Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT9004

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
11-07-2005
Datum publicatie
11-07-2005
Zaaknummer
08/-35067-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een vlees verwerkend bedrijf, heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal uiteenlopende misdrijven en overtredingen die zich alle afspelen binnen de bedrijfssfeer en waarbij opvalt dat verdachte grote risico’s neemt door wettelijke regelingen naar eigen goeddunken te interpreteren dan wel, deze om haar moverende redenen, naast zich neer te leggen. Verdachte heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van quarantainevoorschriften en onvoldoende zorg betracht met betrekking tot de opslag en verwerking vlees en de regulering van afvalstromen. Tengevolge van een ondeugdelijke werkwijze op de werkvloer van verdachte heeft een ongeval plaatsgevonden waardoor letsel is ontstaan. Opgelegd worden 8 geldboetes, in totaal 70.750 euro, waarvan 34.600 euro voorwaardelijk. Daarbij is ermee rekening gehouden dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld. Bij een afzonderlijke uitspraak die elders op deze site is gepubliceerd, wordt van verdachte ook het wederrechtelijk genoten voordeel, ruim 47.000 euro, ontnomen.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 17
Vleeskeuringswet
Destructiewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2005/50 met annotatie van Red.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummers: 35067/04, 760104/05, 35217/03 STRAFVONNIS

(Schriftelijk vonnis economische politierechter)

Uitspraak: 11 juli 2005

De economische politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte] B.V.,

gevestigd te [plaats], [adres],

terechtstaande ter terechtzitting terzake parketnummer 35067/04 dat:

1.

verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli

2003 tot en met 31 december 2003, althans in of omstreeks het tijdvak van 30

oktober 2003 tot en met 31 oktober 2003,

in de gemeente Enschede, in elk geval in Nederland,

al dan niet opzettelijk,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- in strijd met het bepaalde in artikel 9a van de Regeling betreffende het

bijeenbrengen van dieren 2000 -

meermalen, althans eenmaal, (telkens) één of meer, rund(eren), afkomstig van

verschillende plaatsen, op één plaats, te weten een stal gelegen aan de

Noordergrensweg 59 te Lonneker, voor een kortere periode dan 21 dagen bijeen

heeft gebracht;

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn/haar mededader(s) (telkens) die/dat

rund(eren) bijeengebracht, althans gestald, in die stal en/of (vervolgens)

(telkens) binnen een periode van 21 dagen na het bijeenbrengen, althans

stallen, die/dat rund(eren) (vanuit die stal) vervoerd naar het/een slachthuis

van verdachte in Enschede;

(parketnummer 08/035067-04);

art 9a lid 1 Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

verdachte op éen of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli

2003 tot en met 31 december 2003, althans op of omstreeks 31 oktober 2003,

in de gemeente Enschede, in elk geval in Nederland,

al dan niet opzettelijk,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- in strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Regeling aanvullende

voorschriften besmettelijke dierziekten -

meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) evenhoevige(n), te weten (telkens)

één of meer, rund(eren), van een bedrijf en/of een andere plaats, te weten een

stal gelegen aan de Noordergrensweg 59 te Lonneker, in elk geval niet zijnde

een erkend verzamelcentrum, heeft afgevoerd terwijl in de periode van 21 dagen

voorafgaand aan het (voorgenomen) vervoer/afvoer op/van dat bedrijf en/of die

plaats, (een) evenhoevige(n) (op dat bedrijf of op die plaats) was/waren

aangevoerd;

(parketnummer 08/035067-04);

art 10 lid 1 Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten

2.

zij op of omstreeks 7 januari 2004, (te omstreeks 08.15 uur),

in de gemeente Enschede, in ieder geval in Nederland,

vers vlees, te weten een of meer runderachtervoeten en/of runderstompen met

vang, zijnde/althans één of meer hele karkassen, halve karkassen, halve

karkassen die in ten hoogste drie stukken zijn verdeeld en/of voeten van

runderen, heeft opgeslagen anders dan overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk XII

van het Besluit produktie en handel vers vlees,

immers was de inwendige temperatuur van dat verse vlees hoger dan +7 graden

Celsius;

(parketnummer 08/035094-04);

art 2 lid 1 ahf/ond A sub g Besluit produktie en handel vers vlees

art 19 lid 3 ahf/ond b alinea Vleeskeuringswet

art 19 lid 3 ahf/ond c alinea Vleeskeuringswet

3.

zij op of omstreeks 7 januari 2004, (te omstreeks 09.30 uur),

in de gemeente Enschede, in elk geval in Nederland,

vers vlees, te weten een of meer (runder)achtervoeten, zijnde uitgesneden

delen of stukken die kleiner zijn dan bedoeld in artikel 2, lid 1, onder A,

van het Besluit produktie en handel vers vlees, en/of uitgebeend vlees met of

zonder onmiddelijke verpakking, heeft uitgesneden, uitgebeend en/of van een

onmiddellijke verpakking voorzien anders dan overeenkomstig bijlage I,

hoofdstuk IX, van voornoemd Besluit,

immers was de de inwendige temperatuur van dat vlees tijdens het uitsnijden,

het uitbenen, de directe en/of de eindverpakking hoger dan +7 graden Celsius;

