Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU6100

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
14-11-2005
Zaaknummer
63123 ha za 275-04
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Civiel

zaaknummer: 63123 ha za 275-04

datum uitspraak vonnis: 7 september 2005

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[Opposante],

wonende te Enschede,

opposante,

verder te noemen: [Opposante],

procureur: mr. E.H. Hoeksma,

tegen

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in oppositie,

verdere te noemen: Dexia,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat: mr. H. Post te Helmond.

Het procesverloop

Bij dagvaarding van 4 maart 2004 is [Opposante] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 21 januari 2004 dat haar op 9 februari 2004 in persoon is betekend en heeft zij gelijktijdig daarmede een eis in reconventie ingesteld.

Te eerstdienende dage heeft [Opposante] een akte houdende inbreng producties genomen, nadien heeft Dexia voor antwoord in oppositie geconcludeerd.

[Opposante] heeft vervolgens een conclusie genaamd conclusie van dupliek in oppositie en conclusie van repliek in reconventie tevens antwoordakte en wijziging van eis genomen.

Na een conclusie van dupliek in reconventie zijdens Dexia hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. De rechtbank is van oordeel dat [Opposante] tijdig en op de juiste wijze in verzet is gekomen van het verstekvonnis van 21 januari 2005.

2. Dexia – als rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V. – baseert haar vordering op een zogenaamde aandelenlease overeenkomst genaamd Triple Effect Maandbetaling onder contractnummer [Nr] (productie 1, 2 en 3).

3. Het totaal van de aankoopbedragen van de in overeenkomst betrokken aandelen bedraagt € 23.403,87, het totaal van de te betalen rente tijdens de looptijd van 36 maanden van deze overeenkomst bedraagt € 4.910,76, derhalve de totaal overeengekomen (lease-)som € 28.314,63.

4. Door het verstrijken van de overeengekomen looptijd is de overeenkomst geëindigd. In verband hiermee heeft Dexia aan [Opposante] een eindafrekening verzonden voor het totaalbedrag van € 13.562,07, welk bedrag Dexia opeisbaar van [Opposante] te vorderen heeft (productie 4).

Verhoogd met de contractuele rente ad 0,96% per maand vanaf 27 juni 2003 tot en met 24 september 2003, buitengerechtelijke incassokosten en b.t.w. daarover bedraagt de vordering van Dexia een bedrag van € 14.812,49, als bij de oorspronkelijke dagvaarding gevorderd.

Het verweer middels het verzet

5. Kort samengevat stelt [Opposante] tot haar verweer:

a. [Opposante] stelt bij het aangaan van de overeenkomst mede naar aanleiding van de handelwijze van de opgetreden bemiddelaar, die zij als hulppersoon van Dexia wil zien, heeft gedwaald, waarop zij zich in conventie exceptief beroept en in reconventie vernietiging vordert.

b. De overeenkomst is in strijd met de bepalingen van de Wet Consumentenkrediet en mitsdien nietig althans vernietigbaar.

c. Dexia heeft middels misleidende reclame [Opposante] bewogen tot het aangaan van de overeenkomst, die op grond daarvan vernietigd althans ontbonden moet worden.

d. Dexia heeft haar zorgplicht ingevolge de Nadere Regeling Prudentieel Toezicht Effectenverkeer 2002 verzaakt.

e. De vorderingen van Dexia moeten leiden tot vernietiging van het gewezen verstekvonnis en op grond van hiervoor samengevatte wil [Opposante] voorzoveel nodig de vordering van Dexia verrekenen met haar eigen schadevordering, die gelijk is aan de vordering van Dexia vermeerderd met de door haar betaalde maandbedragen en wettelijke rente.

In (voorwaardelijke) reconventie:

6. [Opposante] vordert op grond van haar in conventie geformuleerde verweren tegen de vordering van Dexia in reconventie:

a. De overeenkomst genaamd Triple Maandbetaling te vernietigen althans te ontbinden.

b. Voor recht te verklaren dat Dexia aansprakelijk is voor de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen jegens [Opposante] en/of onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

c. Dexia te veroordelen tot terugbetaling van alle door [Opposante] betaalde termijnen in totaal zijnde € 4.910,76.

d. Artikel 4 van de Algemene Voorwaarden van Dexia te vernietigen.

e. Dexia in de proceskosten te veroordelen.

