Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU5799

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
08-11-2005
Datum publicatie
08-11-2005
Zaaknummer
08/750060-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, leidingevende bij de DCW-bedrijven ("sociale werkplaats"), pleegt seksuele handelingen bij medewerksters met beperkt verstandelijke vermogens. Hij heeft (onder meer) gemeenschap met twee van hen gehad en één van hen aangerand. Uit de psychologische rapportage over verdachte komen aanwijzingen naar voren dat hijzelf beperkingen heeft op emotioneel, communicatief en sociaal gebied. De officier van justitie had in verband daarmee de vrijspraak van de verdachte gevorderd. De rechtbank legt uit waarom zij het niet met de officier van justitie eens is en veroordeelt verdachte tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde dat hij zich houdt aan reclasseringstoezicht. Ook veroordeelt zij verdachte tot schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/750060-05

STRAFVONNIS

Uitspraak: 8 november 2005.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te plaats] op [datum] 1952,

wonende te [plaats en adres],

terechtstaande terzake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 8 maart 1994 tot en met 21 december 1997,

in de gemeente Hengelo (O),

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) [vrouw1] heeft gedwongen tot het

ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [VROUW1, “K.”], hebbende verdachte

- (aan) de (al dan niet ontblote) borsten van die [VROUW1] gevoeld, vastgepakt en/of

betast, en/of

- een of meerdere van zijn, verdachte's, vinger(s) en/of een vibrator in de

vagina van die [VROUW1] geduwd/gebracht, en/of

- zijn penis in de vagina van die [VROUW1] geduwd/gebracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [VROUW1] (toen) dronken heeft gevoerd, althans een (grote) hoeveelheid alcohol

Dheeft doen (op)drinken of heeft opgedrongen, en/of

- die [VROUW1] pornofilms heeft laten zien, en/of

- die [VROUW1] aan haar hand(en) heeft meegetrokken of meegenomen naar zijn,

verdachte's, slaapkamer, en/of

- die [VROUW1] door zijn, verdachte's, psychisch overwicht dat hij (als

leidinggevende van die [VROUW1]) over die [VROUW1] had, aan zijn wil heeft onderworpen,

en/of (aldus) voor die [VROUW1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 8 maart 1994 tot en met 21 december 1997,

in de gemeente Hengelo (O),

met [vrouw1], van wie hij, verdachte, wist dat die [VROUW1] in staat

van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een

zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar

geestvermogens leed dat die [VROUW1] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil

daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [VROUW1],

hebbende verdachte

- (aan) de (al dan niet ontblote) borsten van die [VROUW1] gevoeld, vastgepakt en/of

betast, en/of

- een of meerdere van zijn, verdachte's, vinger(s) en/of een vibrator in de

vagina van die [VROUW1] geduwd/gebracht, en/of

- zijn penis in de vagina van die [VROUW1] geduwd/gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 30 november 1995 tot en met 30 november

1999,

in de gemeente Hengelo (O),

meermalen, althans eenmaal, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [vrouw2, “te R.”]

(telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handeling(en), bestaande (telkens) uit het

- voelen aan en/of vastpakken en/of betasten van de (al dan niet ontblote)

borsten van die [vrouw2], en/of

- het (tegen de zin van die [vrouw2]) zoenen of kussen van die [vrouw2],

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) uit

- het naar haar slaapkamer duwen van die [vrouw2] en/of het (vervolgens) op een

bed duwen van die [vrouw2]; en/of

- het tegen die [vrouw2] zeggen dat ze er niet over mocht praten of niets over

mocht zeggen want anders zou zij, [vrouw2], haar baan kwijtraken; en/of

- het onderwerpen aan zijn, verdachte's, wil door zijn, verdachte's, psychisch

(als baas of leidinggevende van die [vrouw2]) en/of lichamelijk (als een grote,

sterke man) overwicht over die [vrouw2];

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 30 november 1995 tot en met 30 november

1999,

in de gemeente Hengelo (O),

meermalen, althans eenmaal, met [vrouw2], van wie hij, verdachte, wist

dat die [vrouw2] in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde,

dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van

zijn/haar geestvermogens leed dat die [vrouw2] niet of onvolkomen in staat was

zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen

weerstand te bieden, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het (telkens) voelen aan en/of vastpakken en/of

betasten van de (al dan niet onblote) borsten van die [vrouw2] en/of uit het

(tegen de zin van die [vrouw2]) zoenen of kussen van die [vrouw2];