(parketnummer 08/035094-04);

art 2 lid 1 ahf/ond b Besluit produktie en handel vers vlees

art 19 lid 3 ahf/ond b alinea Vleeskeuringswet

art 19 lid 3 ahf/ond c alinea Vleeskeuringswet

4.

zij op of omstreeks 7 juni 2004,

in de gemeente Enschede,

in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002

dierlijke bijproducten en/of verwerkte producten, te weten (met mest en/of

mestpartikels) bezoedelde stierenroden, slokdarmen en/of voorkniegewrichten

(van geslachte runderen), heeft verzameld, vervoerd en/of geïdentificeerd,

immers

- waren die dierlijke bijproducten en/of verwerkte producten niet verzameld

en/of opgeslagen in recipiënten, te weten (zogenaamde) eurobakken, die van

(de voorgeschreven) opschriften waren voorzien; en/of

- werden die dierlijke bijproducten en/of verwerkte producten verzameld en/of

opgeslagen in recipiënten, te weten (zogenaamde) eurobakken, die ook werden

gebruikt voor het verzamelen en opslaan van vlees en/of vet bestemd voor

menselijke consumptie; en/of

- waren die dierlijke bijproducten en/of verwerkte producten niet verzameld of

opgeslagen in recipiënten, te weten (zogenaamde) rvs wielbakken, die

afgedekt en/of lekvrij waren;

(parketnummer 08/035373-04);

art 7 lid 1 sub a Uitv.reg. EG-Verord. gezondh.voorschr.dierlijke bijproducten

5.

zij op of omstreeks 25 juli 2003,

in de gemeente Enschede,

al dan niet opzettelijk, een deel van een wervelkolom van een rund ouder dan

12 maanden, zijnde gespecificeerd hoog-risico-materiaal, in elk geval

destructiemateriaal, heeft onttrokken aan (de voor gespecificeerd

hoog-risico-materiaal voorgeschreven) verwerking;

(parketnummer 08/035517-03);

art 4 lid 1 Destructiewet

6.

zij op of omstreeks in of omstreeks het tijdvak van 8 maart 2004 tot en met 9

maart 2004,

in de gemeente Enschede,

als handelaar of organisatie heeft gehandeld in strijd met artikel 13 lid 1

en/of lid 5 sub a van de Verordening (EG) nr. 1760/2000,

immers heeft zij toen een hoeveelheid rundvlees niet overeenkomstig artikel

13 van voornoemde Verordening geëtiketteerd aangezien -zakelijk weergegeven-

(alle) vleesdelen van runderen waren/werden voorzien van etiketten waarop

(steeds) Nederland als geboorteland en/of opgroeiland van die runderen werd

vermeld, zulks terwijl een hoeveelheid van dat rundvlees afkomstig was van

runderen die waren geboren en/of opgegroeid in Ierland en/of in de

Bonsdrepubliek Duitsland;

(parketnummer 35225/04)

art 2 lid 7 Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten

7.

zij op of omstreeks 21 oktober 2003,

in de gemeente Enschede, in ieder geval in Nederland,

als werkgeefster, in haar verdachtes onderneming, in welke onderneming alstoen

in de/een slachthal op een locatie aan [adres], zijnde een

arbeidsplaats, door verdachte's werknemer [werknemer] arbeid werd verricht,

bestaande uit het door die [werknemer] (afwisselend) zowel linkshandig als

rechtshandig met een (slagers)mes verrichten van snijhandelingen, waarbij

gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van die [werknemer] op de

arbeidsplaats aanwezig was en/of kon ontstaan, niet het voorschrift van

artikel 8.3, lid 1 en/of lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft

nageleefd,

immers was/waren voor die [werknemer] die aan dat gevaar blootstond, althans kon

blootstaan, geen persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal

beschikbaar, aangezien aan die [werknemer] slechts één beschermende snijvaste

(linker-)handschoen was verstrekt, althans aangezien die [werknemer] slechts één

beschermende snijvaste (linker-)handschoen droeg althans ter beschikking had,

en/althans heeft verdachte er niet voor gezorgd dat die [werknemer] tijdens

voornoemde werkzaamheden de persoonlijke beschermingsmiddelen, te weten twee

beschermende snijvaste handschoenen, gebruikte,

zulks terwijl zij, verdachte, als werkgeefster wist of redelijkerwijs moest

weten dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die

[werknemer] ontstond of te verwachten was;

