen, neergelegd in het looncontrolerapport, terecht heeft aangenomen, dat ten aanzien van de werkzaamheden die betrokkene voor eiseres heeft verricht in de betrokken premiejaren sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in de hiervoor aangehaalde artikelen 3 van de ZW, WW en de WAO.

Persoonlijke arbeidsverrichting

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een persoon gehouden is arbeid persoonlijk te verrichten, indien hij zich niet zonder toestemming door een willekeurig derde kan laten vervangen. Of vervanging tot de mogelijkheden behoort en of daar - al dan niet - toestemming voor is vereist, dient, zoals verweerder terecht heeft gesteld, aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval te worden vastgesteld. Indien partijen onderling (schriftelijk) zijn overeengekomen dat men zich zonder toestemming kan laten vervangen is op zichzelf nog niet van doorslaggevende betekenis: van een dergelijke mogelijkheid moet ook in de praktijk daadwerkelijk gebruik worden gemaakt.

De rechtbank stelt op basis van het looncontrolerapport vast dat betrokkene managementwerkzaamheden voor eiseres heeft verricht. Verder blijkt uit voornoemd rapport dat 5% van de aandelen van Windo BV in handen was van “Ik hâld fan dy sa asto bist BV”, waarvan DIG BV enig aandeelhouder is. DIG BV, waarvan betrokkene alle aandelen bezit, was tevens enig aandeelhouder van Heerenstaete BV en Equilibrium BV. Voor de werkzaamheden die betrokkene voor eiseres verrichtte factureerde hij via beide laatstgenoemde besloten vennootschappen. Blijkens het looncontrolerapport hebben deze vennootschappen, gelet op het feit dat zij niet aangesloten zijn bij verweerder, geen personeel in dienst. Derhalve moet worden aangenomen dat het contract met betrokkene feitelijk is gesloten met het oog op zijn (persoonlijke) inzet. Gesteld noch gebleken is dat betrokkene de werkzaamheden ook niet steeds zelf voor eiseres heeft verricht en/of dat hij zich daadwerkelijk heeft laten vervangen. Bij gebreke van een concrete nadere onderbouwing kan aan de door eiseres gestelde vrijelijke of willekeurige vervanging geen betekenis worden toegekend.

Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat aan de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting is voldaan.

Loon

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door betrokkene via zijn persoonlijke vennootschappen aan eiseres is gedeclareerd, moet worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de door hem persoonlijk verrichte arbeid, en derhalve als loon. Hiermee is tevens aan de voorwaarde van de verplichting tot loonbetaling voldaan.

Werkgeversgezag

De rechtbank stelt op basis van het looncontrolerapport vast dat betrokkene indirect, via Investerings- en belegginsmaatschappij DIG BV en “Ik hâld fan dy sa asto bist BV”, een minderheidsbelang van 5% in de AvA van eiseres heeft.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zoals onder meer de uitspraak van 9 april 1998, nr. 96/6070 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AA8757), komt ter beantwoording van de vraag of in constellaties, waarin een houdstervennootschap een minderheidsbelang heeft in de vennootschap waar de directeur/grootaandeelhouder van de houdstervennootschap managementtaken verricht, sprake is van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van de ZW, WW en WAO tussen de vennootschap ten behoeve waarvan de werkzaamheden worden verricht en de directeur/grootaandeelhouder van de houdstervennootschap aan het bestaan van een houdstervennootschap als zodanig weinig betekenis toe, indien voldoende duidelijk is dat de directeur/grootaandeelhouder van die vennootschap geacht wordt persoonlijk arbeid te verrichten voor de vennootschap waarbij de managementtaak wordt vervuld.

De rechtbank ziet niet dat dit anders ligt in dit geval, waarin tussen de houdstervennootschap (DIG BV), waarvan betrokkene directeur/grootaandeelhouder is, nog een andere vennootschap zit, te weten “Ik hâld fan dy sa asto bist BV”, die een minderheidsbelang heeft in het bedrijf van eiseres. Derhalve fungeerde betrokkene niet alleen feitelijk als statutair directeur van eiseres, zoals hiervoor reeds is overwogen, maar is betrokkene ook te beschouwen als middellijk statutair directeur van eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat in situaties als de onderhavige voor het bestaan van een gezagsverhouding van betekenis is of en in hoeverre een (middellijk) directeur kan worden geschorst en ontslagen door de AvA. Indien deze mogelijkheid zich voordoet moet op grond van vaste rechtspraak van de CRvB – behoudens zeer bijzondere gevallen – worden aangenomen dat de directeur kan worden geconfronteerd met enige vorm van gezagsuitoefening, in het bijzonder in situaties van conflicterende belangen en/of verschillen van inzicht.

