Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AU4503

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
07-11-2005
Zaaknummer
04 / 970 WAO AG1 A en 04/1034 WAO AG1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft bij verweerder een aanvraag gedaan voor eigenrisicodragerschap ingevolge artikel 75 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder: WAO). Aan eiseres is toestemming verleend om het risico van betaling van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen met ingang van 1 juli 2004 zelf te dragen.

Verweerder heeft eiseres geïnformeerd dat de aan de heer [werknemer] met ingang van 29 januari 2001 toegekende WAO-uitkering vanaf 1 juli 2004 door eiseres dient te worden betaald, aangezien [werknemer] op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid tot werken bij eiseres in dienstbetrekking was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 04 / 970 WAO AG1 A en 04/1034 WAO AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[bedrijf] B.V., gevestigd te [plaats], eiseres,

gemachtigde: R.T. van Baarlen, werkzaam bij De Fiscount Adviesgroep te Zwolle,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam en Hengelo, verweerder

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder d.d. 26 augustus 2004.

Besluit van verweerder d.d. 4 oktober 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres heeft bij verweerder op 24 maart 2004 een aanvraag gedaan voor eigenrisicodragerschap ingevolge artikel 75 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (verder: WAO). Bij besluit van 24 juni 2004 is aan eiseres toestemming verleend om het risico van betaling van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen met ingang van 1 juli 2004 zelf te dragen.

Bij brief van 30 juni 2004 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat de aan de heer [werknemer] (hierna: [werknemer]) met ingang van 29 januari 2001 toegekende WAO-uitkering vanaf 1 juli 2004 door eiseres dient te worden betaald, aangezien [werknemer] op de eerste dag van zijn arbeidsonge-schiktheid tot werken bij eiseres in dienstbetrekking was.

Tegen het besluit van 24 juni 2004 heeft eiseres bij brief van 15 juli 2004 bezwaar gemaakt. Eveneens heeft eiseres bij brief van 23 juli 2004 bezwaar gemaakt tegen verweerders brief van 30 juni 2004.

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft verweerder het bezwaar van 15 juli 2004 ongegrond verklaard. Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft verweerder het bezwaar van 23 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij brief van 5 oktober 2004 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van 26 augustus 2004 (zaak 04/970 WAO). Bij brief van 22 oktober 2004 is beroep ingesteld tegen het besluit van 4 oktober 2004 (zaak 04/1034 WAO).

Verweerder heeft op 9 november 2004 een verweerschrift ingediend dat ziet op het beroep dat is gericht tegen het besluit van 26 augustus 2004. Op 10 november 2004 is een verweerschrift ingekomen dat ziet op het beroep dat gericht is tegen het besluit van 4 oktober 2004.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 september 2005 waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door R.T. van Baarlen. Verweerder - zijnde vestigingsplaats Hengelo - heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Dijkstra.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of de besluiten van 26 augustus 2004 en 4 oktober 2004 in rechte in stand kunnen blijven.

Juridisch kader

Artikel 75 WAO luidt – voor zover thans relevant – als volgt.

1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verleent aan een werkgever op aanvraag toestemming om het risico van betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zelf te dragen, indien de werkgever een schriftelijke garantie overlegt, waaruit blijkt dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verplicht, op het eerste verzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. De overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, voorzover door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke garantie, bedoeld in de eerste zin. De toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het in de eerste zin bedoelde risico is beëindigd.

2. (…)

3. (…)

4. De schriftelijke garantie, bedoeld in het eerste lid, wordt voor onbepaalde tijd afgegeven, strekt zich uit tot rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigen risicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel 75b, vierde en zesde lid en bepaalt dat de desbetreffende kredietinstelling of verzekeraar de garantie kan beëindigen door schriftelijke opzegging bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

5. (…)

6. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze start.

7. Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid:

a. eindigt met ingang van de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het eerste lid, eindigt, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigen risicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;

b. wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op 1 januari of 1 juli van enig jaar beëindigd op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend;

c. kan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zonder aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang worden beëindigd indien de rechtbank de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk IX van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk de bijzondere voorziening als bedoeld in hoofdstuk X van de Wet toezicht kredietwezen 1992 heeft uitgesproken over de betrokken verzekeraar onderscheidenlijk kredietinstelling.

8. (…)

Uit het overgangsrecht zoals dat neergelegd is in artikel 91b, eerste lid, WAO volgt dat ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van de arbeidsongeschiktheid is gelegen voor 1 januari 2004 artikel 75a WAO van toepassing blijft zoals dat luidde op 31 december 2003.

Artikel 75a WAO luidde op 31 december 2003- voor zover thans relevant - als volgt.

1. De eigen risicodrager draagt gedurende de periode van vijf jaar nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die is toegekend:

a. aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet tot de eigen risicodrager in dienstbetrekking stond en ter zake van die ongeschiktheid de wachttijd van 52 weken, bedoeld in artikel 19 heeft doorgemaakt;

b. (…)

c. (…)

d. (…)

2. (…)

3. (…)

4. De eigen risicodrager betaalt, met inachtneming van artikel 71, de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de werknemer, bedoeld in het eerste lid. Indien de eigen risicodrager de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet betaalt, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de arbeidsongeschiktheidsuitkering en verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de eigen risicodrager.

5. (…)

6. (…)

Artikel 75b WAO luidt – voor zover thans relevant – als volgt.

1. Indien een werkgever eigen risicodrager wordt, wordt het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de werknemer, bedoeld in artikel 75a, die is ingegaan vóór de dag waarop deze werkgever eigen risicodrager wordt, vanaf die dag door de eigen risicodrager gedragen, overeenkomstig artikel 75a.

2. (…)

3. Het tweede lid betreft het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, overeenkomstig artikel 75a, die is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid in dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen.

4. (…)

5. Indien het zelf dragen van het risico eindigt of wordt beëindigd anders dan als gevolg van overgang van onderneming van de werkgever, bedoeld in het vierde lid, blijft de werkgever het risico van de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dragen, overeenkomstig artikel 75a, die is of wordt toegekend aan de werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid tot hem in dienstbetrekking stond. Indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn, betaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de in de eerste zin bedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering en verhaalt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, op de kredietinstelling of verzekeraar, bedoeld in artikel 75, eerste lid.

6. (…)

Standpunten partijen

Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2004 ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat met het besluit van 24 juni 2004 per 1 juli 2004 het door eiseres zelf dragen van het risico van betaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is ontstaan en dat beëindiging van dit eigen risico uitsluitend mogelijk is op grond van de wettelijke bepalingen van artikel 75, zevende lid, WAO. Gelet op artikel 75, zevende lid, onder b, WAO merkt verweerder het bezwaarschrift derhalve aan als een verzoek om ingaande 1 januari 2005, zijnde de eerste mogelijke datum van beëindiging, het zelf dragen van het risico van betaling van arbeidson-geschiktheidsuitkeringen te beëindigen. Het verzoek is overgedragen aan de afdeling CUP/Pemba.

Verweerder heeft het bezwaar tegen de brief van 30 juni 2004 eveneens ongegrond verklaard. Daartoe wordt aangevoerd dat eiseres per 1 juli 2004 eigenrisicodrager is. [werknemer] is met ingang van 31 januari 2000 arbeidsongeschikt geworden en op dat moment stond hij in dienstbetrekking tot eiseres. Bij besluit van 24 juni 2004 is aan [werknemer] medegedeeld dat een WAO-uitkering wordt toegerekend met ingang van 29 januari 2001. De verstrekking van het voorschot wordt beëindigd met ingang van 1 juli 2004. Vorenstaande heeft tot gevolg dat eiseres over de periode

1 juli 2004 tot en met 28 januari 2006 verantwoordelijk is voor de betaling van de WAO-uitkering aan [werknemer].