(parketnummer 35138/04)

art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998

art 8.3 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit

art 8.3 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

terzake parketnummer 760104/05 dat:

verdachte op of omstreeks 14 januari 2005,

te Enschede, in elk geval in Nederland,

bij wege van bedrijf een hoeveelheid vlees en/of vleeswaren, heeft bewaard

en/of bereid en/of bewerkt, elders dan in een inrichting, als bedoeld in

artikel 19 lid 1 van de Vleeskeuringswet, die aan de daaraan krachtens dat lid

gestelde eisen voldeed en/of die overeenkomstig de krachtens artikel 19 lid 2

onder a van voornoemde Wet gestelde regels werd gebruikt, en/of waar ten

aanzien van het gebruik van de daarin aanwezige toestellen en gereedschappen

aan de krachtens artikel 19 lid 2 onder a van voornoemde Wet gestelde regels

werd voldaan en/of waar de daarin aanwezige hoeveelheid vlees of de daarin

aanwezige vleeswaren aan de krachtens artikel 19 lid 2 onder b ten 2e van

voornoemde Wet gestelde eisen voldeden, immers

werd het uitsnijden niet zodanig verricht dat iedere verontreiniging van het

vlees werd voorkomen en/of,

kwam(en) het vlees en de bakken waarin het vlees zich bevond rechtstreeks met

de vloer in aanraking en/of

werd(en) materieel en/of instrumenten die/dat bij de bewerking van vers vlees

werd(en) gebruikt niet in een goede staat van onderhoud en reinheid gehouden

en aldus/althans werd niet een zo volmaakt mogelijke reinheid in acht genomen

ten aanzien van de lokalen en/of het materieel;

(parketnummer 760104/05)

punt(en) 18 en/of 20 Hoofdstuk V en/of punt 46e Hoofdstuk IX van bijlage I

van het Besluit produktie en handel vers vlees

art 19 lid 3 ahf/ond b alinea Vleeskeuringswet

art 19 lid 3 ahf/ond c alinea Vleeskeuringswet

terzake parketnummer 35217/03 dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 8 april 2002 tot en met 8 mei 2002,

althans in of omstreeks de periode van 8 april 2002 tot en met 5 juli 2002,

in de gemeente Enschede en/of in de gemeente Lichtenvoorde en/of in de

gemeente Velsen, althans (elders) in Nederland,

opzettelijk, een of meer partij(en)/hoeveelhe(i)d(en) vlees, te weten

- een partij/hoeveelheid van (ongeveer) 139.992 kilogram (rund)vlees

opgeslagen bij [derde1] B.V. te Velsen, en/of

- een partij/hoeveelheid van (ongeveer) 441.421 kilogram (rund)vlees

opgeslagen bij [derde2] B.V. te Lichtenvoorde, en/of

- een partij van (ongeveer) 21.871 kilogram (rund)vlees opgeslagen bij [derde3] B.V. te Harreveld,

(telkens) zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken aan verwerking;

(parketnummer 08/035217-03);

art 4 lid 1 Destructiewet

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 mei 2002 tot

en met 5 juli 2002, in de gemeente Enschede en/of in de gemeente Lichtenvoorde en/of in de gemeente Velsen en/althans (elders) in Nederland,

- al dan niet als bewaarder - meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een gedeelte/gedeelten van) een partij(en)/hoeveelhe(i)d(en) vlees, te weten

- op of omstreeks 14 mei 2002 een gedeelte van (ongeveer) 2.754 kilogram

(rund)vlees, opgeslagen bij [derde3] B.V. te

Harreveld, en/of

- op of omstreeks 27 mei 2002 een gedeelte van (ongeveer) 24.579 kilogram

(rund)vlees, opgeslagen bij [derde1] B.V. te Velsen, en/of

- op of omstreeks 30 mei 2002 een gedeelte van (ongeveer) 691 kilogram

(rund)vlees opgeslagen bij [derde3] B.V. te

Harreveld, waarop door de Keuringsdienst van Waren, Oost, op 8 mei 2002, op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, in elk geval krachtens de wet, beslag was gelegd, (telkens) aan dat beslag heeft onttrokken, althans heeft

toegelaten dat genoemd(e) goed(eren) (telkens) aan dat beslag werd(en)

onttrokken;

(parketnummer 08/035217-03);

art 198 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

De economische politierechter leest de in parketnummer 08/035067-04 onder feit 2 vermelde aanduiding: "hoofdstuk XII" als: "hoofdstuk XIII".

Gelet op de inhoud van de betreffende bijlage, in samenhang gezien met de tekst van de tenlastelegging, is hier sprake van een kennelijke schrijffout, die bij deze wordt hersteld. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

Namens verdachte is ter terechtzitting ten aanzien van het onder parketnummer 035067-04 onder 1 tenlastegelegde betoogd dat sprake is van tegenstrijdigheid in de toepasselijke regelgeving.

Dit verweer wordt gepasseerd. Verdachte heeft, zo blijkt uit het proces verbaal, runderen afkomstig van verschillende plaatsen op één plaats voor een kortere tijd dan 21 dagen bijeengebracht en deze niet rechtstreeks naar het slachthuis afgevoerd.

In casu is de bepaling betreffende het rechtstreeks naar het slachthuis afvoeren van runderen, waarop de verdediging zich beroept, dus niet aan de orde.

Of van een tegenstrijdigheid sprake is, kan dus in het midden worden gelaten.

Voor zover de raadsman van verdachte met het verweer dat verdachte tengevolge van distributieproblemen in de aanvoer van runderen, technische storingen en/of vertragingen in het slachtproces, zich genoodzaakt voelde te handelen zoals zij deed, heeft willen betogen dat verdachte in deze geen enkele schuld treft, wordt ook dit verweer verworpen. De wetgever heeft, mede naar aanleiding van EG-bepalingen, een aantal beschermende maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke dierziekten getroffen, waaronder het onderhavige quarantainevoorschrift. Verdachte heeft, ook als zij zelf andere opvattingen heeft omtrent het mogelijk gevaar van haar handelen, de keuzes van de wetgever te accepteren. Zij dient zo nodig tot aanpassing van haar bedrijfsvoering over te gaan. Indien zij zich niet kan vinden in de inhoud van de wettelijke regeling ligt op haar weg om via branche organisaties wijzigingen in de regelgeving te bewerkstelligen.