De rechtbank neemt als vaststaande aan dat betrokkene, in zijn hoedanigheid van middellijk statutair directeur, in verband met zijn minderheidsbelang in de AvA van eiseres kon worden geconfronteerd met gezagsuitoefening in de vorm van schorsing dan wel ontslag. Hoewel niet met zekerheid kan worden gezegd dat zulks ook daadwerkelijk is geschied, biedt het dossier wel aanknopingspunten dat betrokkene zijn werkzaamheden voor eiseres heeft moeten staken omdat de grootaandeelhouder van eiseres niet meer tevreden was met het functioneren van betrokkene. Ook dit wijst in de richting van een gezagsverhouding tussen eiseres en betrokkene.

De rechtbank tekent hierbij nog aan dat voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding niet vereist is dat daadwerkelijk opdrachten en aanwijzingen gedurende het werk kunnen worden gegeven. De mogelijkheid tot het geven van opdrachten en aanwijzingen in voorkomende gevallen is reeds voldoende. Dat betrokkene als directeur bevoegd was tot het geven van opdrachten, het zelfstandig verrichten van handelingen en het nemen van beslissingen moet dan ook inherent aan zijn functie worden geacht. De eerst in beroep door eiseres geponeerde stelling, dat betrokkene pas tijdens de activiteiten die hij voor eiseres verrichtte aandelen van eiseres verkreeg, hetgeen mogelijk van belang zou kunnen zijn voor de aanvang van de verzekeringsplicht, heeft eiseres op geen enkele wijze, aan de hand van verifieerbare gegevens, onderbouwd. De rechtbank zal daaraan dan ook voorbij gaan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of in het onderhavige geval sprake is van als zeer bijzonder te kwalificeren feiten en omstandigheden (bijvoorbeeld gezamenlijk ondernemerschap) op grond waarvan het redelijkerwijs niet aannemelijk is te achten dat gezagsuitoefening kon plaatsvinden. Van dergelijke feiten en omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

Verder sluit het hebben van meerdere opdrachtgevers het bestaan van verzekeringsplicht geenszins uit. Immers, het verrichten van dergelijke werkzaamheden laat onverlet, dat mede van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en betrokkene sprake kan zijn.

Vast staat dat voor de in geding zijnde jaren geen VAR-verklaring is afgegeven, doch uitsluitend voor de jaren 2004 en 2005. Reeds om die reden kan de door eiseres te berde gebrachte VAR-verklaring niet afdoen aan het bestreden besluit en de overwegingen waarop het berust.

Gelet op het voorgaande is ook voldaan aan de voorwaarden voor het aannemen van een gezagsverhouding en moet worden geoordeeld dat verweerder terecht heeft beslist dat in het onderhavige geval sprake is van een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Het aannemen van het bestaan van een arbeidsverhouding welke is aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, leidt tot verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de ZW, de WW en de WAO, zodat naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres terecht correctienota’s zijn opgelegd. Nu een verzekeringsplicht moet worden aangenomen op grond van artikel 3 ZW, WW en WAO behoeft voorts een verzekeringsplicht op grond van artikel 4 en 5 van deze wetten en het op artikel 5 gebaseerde KB geen nadere bespreking.

Correctienota’s

Voor wat betreft de hoogte van de opgelegde premies sociale verzekeringen heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank nagelaten aan te tonen dat de werkzaamheden van betrokkene geconcentreerd werden uitgevoerd op twee dagen in de week en dat betrokkene op andere dagen geen handelingen verrichte of aanspreekbaar was als directeur. Aan de stelling van eiseres dat betrokkene slechts op twee dagen in de week de werkzaamheden ten behoeve van haar uitvoerde kan dan ook onvoldoende betekenis worden toegekend.

Boetenota’s

Ten aanzien van de boetenota’s moet worden geoordeeld dat met betrekking tot de verzekeringsplicht van betrokkene sprake is van opzet dan wel grove schuld. Bij de werkgever rust de verantwoordelijkheid om zich ervan te vergewissen of van door hem in verband met arbeid verstrekte vergoedingen loonopgave moet worden gedaan.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2005.

Afschrift verzonden op

mtl