Eiseres voert in beroep – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan. Eiseres voelt zich door verweerder misleid en bedrogen. Zij acht de bestreden besluiten in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name de artikelen 3:3 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de feiten en omstandigheden blijkt duidelijk dat, ten tijde van de aanvraag voor het eigen risico dragen per 1 juli 2004, door verweerder geen WAO-uitkeringen aan de ex-werknemer, [werknemer], waren toegekend en verweerder eiseres ook niet van een dergelijke toekenning in kennis had gesteld. Uit de door verweerder op 11 september 2000 gedane mededeling, in weerwil van een schriftelijke mededeling van 7 februari 2001 door verweerder aan [werknemer], dat voorschotten worden betaald in afwachting van een onderzoek, heeft eiseres niet kunnen begrijpen dat reeds WAO-uitkeringen vanaf 29 januari 2001 zouden zijn toegekend. De verantwoordelijkheid van eiseres tot betaling van toegekende WAO-uitkeringen, als bedoeld in artikel 75, 75a en 75b WAO heeft geen betrekking op voorschotbetalingen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, WAO. Eiseres ziet in de toekenning van WAO-uitkering met terugwerkende kracht tot 29 januari 2001 op hetzelfde moment als het primaire besluit tot toestemming voor het dragen van het eigen risico per 1 juli 2004, te weten 24 juni 2004, geen ander doel dan de WAO-uitkeringen van [werknemer] van 1 juli 2004 tot 28 januari 2006 voor rekening van haar te laten komen. Eiseres meent dan ook dat verweerder zijn bevoegdheid tot het nemen van een besluit inzake toekenning van WAO-uitkeringen aan [werknemer] voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor de bevoegdheid is verleend. Dit is in strijd met artikel 3:3 van de Awb. Daarnaast meent eiseres dat de voor haar nadelige gevolgen van de bestreden besluiten onevenredig zijn aan de met die besluiten te dienen doelen. Dit is in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Indien verweerder, voorafgaand aan de toekenning van de WAO-uitkeringen aan [werknemer] op 24 juni 2004, op grond van een in het jaar 2000 uitgevoerd onderzoek, eiseres had geïnformeerd, dan had zij terstond de aanvraag voor het dragen van het eigen risico per 1 juli 2004 ingetrokken. Door verweerders - naar zeggen van eiseres - laakbare handelwijze heeft eiseres eerst in bezwaar voornoemde aanvraag kunnen intrekken en heeft verweerder eiseres ten onrechte de mogelijkheid ontnomen om een juiste inschatting van het risico van het dragen van het eigen risico per 1 juli 2004 te kunnen maken. Dit acht eiseres in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. Bovendien stelt eiseres zich op het standpunt dat de garantieverklaring niet voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 75 WAO. Dit impliceert dat de door verweerder verleende toestemming voor het dragen van het eigen risico op onjuiste dan wel ondeugdelijke gronden is gebaseerd.

In de verweerschriften heeft verweerder – samengevat – aangevoerd dat zij eiseres niet kan volgen in haar stelling dat zij in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts meent zij dat de afgegeven garantieverklaring voldoet aan de wettelijke vereisten.

De rechtbank overweegt als volgt:

Met betrekking tot het beroep dat is geregistreerd onder nummer 04/970.

Voor zover eiseres ter zitting heeft betoogd dat de aanvraag voor eigenrisicodragerschap enkel ziet op werknemers en niet op ex-werknemers volgt de rechtbank haar hierin niet. Uit artikel 75a, eerste lid, WAO volgt immers dat bepalend is of de werknemer ten tijde van zijn eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet (ZW) tot de eigen risicodrager in dienstbetrekking stond. Tussen partijen is niet in geschil dat [werknemer] op zijn eerste dag van ongeschiktheid, te weten 31 januari 2000, als bedoeld in artikel 19 ZW tot eiseres in dienstbetrekking stond. Dat deze dienstbetrekking op een later tijdstip is beëindigd maakt dit niet anders.

Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat sprake is van misleiding en bedrog van de zijde van verweerder, daar hij geen duidelijkheid heeft verschaft over de WAO-aanspraken van [werknemer], overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres bij haar inschatting om al dan niet vanaf 1 juli 2004 het eigen risico te dragen rekening kunnen houden met de omstandigheid dat er mogelijkerwijs aan [werknemer] een WAO-uitkering zou worden toegekend. Hierbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat verweerder eiseres gedurende het hele traject van de WAO-beoordeling van [werknemer] op de hoogte heeft gehouden. In dit verband zijn diverse brieven naar eiseres verzonden waaruit eiseres kon afleiden dat [werknemer] voor 25-30% arbeidsongeschikt is verklaard. In dit verband verwijst de rechtbank naar de brief van 11 september 2000 waarin eiseres is medegedeeld dat [werknemer] is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25-35%, de brief van 7 februari 2001 waarbij eiseres een afschrift van het besluit van 7 februari 2001 gericht aan [werknemer] is toegezonden waarin [werknemer] wordt medegedeeld dat de WAO-uitkering op basis van een voorschot betaalbaar zou worden gesteld nu de hoogte van zijn dagloon nog niet was vastgesteld, en de brief van 1 mei 2002 waarbij eiseres een afschrift van het besluit van 1 mei 2002 gericht aan [werknemer] is toegezonden waarin [werknemer] is medegedeeld dat zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd moet worden vastgesteld op 25-35%. Dat eerst op 24 juni 2004 de definitieve omzetting van het voorschot naar een officiële WAO-uitkering heeft plaatsgevonden leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres dient immers eerst per 1 juli 2004 het risico van betaling van de WAO-uitkeringen te dragen. Ook indien het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering inzake [werknemer] op een na 1 juli 2004 gelegen tijdstip was genomen dan had eiseres – gelet op het bepaalde in artikel 75b, eerste lid, WAO – ook per 1 juli 2004 het risico van de betaling dienen te dragen. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiseres lag om – indien zij dat noodzakelijk achtte in het kader van de te maken afweging om al dan niet eigen risicodrager te worden –een verzoek om nadere informatie bij verweerder in te dienen. Het is niet aan verweerder om deze informatie bij elke aanvraag tot eigenrisicodragerschap ‘spontaan’ te verstrekken. Vorenstaande in ogenschouw nemende is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van misleiding of bedrog van de zijde van verweerder.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de garantieverklaring voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 75 WAO. Het in dit verband door eiseres aangevoerde treft derhalve geen doel. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt evenmin tot een andersluidend oordeel.

Gelet op het vorenstaande is dit beroep ongegrond.

Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hetgeen overigens is gevorderd door eiseres wordt eveneens afgewezen.

Met betrekking tot het beroep dat is geregistreerd onder nummer 04/1034.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat eiseres op grond van de door haar zelf gevraagde toestemming vanaf 1 juli 2004 eigen risicodrager is.

De rechtbank overweegt ambtshalve nog het volgende.

Op grond van artikel 7:1, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb, staat tegen een besluit bezwaar open. Onder een besluit wordt, blijkens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 11 november 2004 (geregistreerd onder nummer 04/799) en 3 maart 2005 (geregistreerd onder nummer 03/4321) is de rechtbank van oordeel de brief van 30 juni 2004 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief bevat informatie over de direct uit de wet voortvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van een WAO-uitkering aan een (ex-)werknemer van eiseres, en mist derhalve zelfstandige betekenis.

Verweerder had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd wegens schending van artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. Nu verweerder met inachtneming van deze uitspraak geen ander besluit mag nemen dan het bij hem gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar van 23 juli 2004 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep ad € 644,--.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer 04/970 ongegrond;

- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer 04/1034 gegrond en vernietigt het bestreden besluit d.d. 4 oktober 2004;

- verklaart het bezwaar van 23 juli 2004 alsnog niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit d.d. 4 oktober 2004;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het beroep dat is geregistreerd onder nummer 04/1034, welke kosten worden bepaald op € 644,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht in de zaak 04/1034 ad € 273,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de

Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van I.A.M. Booijink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2005.

Afschrift verzonden op

mtl