Namens verdachte is ter terechtzitting ten aanzien van het onder parketnummer 035067-04 onder 2 tenlastegelegde gesteld dat een bestanddeel ontbreekt, in die zin dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat in de tenlastelegging had moeten worden opgenomen dat de metingen na de keuring na het slachten zijn verricht.

Indien en voor zover de verdediging zich hiermee heeft willen beroepen op geheel of gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding, dan wel op ontslag van alle rechtsvervolging, worden deze verweren verworpen.

Dat het tenlastegelegde door het ontbreken van de betreffende passage onvoldoende duidelijk of voor verdachte onbegrijpelijk is, is mede gelet op de behandeling ter terechtzitting, niet gebleken.

Voor zover de betreffende passage al als een bestanddeel van het door het OM bedoelde delict moet worden aangemerkt, is het ontbreken daarvan voldoende ondervangen door de in de tekst opgenomen verwijzing naar de betreffende wettelijke bepaling en bijlage, waarin de tekst waar de raadsman op doelt uitdrukkelijk is opgenomen. Van het ontbreken van een bestanddeel waardoor het tenlastegelegde niet te kwalificeren zou zijn, is niet gebleken.

De stelling van de raadsman dat op een naderhand opgesteld aanvullend proces-verbaal van de controleambtenaren geen acht mag worden geslagen vindt geen steun in het recht en wordt derhalve verworpen.

Namens verdachte is voorts gesteld:

- dat de onderhavige temperatuureis ziet op het vervoer van vlees naar uitsnijderijen of slagerijen wanneer het vervoer meer dan twee uur in beslag neemt;

- dat in casu gelet op de afstand van slechts 2 km het vervoer slechts enkele minuten in beslag neemt; en

- dat verdachte in de ongelukkige omstandigheid verkeert dat slachterij en uitsnijderij niet inpandig met elkaar verbonden zijn.

Verdachte heeft zich in verband hiermee beroepen op een schulduitsluitings- of rechtvaardigingsgrond. Ook deze verweren worden verworpen.

Wat er ook zij van vestigings-, distributie- en/of arbeidstechnische problemen, afwezigheid van alle schuld of rechtvaardiging van de handelswijze van verdachte kan niet zonder meer worden aangenomen. Het is aan verdachte om haar bedrijfsvoering aan te passen of -indien zulks mogelijk is- bijvoorbeeld door middel van ontheffing, vrijstelling en/of vergunning te legaliseren. Dat verdachte op dit punt al het mogelijke heeft gedaan wat binnen haar vermogen ligt is geenszins gebleken. Een en ander valt onder het bedrijfsrisico van verdachte en het is aan haar om daarin de juiste keuzes te maken. Het staat haar daarbij in ieder geval niet vrij (het doel van de) de wettelijke regeling naar eigen goeddunken te interpreteren en wettelijke bepalingen naast zich neer te leggen.

Namens verdachte is ter terechtzitting ten aanzien van het onder parketnummer 035067-04 onder 3 tenlastegelegde gesteld dat -nu uit het eerste proces-verbaal niet blijkt dat de temperatuursmeting heeft plaatsgevonden onder de vereiste omstandigheden- geen acht mag worden geslagen op het aanvullende proces-verbaal.

Zoals hiervoor reeds overwogen vindt deze stelling geen steun in het recht en wordt deze derhalve verworpen.

Hieraan is namens verdachte voorts de conclusie gekoppeld dat het feit zoals tenlastegelegd niet kan worden gekwalificeerd.

Ook deze stelling wordt verworpen. De tenlastelegging, in samenhang bezien met de wettelijke bepalingen waarnaar wordt verwezen, bevat alle bestanddelen van het delict waar het OM op doelt.

Voor zover verdachte zich ook bij dit feit op een schulduitsluitingsgrond of rechtvaardigingsgrond vanwege arbeidstechnische problemen heeft willen beroepen wordt ook dit verweer verworpen op de gronden als hiervoor (zie feit 2) reeds weergegeven.

Ten aanzien van het onder parketnummer 035067-04 onder 5 tenlastegelegde is namens verdachte gesteld dat, (het deel) van de wervelkolom van het rund, waarvan de controleurs concluderen dat het afkomstig is van een rund ouder dan 12 maanden, niet als zogenaamd "gespecificeerd hoog-risico-materiaal" kan worden aangemerkt.

Dit verweer treft doel.

Blijkens de bijlage XI hoofdstuk A punt 1 onder a punt i en ii van de verordening 999/2001/EG wordt, voor zover van belang, als gespecificeerd-hoog risico-materiaal aangewezen:

"….het ruggemerg van runderen van meer dan 12 maanden oud…."