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1994 tot en met 21 december 1997,

in de gemeente Hengelo (O),

meermalen, althans eenmaal, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[VROUW3, “E.”] (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die

(telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [VROUW3],

hebbende verdachte (telkens)

- zijn penis in de vagina van die [VROUW3] geduwd/gebracht, en/of

- (aan) de (al dan niet ontblote) borsten van die [VROUW3] gevoeld, vastgepakt en/of

betast, en/of

- (tegen de zin van die [VROUW3]) die [VROUW3] gezoend of gekust, en/of

- zijn penis in de mond van die [VROUW3] geduwd/gebracht, en/of

- een of meerdere van zijn, verdachte's, vinger(s) en/of een vibrator in de

vagina van die [VROUW3] geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- die [VROUW3] door zijn, verdachte's, psychische overwicht dat hij als

leidinggevende van die [VROUW3] over die [VROUW3] had, aan zijn wil heeft onderworpen

en/of (aldus) voor die die [VROUW3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1994 tot en met 21 december 1997,

in de gemeente Hengelo (O),

meermalen, altans eenmaal, met [vrouw3], van wie hij, verdachte, wist

dat die [VROUW3] in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, dan

wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van

zijn/haar geestvermogens leed dat die [VROUW3] niet of onvolkomen in staat was

zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen

weerstand te bieden, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die

(telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [VROUW3],

hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [VROUW3] geduwd/gebracht, en/of

- (aan) de (al dan niet ontblote) borsten van die [VROUW3] gevoeld, vastgepakt en/of

betast, en/of

- (tegen de zin van die [VROUW3]) die [VROUW3] gezoend of gekust, en/of

- zijn penis in de mond van die [VROUW3] geduwd/gebracht, en/of

- een of meerdere van zijn, verdachte's, vinger(s) en/of een vibrator in de

vagina van die [VROUW3] geduwd/gebracht;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

Met betrekking tot het door de raadsman van verdachte gedane verzoek om de aangeefsters in de onderhavige zaak alsnog als getuige te horen overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel de noodzaak daartoe ontbreekt, nu de rechtbank alle door die aangeefsters afgelegde verklaringen, alsook de overige bewijsmiddelen, waaronder verdachtes eigen verklaring, met behoedzaamheid heeft gewogen en oordeelt dat verdachtes betrokkenheid bij de hem tenlastegelegde feiten in voldoende mate wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op die onderdelen van de hem tenlastegelegde verklaringen die de verdachte betwist.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 primair en sub 3 primair is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 subsidiair, sub 2 primair en sub 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 8 maart 1994 tot en met 21 december 1997,

in de gemeente Hengelo (O), met [vrouw1], van wie hij, verdachte, wist dat die [VROUW1] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens leed dat die [VROUW1] onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen heeft gepleegd, die mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [VROUW1],

hebbende verdachte

- aan de (al dan niet ontblote) borsten van die [VROUW1] gevoeld en

- zijn, verdachte's, vingers en een vibrator in de vagina van die [VROUW1] gebracht en

- zijn penis in de vagina van die [VROUW1] gebracht;

2.

hij in de periode van 30 november 1995 tot en met 30 november

1999, in de gemeente Hengelo (O),meermalen door een feitelijkheid

en bedreiging met een feitelijkheid [vrouw2] telkens heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het

- betasten van de (al dan niet ontblote) borsten van die [vrouw2] en

- het (tegen de zin van die [vrouw2]) zoenen of kussen van die [vrouw2]

en bestaande die feitelijkheid en die bedreiging met die feitelijkheid uit

- het tegen die [vrouw2] zeggen dat ze er niet over mocht praten of niets over

mocht zeggen want anders zou zij, [vrouw2], haar baan kwijtraken en

- het onderwerpen aan zijn, verdachte's, wil door zijn, verdachte's, psychisch

(als baas of leidinggevende van die [vrouw2]) en lichamelijk (als een grote,

sterke man) overwicht over die [vrouw2];

3.

