Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU6160

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
23-03-2005
Datum publicatie
15-11-2005
Zaaknummer
59695 ha za 03-688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak / Aandelenlease

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

zaaknummer: 59695 ha za 03-688

datum uitspraak vonnis: 23 maart 2005

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder te noemen Dexia,

procureur: mr. J. Sleeswijk Visser,

advocaat: mr. H. Post,

en

[Gedaagde],

wonende te Enschede,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

verder te noemen [Gedaagde],

procureur: mr. R. Pril.

Het procesverloop

Na het tussenvonnis van 24 maart 2004 heeft Dexia een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte voorwaardelijke wijziging van eis in conventie genomen.

[Gedaagde] heeft een conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens akte vermeerdering eis genomen, Dexia een conclusie van dupliek in reconventie partijen vervolgens ieder een akte, waarop vervolgens vonnis is verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie:

1. De rechtbank herhaalt hetgeen in het tussenvonnis van 24 maart 2004 is overwogen.

2. Dexia ligt – als rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V. – baseert haar vordering op een zogenaamde aandelenlease overeenkomst genaamd WinstVerDriedubbelaar onder contractnummer […] (productie 1, 2 en 3).

3. Het totaal van de aankoopbedragen van de in overeenkomst betrokken aandelen bedraagt € 39.026,13, het totaal van de te betalen rente tijdens de looptijd van 36 maanden van deze overeenkomst bedraagt € 8.188,45, derhalve de totaal overeengekomen (lease-)som € 47.214,58.

4. Door het verstrijken van de overeengekomen looptijd is de overeenkomst geëindigd. In verband hiermee heeft Dexia aan [Gedaagde] een eindafrekening verzonden voor het totaalbedrag van € 13.571,34, welk bedrag Dexia opeisbaar van [Gedaagde] te vorderen heeft (productie 3).

Verhoogd met de contractuele rente ad € 0,96% per maand vanaf 22 juli 2002 tot en met 6 juni 2003, buitengerechtelijke incassokosten en b.t.w. daarover bedraagt de vordering van Dexia een bedrag van € 15.802,86, als bij dagvaarding gevorderd.

Het verweer

5. Kort samengevat stelt [Gedaagde] tot zijn verweer:

a De overeenkomst is te vernietigen wegens dwaling.

b Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht op diverse punten en bij diverse gelegenheden verzaakt. Dat levert toerekenbaar tekortschieten door Dexia op en maakt dat het contract tussen partijen ontbonden dient te worden.

c In de inleidende dagvaarding heeft Dexia op meerdere punten de regels van artikel 21 en 111 Rechtsvordering geschonden.

d Dexia handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door betaling van de restschuld te verlangen.

e De vorderingen van Dexia moeten leiden tot niet ontvankelijkverklaring of afwijzing op grond van hiervoor samengevatte verweren.

In (voorwaardelijke) reconventie:

6. [Gedaagde] vordert op grond van zijn in conventie geformuleerde verweren tegen de vordering van Dexia in reconventie – als gewijzigd bij repliek –:

- de overeenkomst te vernietigen;

subsidiair

de overeenkomst te ontbinden;

en zowel primair als subsidiair Dexia te veroordelen tot terugbetaling van alle door [Gedaagde] betaalde termijnen (zijnde 36 x € 227,46, alsmede een eenmalige termijn van € 45,38) in totaal derhalve zijnde € 8.233,94, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van betaling althans de conclusie van 7 januari 2004.

- meer subsidiair: Dexia, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot vergoeding van de door [Gedaagde] geleden schade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de data van verzuim, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Het verweer

Dexia betwist het door [Gedaagde] in reconventie gestelde en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans ontzegging van diens vordering.

De beoordeling in conventie en reconventie

7. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige aandelenlease-overeenkomst zodanige kenmerken van kredietverlening omvat dat bepalingen van de Wet Consumenten Krediet van toepassing zijn, welke wet door de rechtbank ambtshalve is toe te passen.