"….de wervelkolom van runderen…..van meer dan 30 maanden oud…"

Uit het proces-verbaal blijkt niet dat het deel van de onderhavige wervelkolom afkomstig is van een rund ouder dan 30 maanden. Bovendien kan de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede "een deel van een wervelkolom van een rund ouder dan 12 maanden, zijnde gespecificeerd hoog-risico-materiaal" niet worden bewezen.

Nu het feit op de wijze zoals het ten laste is gelegd niet kan worden bewezen, dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten tenlastegelegd onder parketnummer 35217-03 wordt het volgende overwogen.

Bij brief van 8 april 2002 is verdachte -die, mede gezien haar verklaring ter zitting, reeds op de hoogte was van de omstandigheid dat de betrokken partijen vlees werden aangemerkt als partijen welke ten onrechte waren voorzien van een EG-keurmerk- door de veterinair Hoofdinspecteur/plv. Algemeen directeur van de Keuringsdienst van Waren (KvW) uitdrukkelijk aangeschreven dat de onderhavige partijen vlees door verdachte bij de destructor dienden te worden aangemeld voor vernietiging, teneinde deze onbruikbaar te maken voor voedsel voor mens en dier.

Nu verdachte dit niet heeft gedaan heeft zij destructiemateriaal onttrokken aan verwerking, hetgeen op grond van artikel 4 van de Destructiewet verboden is.

Voor zover verdachte ter terechtzitting heeft willen betogen dat op dat moment (nog) geen sprake was van destructiemateriaal en zij aldus om haar moverende redenen mocht wachten met het ter verwerking aanbieden daarvan, is zij daarin niet geslaagd.

Het hierna uiteen te zetten wettelijk stelsel is daarbij van belang:

- Artikel 1 van de Destructiewet bepaalt dat onder destructiemateriaal onder meer moet worden verstaan: "laag-, hoog- en gespecificeerd hoog risicomateriaal als bedoeld in artikel 2";

- Artikel 2 van de Destructiewet bepaalt dat onder hoog-risico-materiaal onder andere moet worden verstaan: "dierlijk afval, dat ingevolge de vleeskeuringswet….onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel voor mens en dier";

-artikel 30a van de Vleeskeuringswet, bepaalt dat ter uitvoering van EG-bepalingen, ter bescherming van de volksgezondheid, de nodige regels worden gesteld bij algemene maatregel van bestuur. Om daaraan uitvoering te geven is het Besluit inzake vlees uit andere lidstaten uitgevaardigd;

- Artikel 10 van het Besluit inzake vlees uit andere lidstaten bepaalt dat vlees dat krachtens artikel 6 van dat besluit niet verder in de handel mag worden gebracht, onbruikbaar moet worden gemaakt voor voedsel voor mens en dier;

- Uit artikel 6 juncto artikel 3a van het Besluit inzake vlees uit andere lidstaten volgt dat indien bij controle van uit een andere lidstaat afkomstig op Nederlands grondgebied gebracht vlees blijkt dat niet is voldaan aan de eis van de verplichte keurmerken, dit vlees niet verder in de handel mag worden gebracht.

Vorenbedoeld wettelijk stelsel is, mede gelet op de ratio van de bepalingen, te weten het algemeen belang dat ter bescherming van de volksgezondheid ieder risico wordt uitgesloten, dwingend van aard. Het stond verdachte dus -ongeacht haar financieel/ economisch belang en wat er ook zij van procedures die in Duitsland zouden worden of reeds werden gevoerd- niet vrij vorenbedoelde aanschrijving van de KvW zonder meer naast zich neer te leggen. Dat binnen de in de regeling opgenomen termijnen gebruik is gemaakt van de mogelijkheden van artikel 9 van het Besluit inzake vlees uit andere lidstaten (terugvoeren naar het land van verzending of gebruik voor ander doel dan menselijke consumptie en/of gebruik van de mogelijkheid om advies in te winnen van door de Commissie van de EG aangewezen deskundigen) is niet gebleken. Verdachte heeft binnen de gestelde termijnen, anders dan door botweg te weigeren, in het geheel niet gereageerd op de aanschrijving van de KvW.

Dat verdachte van de onderhavige regeling niet op de hoogte was of kon zijn is evenmin gebleken. Overigens kan zij dit, gelet op de omvang van het bedrijf dat verdachte exploiteert en het internationale karakter daarvan, niet tegenwerpen.

Aldus moet de conclusie luiden dat verdachte door de brief van de Keuringsdienst van Waren naast zich neer te leggen willens en wetens destructiemateriaal aan verwerking heeft onttrokken, hetgeen een misdrijf oplevert.

Nadat de controlerend ambtenaren hadden vastgesteld dat verdachte geenszins van plan was aan de aanschrijving, vermeld in de brief van 8 april 2002, te voldoen zijn de onderhavige partijen op last van de officier van justitie in beslag genomen. Op 8 mei 2002 is, blijkens ambtsedig proces-verbaal, aan de op dat moment aanwezige hoogst verantwoordelijke functionaris van verdachte, de heer [naam1], productiemanager, een formulier uitgereikt waarop de betreffende partijen en de betreffende locaties staan aangegeven en waaruit klaarblijkelijk is af te leiden dat die partijen onder verdachte in beslag zijn genomen. Voorts vermeldt het proces-verbaal dat de verbalisanten daarbij uitdrukkelijk aan [naam1] te kennen hebben gegeven dat verdachte als bewaarder werd aangewezen.