Het verweer in reconventie

7. Dexia betwist het door [Opposante] in reconventie gestelde en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans ontzegging van haar vordering.

De beoordeling in conventie en reconventie

8. De rechtbank is nader van oordeel dat de onderhavige aandelenlease-overeenkomst zodanige kenmerken van kredietverlening omvat dat bepalingen van de Wet Consumenten Krediet van toepassing zijn, welke wet door de rechtbank ambtshalve is toe te passen.

9. Wet op het consumentenkrediet (WCK)

9.1 In de Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever één of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1WCK).

9.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia [Opposante] een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover [Opposante] periodiek rente diende te betalen en welk bedrag [Opposante] aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

9.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

9.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan

art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van [Opposante], reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan [Opposante] kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

9.5 De hiertegenover staande opvatting, die blijkt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

9.6 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia-[...] (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte, edoch deze eerst per 12 april 2003 verkregen heeft.

9.7 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: “Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

9.8 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

9.9 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

9.10 De omstandigheid dat Dexia inmiddels een WCK-vergunning heeft verkregen betekent niet dat de overeenkomst althans de betrokken rechtshandeling alsnog geldig dient te worden geacht op grond van artikel 3:58 BW. Uit de toelichting bij dat artikel volgt dat bekrachtiging mogelijk is als de vereiste overheidstoestemming aanvankelijk ontbrak, maar nadien alsnog is verleend (PG Bk 3 BW, Deventer 1980 p. 247/8 en 245), echter alleen indien het individueel bepaalde rechtshandelingen betreft.

Hier is echter sprake van een (noodzakelijke) vergunning voor het verrichten van een onbepaald aantal gelijksoortige handelingen.

9.11 Daarenboven is het de rechtbank uit eerdergenoemde procedure Dexia – [...] ambtshalve bekend uit de stellingen van Dexia, dat de per 12 april 2003 verkregen vergunning uitsluitend ziet op het verstrekken van renteloze leningen als bedoeld in

het Dexia Aanbod, niet de ten deze aan de orde zijnde aandelenleaseconstructies.

10. Gevolgen

10.1 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

10.2 Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan [Opposante] en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van [Opposante], waarbij partijen hebben afgesproken dat koers-fluctuaties voor rekening van [Opposante] komen.

Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van [Opposante], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient Dexia de door [Opposante] betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen.

10.3 In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

(art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers wat ook zij van alle door [Opposante] gestelde persoonlijke omstandigheden, aannemelijk blijft dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom.

Gelet hierop, in het licht van art. 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van het saldo dat bestaat uit de restschuld ad € 13.562,07, voor [Opposante] verminderd met de door haar betaalde rentetermijnen (ad € 4.910,76), dienen te dragen.

10.4 In conventie wordt derhalve het verstekvonnis vernietigd voorzover het verder strekt dan het restant van dat bedrag dat na aftrek van door [Opposante] aan betaalde Dexia rente te haren laste overblijft, zijnde een bedrag van

€ 13.562,07: 2 = € 6.781,04- € 4.910,76= € 1.870,28, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 juni 2003.

Aan de reconventionele vordering wordt dan niet meer toegekomen.

10.5 De overig gevoerde verweren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst geen bespreking.

11. Nu beide partijen in conventie deels in het ongelijk zijn gesteld en gedeeltelijke vernietiging van het verstekvonnis zal plaatsvinden en aan de reconventie niet wordt toegekomen, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

I. Vernietigt het door deze rechtbank op 21 januari 2004 onder rolnummer 04-4 gewezen verstekvonnis voorzover de veroordeling van [Opposante] verder gaat dan betaling door [Opposante] aan Dexia van een bedrag van € 1.870,28 (éénduizendachthonderdzeventig EURO 28/100) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 juni 2003 tot aan de dag der voldoening en ontheft [Opposante] van die verdere veroordeling, waaronder begrepen ook de proceskostenveroordeling.

II. Wijst af het meer of anders door [Opposante] gevorderde.

In reconventie:

III. Wijst af het door [Opposante] gevorderde.

In conventie en reconventie:

IV. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

V. Verklaart dit vonnis, zowel in conventie als in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.H. van der Veer en is op woensdag 7 september 2005 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.