hij in de periode van 1 januari 1994 tot en met 21 december 1997,

in de gemeente Hengelo (O), meermalen met [vrouw3], van wie hij, verdachte, wist dat die [VROUW3] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van

haar geestvermogens leed dat die [VROUW3] onvolkomen in staat was

haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen

weerstand te bieden, telkens handelingen heeft gepleegd, die

mede bestonden uit het seksueel binnendringen

van het lichaam van die [VROUW3], hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [VROUW3] gebracht en

- aan de (al dan niet ontblote) borsten van die [VROUW3] gevoeld en

- (tegen de zin van die [VROUW3]) die [VROUW3] gezoend of gekust, en

- zijn penis in de mond van die [VROUW3] gebracht, en

- zijn, verdachte's, vingers en een vibrator in de vagina van die [VROUW3] gebracht;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 subsidiair, sub 2 primair en sub 3 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 subsidiair en sub 3 subsidiair, telkens het misdrijf:

"Met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij onvolkomen is staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam",

strafbaar gesteld bij artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht, telkens meermalen gepleegd;

en wat betreft sub 2 primair het misdrijf:

"Feitelijke aanranding van de eerbaarheid",

strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake de gehele tenlastelegging wordt vrijgesproken nu naar haar oordeel, op basis van de omtrent verdachte opgemaakte rapportage kan worden geconcludeerd dat verdachte, waarschijnlijk door een bij hem aanwezige hersenbeschadiging, beperkingen in emotionele, communicatie en sociale vermogens heeft en de signalen van de aangeefsters in de onderhavige zaak niet op adequate wijze kon verstaan, hetgeen volgens de officier van justitie betekent dat zij niet kan bewijzen dat er bij verdachte sprake was van opzet dat nodig is voor dwingen in de zin van artikel 242 en 246 Wetboek van Strafrecht en zij evenmin kan bewijzen dat verdachte kon “weten dat” de aangeefsters leden aan gebrekkige verstandelijke vermogens.

De rechtbank volgt de officier van justitie daarin niet en overweegt daartoe het volgende:

Blijkens de omtrent verdachte opgemaakte psychologische rapportage zijn er bij verdachte weliswaar aanwijzingen voor beperkingen op emotioneel, communicatief en sociaal gebied, mogelijk als gevolg van schade in het perforale hersengebied, waardoor hij mogelijk niet in staat was signalen van de onderhavige slachtoffers op adequate wijze te verstaan, doch blijft vorenstaande hypothetisch volgens de psycholoog.

Vast staat wel dat er onvoldoende evidente aanwijzingen aanwezig zijn voor een ziekelijke stoornis en of een gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens ten tijde van het plegen van de delicten en dat hij als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Voorts is naar het oordeel van de psycholoog geenszins zeker dat verdachtes gedragingen werden beïnvloed door voormelde mogelijke stoornis.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachtes opzet was gericht op het hebben van seks met de in de tenlastegelegde genoemde personen.

Aan de hand van vorenvermelde rapportage en hetgeen verder omtrent de persoon van verdachte ter terechtzitting is gebleken oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat verdachte ten tijde van de onderhavige delicten geen enkel inzicht had in het strafwaardig karakter van zijn handelwijze en bij hem iedere vorm van opzet om die delicten te plegen ontbrak. Voorts staat niet vast dat bij verdachte van een zodanig ernstige afwijking sprake was dat aangenomen moet worden dat hij van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen voor de slachtoffers verstoken is geweest. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat er bij verdachte sprake was van het willens en wetens hebben van seks met dames ten aanzien waarvan van verdachte mag worden verondersteld dat hij ten tijde van het plegen van de feiten, mede gelet op de bijzonder positie die verdachte bij de DCW had, te weten die van leidinggevende, bekend was met de beperkte verstandelijke vermogens van de slachtoffers en dat hij het laakbare van zijn handelwijze in voldoende mate heeft ingezien.

De grondslag waarop de officier van justitie vrijspraak van verdachte heeft gevorderd ontbreekt derhalve.

De verdachte is deswege strafbaar, aangezien ook overigens niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf en maatregelen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft bij het plegen van de feiten enkel de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens voor ogen gehad en geen, althans onvoldoende, rekening gehouden met de psychische toestand van de slachtoffers. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijk integriteit van die slachtoffers die bovendien in een van hem, verdachte, afhankelijke positie verkeerden.