Dat het feitelijk leidinggevend gezag binnen verdachtes onderneming onvoldoende op de hoogte is gesteld van de omstandigheid dat verdachte als bewaarder is aangewezen kan verdachte niet tegenwerpen. Het had op haar weg gelegen adequaat te reageren op de mededeling en de kennisgeving inbeslagname. Uit de stukken blijkt dat de heer [naam1] het formulier op het bureau heeft gelegd van de directeur, de heer [naam2], die, zo blijkt uit zijn verklaring ter zitting, het formulier slechts ter kennisneming heeft aangenomen en vervolgens noch bij zijn medewerker(s) noch bij justitie navraag heeft gedaan, hetgeen wel op verdachtes weg had gelegen. Van verdachte, een groot vleesverwerkend concern, mag immers worden verwacht dat zij zorgvuldig omgaat met de informatie die door controleambtenaren aan haar leidinggevers wordt verstrekt in de vorm van kennisgevingen en dat ook mondelinge mededelingen binnen de leidinggevende structuur worden doorgegeven. Het verweer dat verdachte in het geheel niets hoefde te doen, omdat zij er zonder meer vanuit mocht gaan dat de partijen door justitie fysiek in beslag zouden worden genomen wordt derhalve verworpen.

Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat een politieambtenaar op 24 mei 2002 ook de heer [naam2] persoonlijk heeft medegedeeld dat verdachte was aangesteld als bewaarder. Desalniettemin vinden, zo blijkt uit het dossier, ook na die datum nog onttrekkingen aan het beslag plaats.

De omstandigheid dat de betreffende partijen op het moment van inbeslagname fysiek bij derden waren ondergebracht kan verdachte evenmin tegenwerpen. Uit de stukken blijkt dat het wel degelijk verdachte was die feitelijk de zeggenschap over de partijen had. Het had dus op haar weg gelegen adequate maatregelen te nemen om de partijen te blokkeren. Dat de zogenaamde “electronische blokkade” in het computersysteem volstrekt onvoldoende was, is reeds door de feiten gebleken. Voorts moet, gezien de verklaring die verdachte bij monde van de heer [naam2] hierover ter zitting heeft afgelegd, worden aangenomen dat verdachte ervan op de hoogte was dat de door haar tot dusver getroffen maatregelen geenszins afdoende waren om te voorkomen dat deze zogenaamde “geblokkeerde partijen” in het verkeer kwamen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verdachte willens en wetens goederen aan het beslag heeft onttrokken terwijl zij als bewaarder was aangesteld.

De economische politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte terzake parketnummer 08/035067-04 sub 5 is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De economische politierechter is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het inzake parketnummer 35067/04 sub 1 primair, sub 2, sub 3, sub 4, sub 6 en sub 7 tenlastegelegde en het inzake parketnummer 760104/05 tenlastegelegde en het inzake parketnummer 35217/03 sub 1 en sub 2 tenlastegelegde, heeft begaan, met dien verstande dat inzake

parketnummer 35067/04 dat :

1.

verdachte op tijdstippen in het tijdvak van 30 oktober 2003 tot en met 31 oktober 2003, in de gemeente Enschede, opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander, - in strijd met het bepaalde in artikel 9a van de Regeling betreffende het

bijeenbrengen van dieren 2000 - runderen, afkomstig van

verschillende plaatsen, op één plaats, te weten een stal gelegen aan de

Noordergrensweg 59 te Lonneker, voor een kortere periode dan 21 dagen bijeen

heeft gebracht;

immers hebben verdachte en haar mededader die runderen bijeengebracht, in die stal en vervolgens telkens binnen een periode van 21 dagen na het bijeenbrengen, die runderen (vanuit die stal) vervoerd naar een slachthuis van verdachte in Enschede;

2.

zij op 7 januari 2004, (te omstreeks 08.15 uur), in de gemeente Enschede,

vers vlees, te weten runderachtervoeten en runderstompen met

vang, zijnde halve karkassen die in ten hoogste drie stukken zijn verdeeld en voeten van runderen, heeft opgeslagen anders dan overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk XIII van het Besluit produktie en handel vers vlees, immers was de inwendige temperatuur van dat verse vlees hoger dan +7 graden Celsius;

3.

zij op 7 januari 2004, (te omstreeks 09.30 uur), in de gemeente Enschede,

vers vlees, te weten runderachtervoeten, zijnde uitgesneden

delen of stukken die kleiner zijn dan bedoeld in artikel 2, lid 1, onder A,

van het Besluit produktie en handel vers vlees, en uitgebeend vlees met of

zonder onmiddellijke verpakking, heeft uitgesneden en uitgebeend anders dan overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk IX, van voornoemd Besluit, immers was de inwendige temperatuur van dat vlees tijdens het uitsnijden en het uitbenen hoger dan +7 graden Celsius;

4.