8. Wet op het consumentenkrediet (WCK)

8.1 In de Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1WCK).

8.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia [Gedaagde] een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover [Gedaagde] periodiek rente diende te betalen en welk bedrag [Gedaagde] aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

8.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

8.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan

art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van [Gedaagde], reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan [Gedaagde] kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

8.5 De hiertegenover staande opvatting, die blijkt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

8.6 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-[...] (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte, edoch deze eerst per 12 april 2003 verkregen heeft.

8.7 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: “Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

8.8 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

8.9 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

8.10 De omstandigheid dat Dexia inmiddels een WCK-vergunning heeft verkregen betekent niet dat de overeenkomst althans de betrokken rechtshandeling alsnog geldig dient te worden geacht op grond van artikel 3:58 BW. Uit de toelichting bij dat artikel volgt dat bekrachtiging mogelijk is als de vereiste overheidstoestemming aanvankelijk ontbrak, maar nadien alsnog is verleend (PG Bk 3 BW, Deventer 1980 p. 247/8 en 245), echter alleen indien het individueel bepaalde rechtshandelingen betreft.

Hier is echter sprake van een (noodzakelijke) vergunning voor het verrichten van een onbepaald aantal gelijksoortige handelingen.

8.11 Daarenboven is het de rechtbank uit eerdergenoemde procedure Dexia – [...] ambtshalve bekend uit de stellingen van Dexia, dat de per 12 april 2003 verkregen vergunning uitsluitend ziet op het verstrekken van renteloze leningen als bedoeld in

het Dexia Aanbod, niet de ten deze aan de orde zijnde aandelenleaseconstructies.

9. Gevolgen

9.1 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

9.2 Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan [Gedaagde] en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van [Gedaagde], waarbij partijen hebben afgesproken dat koers-fluctuaties voor rekening van [Gedaagde] komen.

Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van [Gedaagde], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient Dexia de door [Gedaagde] betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen.

9.3 In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

(art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom.

Gelet hierop, in het licht van art. 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van het saldo dat bestaat uit de restschuld ad € 13.571,34, voor [Gedaagde] verminderd met de door hem betaalde rentetermijnen (ad € 8.158,57), dienen te dragen.

Dit betekent dat het in conventie gevorderde zal worden afgewezen.

9.4 In reconventie wordt toegewezen het restant van het bedrag aan door [Gedaagde] betaalde aan Dexia rente, dat na het hiervoor in conventie overwogene te zijnen gunste overblijft

(€ 13.571,34 : 2 = € 6.785,67 - € 8.188,45 = € 1.402,78) ad € 1.402,78.

9.5 De overig gevoerde verweren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst geen bespreking.

10.1 Nu Dexia in conventie in het ongelijk is gesteld en [Gedaagde] in reconventie gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, zal de rechtbank Dexia in de volledige proceskosten in conventie en gedeeltelijk in die van de reconventie veroordelen.

De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

I. Wijst af het door Dexia gevorderde.

In reconventie:

II. Veroordeelt Dexia om aan [Gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.402,78 (éénduizendvierhonderdtwee EURO 78/100) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 januari 2004 tot aan de dag der voldoening.

III. Wijst af het meer of anders gevorderde.

In conventie en reconventie:

IV. Veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [Gedaagde] gevallen en tot op deze uitspraak begroot in conventie op € 300,-- aan verschotten en € 1.152,-- aan salaris van de procureur zomede in reconventie op nihil aan verschotten en € 576,-- aan salaris van de procureur, waarvan op de voet van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te betalen aan de griffier van dit gerecht:

€ 150,-- aan in debet gesteld griffierecht,

€ 1.728,-- aan salaris van de procureur,

en aan de procureur van [Gedaagde]:

€ 150,-- aan niet in debet gesteld griffierecht.

V. Verklaart dit vonnis, zowel in conventie als in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en is op woensdag 23 maart 2005 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.