Op feiten als de onderhavige dient in principe gereageerd te worden met een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanmerkelijke duur. Gelet echter op de grote tijdspanne tussen de gepleegde feiten en de uiteindelijke behandeling van die feiten ter terechtzitting, alsmede de omtrent verdachte opgemaakte rapportage, zal de rechtbank de op te leggen straf geheel voorwaardelijk en geclausuleerd doen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de slachtoffers voldoende genoegdoening moeten kunnen vinden in die straf temeer nu aan verdachte eveneens de maatregel wordt opgelegd de slachtoffers voor na te melden bedragen, bij wege van voorschot, schadeloos te stellen.

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat nader te noemen personen zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot na te melden bedragen:

terzake van feit 1:

[vrouw1], wonende te [adres en woonplaats], tot een bedrag van

€. 3000,-- als voorschot;

terzake van feit 2:

[vrouw2], wonende te [adres en woonplaats], tot een bedrag van €. 500,--, als voorschot en

terzake van feit 3:

[vrouw3], wonende te [adres en woonplaats], tot een bedrag van €. 3371,--.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [vrouw 2] geheel en de vorderingen van de benadeelde partijen [vrouw1]en [vrouw3] ten dele gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan die benadeelde partijen door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht.

Ten aanzien van voormelde benadeelde partijen overweegt de rechtbank met betrekking tot de hoogte van de schade dat, nu niet middels deskundige en medische attesten is onderbouwd hoe groot de psychische schade voor de slachtoffers is en hoe de slachtoffers zich psychisch gezien in de toekomst zullen ontwikkelen, de uitein- lijke immateriële schade op dit punt niet kan worden vastgesteld. Wel oordeelt de rechtbank dat deze immateriële schade reeds thans voorlopig gewaardeerd dient te worden, voor wat betreft [vrouw1], voornoemd op €. 1500,00, voor wat betreft [vrouw2] voornoemd, op €. 500,00 en voor wat betreft [vrouw3], voornoemd op €. 1500,00, weshalve de rechtbank verdachte tot betaling van die bedragen bij wege van voorschot zal veroordelen. Voor wat betreft de benadeelde partijen [vrouw1] en [vrouw3, beiden voornoemd, dienen de vorderingen voor het overige, als zijnde niet voldoende onderbouwd, niet ontvankelijk te worden verklaard omdat het meerdere telkens niet eenvoudig is vast te stellen en zich aldus niet leent voor behandeling in het strafgeding

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

De na te melden straf en maatregelen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair en sub 3 primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 subsidiair, sub 2 primair en sub 3 subsidiair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende de proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

De veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering Nederland, arrondissement Almelo, ook als dat inhoudt een toeleiding naar begeleiding of behandeling door derden, met opdracht aan die instelling ingevolge artikel 14 d van het Wetboek van Strafrecht.

Veroordeelt verdachte voorts,

terzake van het bewezen feit sub 1 tot betaling aan de benadeelde partij [vrouw1] voornoemd tot een bedrag van €. 1500,--;

terzake van het bewezen feit sub 2 tot betaling aan de benadeelde partij [vrouw2], voornoemd tot een bedrag van €. 500,-- en

terzake van het bewezen feit sub 3 tot betaling aan de benadeelde partij [vrouw3], voornoemd tot een bedrag van €. 1500,--;

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt telkens de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot

€. 1500,00 ten behoeve van de benadeelde [vrouw1], voornoemd; €. 500,00 ten behoeve van de benadeelde [vrouw2], voornoemd en €. 1500,00 ten behoeve van de benadeelde [vrouw3], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van de verschuldigde bedragen volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van respectievelijk 30, 10 en 30 dagen zal worden toegepast

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen die bedragen te betalen, komt te vervallen en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partijen de verschuldigde bedragen heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van die bedragen komt te vervallen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij [vrouw1], voor een deel van

€. 1500,00 niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de benadeelde partij die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij [vrouw3], voor een deel van €. 1871,00 niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de benadeelde partij die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 subsidiair, sub 2 primair en sub 3 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Drewes, voorzitter, mrs. Vogel en Groener, rechters, in tegenwoordigheid van Klaassen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 november 2005.