zij op 7 juni 2004, in de gemeente Enschede,

in strijd met artikel 7, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002

dierlijke bijproducten en verwerkte producten, te weten (met mest en/of

mestpartikels) bezoedelde stierenroden, slokdarmen en voorkniegewrichten

(van geslachte runderen), heeft verzameld, vervoerd en geïdentificeerd,

immers

- waren die dierlijke bijproducten en verwerkte producten niet verzameld

en opgeslagen in recipiënten, te weten (zogenaamde) eurobakken, die van

(de voorgeschreven) opschriften waren voorzien; en

- werden die dierlijke bijproducten en verwerkte producten verzameld en

opgeslagen in recipiënten, te weten (zogenaamde) eurobakken, die ook werden

gebruikt voor het verzamelen en opslaan van vlees en vet bestemd voor

menselijke consumptie; en

- waren die dierlijke bijproducten en verwerkte producten niet verzameld of

opgeslagen in recipiënten, te weten (zogenaamde) rvs wielbakken, die

afgedekt en lekvrij waren;

6.

zij in het tijdvak van 8 maart 2004 tot en met 9 maart 2004, in de gemeente Enschede, als handelaar of organisatie heeft gehandeld in strijd met artikel 13 lid 1

en lid 5 sub a van de Verordening (EG) nr. 1760/2000, immers heeft zij toen een hoeveelheid rundvlees niet overeenkomstig artikel 13 van voornoemde Verordening geëtiketteerd aangezien -zakelijk weergegeven- alle vleesdelen van runderen waren/werden voorzien van etiketten waarop steeds Nederland als geboorteland van die runderen werd vermeld, zulks terwijl een hoeveelheid van dat rundvlees afkomstig was van runderen die waren geboren in Ierland en in de

Bonsdrepubliek Duitsland;

7.

zij op 21 oktober 2003, in de gemeente Enschede, als werkgeefster, in haar verdachtes onderneming, in welke onderneming alstoen in een slachthal op een locatie aan [adres], zijnde een arbeidsplaats, door verdachte's werknemer [werknemer] arbeid werd verricht, bestaande uit het door die [werknemer] afwisselend zowel linkshandig als rechtshandig met een mes verrichten van snijhandelingen, waarbij gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van die [werknemer] op de

arbeidsplaats aanwezig was en kon ontstaan, niet het voorschrift van

artikel 8.3, lid 1 en/of lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft

nageleefd, immers was voor die [werknemer] die aan dat gevaar, kon blootstaan, geen persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar, aangezien aan die [werknemer] slechts één beschermende snijvaste linker-handschoen was verstrekt,

zulks terwijl zij, verdachte, als werkgeefster wist dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [werknemer] ontstond of te verwachten was;

inzake parketnummer 760104/05 dat:

verdachte op 14 januari 2005, te Enschede, bij wege van bedrijf een hoeveelheid vlees, heeft bewerkt, elders dan in een inrichting, als bedoeld in

artikel 19 lid 1 van de Vleeskeuringswet, die aan de daaraan krachtens dat lid

gestelde eisen voldeed en die overeenkomstig de krachtens artikel 19 lid 2

onder a van voornoemde Wet gestelde regels werd gebruikt, en waar ten

aanzien van het gebruik van de daarin aanwezige toestellen en gereedschappen

aan de krachtens artikel 19 lid 2 onder a van voornoemde Wet gestelde regels

werd voldaan en waar de daarin aanwezige hoeveelheid vlees aan de krachtens artikel 19 lid 2 onder b ten 2e van voornoemde Wet gestelde eisen voldeden, immers

werd het uitsnijden niet zodanig verricht dat iedere verontreiniging van het

vlees werd voorkomen en,

kwam het vlees en de bakken waarin het vlees zich bevond rechtstreeks met

de vloer in aanraking,

aldus werd niet een zo volmaakt mogelijke reinheid in acht genomen ten aanzien van de lokalen;

inzake parketnummer 35217/03 dat:

1.

zij in de periode van 8 april 2002 tot en met 8 mei 2002,

in de gemeente Enschede en in de gemeente Lichtenvoorde en in de

gemeente Velsen, opzettelijk, partijen/hoeveelheden vlees, te weten

- een partij/hoeveelheid van (ongeveer) 139.992 kilogram (rund)vlees

opgeslagen bij [derde1] B.V. te Velsen, en,

- een partij/hoeveelheid van (ongeveer) 441.421 kilogram (rund)vlees

opgeslagen bij [derde2] B.V. te Lichtenvoorde, en,

- een partij/hoeveelheid van (ongeveer) 21.871 kilogram (rund)vlees opgeslagen bij [derde3] B.V. te Harreveld,

telkens zijnde destructiemateriaal, heeft onttrokken aan verwerking;

2.

zij in de periode van 8 mei 2002 tot en met 5 juli 2002, in de gemeente Enschede en in de gemeente Lichtenvoorde en in de gemeente Velsen,

- als bewaarder - meermalen, telkens opzettelijk gedeelten van partijen/hoeveelheden vlees, te weten

- op of omstreeks 14 mei 2002 een gedeelte van (ongeveer) 2.754 kilogram

(rund)vlees, opgeslagen bij [derde3] B.V. te

Harreveld, en

- op of omstreeks 27 mei 2002 een gedeelte van (ongeveer) 24.579 kilogram

(rund)vlees, opgeslagen bij [derde1] B.V. te Velsen, en

- op of omstreeks 30 mei 2002 een gedeelte van (ongeveer) 691 kilogram

(rund)vlees opgeslagen bij [derde3] B.V. te

Harreveld,

waarop door de Keuringsdienst van Waren, Oost, op 8 mei 2002, op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, beslag was gelegd, telkens aan dat beslag heeft onttrokken;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte inzake parketnummer 35067/04 sub 1 primair, sub 2, sub 3, sub 4, sub 6 en sub 7 en inzake parketnummer 760104/05 en inzake parketnummer 35217/03 sub 1 en sub 2, meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op:

Parketnummer 08/035067-04 feit 1 primair, het misdrijf:

"Medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/035067-04 feit 2 en 3 telkens de overtreding:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van de Vleeskeuringswet, begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/035067-04 feit 4 ten aanzien van het 1e, 2e en 3e gedachtestreepje telkens de overtreding:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van de Landbouwwet, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”,

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/035067-04 feit 6 de overtreding:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet, begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/035067-04 feit 7 het misdrijf:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/760104-05 de overtreding:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van de Vleeskeuringswet, begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/035217-03 feit 1 het misdrijf:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 4, eerste lid, van de Destructiewet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd",

strafbaar gesteld bij artikel 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten;

Parketnummer 08/035217-03 feit 2 het misdrijf:

"Als bewaarder opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon",

strafbaar gesteld bij artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De economische politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de rechtspersoon van verdachte, haar (financiële) draagkracht zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte straffen behoren te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal uiteenlopende misdrijven en overtredingen die zich alle afspelen binnen de bedrijfssfeer en waarbij opvalt dat verdachte grote risico’s neemt door wettelijke regelingen naar eigen goeddunken te interpreteren dan wel, deze om haar moverende redenen, naast zich neer te leggen. Door te handelen zoals zij deed heeft verdachte ruim 28.000 kg vlees aan het daarop gelegd beslag onttrokken en in het handelsverkeer gebracht. Hoewel tot op heden geen aanwijzingen zijn gevonden dat de herkomst van dit vlees deels afkomstig is van besmette dieren die ten onrechte zijn goedgekeurd, valt dit anderzijds ook niet voor de volle 100% uit te sluiten. De wetgever kiest in een dergelijke situatie het zekere voor het onzekere en schrijft vernietiging voor.

Het valt verdachte als grote vleesverwerker ernstig aan te rekenen dat zij zich niet aan dit wettelijke systeem heeft geconformeerd.

Daarnaast heeft verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van quarantaine voorschriften met betrekking tot het bijeenbrengen van runderen en heeft zij onvoldoende zorg betracht de regels met betrekking tot de opslag en verwerking vlees en de regulering van afvalstromen na te leven.

Voorts heeft tengevolge van een ondeugdelijke werkwijze op de werkvloer van verdachte een bedrijfsongeval plaatsgevonden waardoor letsel is ontstaan.

De bewezenverklaarde feiten nopen tot de conclusie dat verdachte zal moeten worden ingeprent dat zij, ook als zij zelf andere opvattingen heeft omtrent het mogelijk gevaar van haar handelen, de keuzes van de wetgever moet accepteren. Hieraan is het bedrijf van verdachte meerdere malen geheel voorbijgegaan en de economische politierechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat een en ander niet alleen uit onwil of slordigheid maar mede uit winstoogmerk is geschied.

Daarnaast valt keer op keer op dat de communicatie binnen het bedrijf te wensen overlaat, dat verantwoordelijkheden binnen de organisatie naar boven of naar beneden worden afgeschoven en dat er telkens pas nadat overtredingen zijn geconstateerd adequate maatregelen worden genomen, welke maatregelen

vaak -achteraf gezien- betrekkelijk snel en gemakkelijk te realiseren lijken te zijn.

Het moge zo zijn dat de onderhavige bewezenverklaarde feiten in totaal een periode van ongeveer 3 jaar bestrijken en dat in de een groot bedrijf als dat van verdachte, met in totaal zo’n 600 werknemers -waarvan er, zoals verdachte het uitdrukt dagelijks zo’n 300 aan het mes staan- de kans op fouten groot is.

Daar zal in de strafmaat ook rekening mee worden gehouden. Verdachte moet zich echter realiseren dat de omvang van het bedrijf en de sector waarin zij werkzaam is grote verantwoordelijkheden, zowel naar binnen als naar buiten toe, met zich meebrengen en dat zij, indien zij bij herhaling in overtreding vervalt, daar steeds strenger op zal worden afgerekend.

Nu verdachte blijkens het documentatieregister tot op heden nog niet voor de rechter heeft gestaan en het vooralsnog is gebleven bij betrekkelijk lage transacties, kan in deze strafzaak met gedeeltelijk voorwaardelijke geldboetes worden volstaan. Daarbij zal de eis van de officier van justitie grotendeels worden gevolgd, met dien verstande dat daarvan een enigszins hoger deel voorwaardelijk zal worden opgelegd.

Verdachte zal er rekening mee moeten houden dat zij gewaarschuwd is dat bij herhaling van ernstige feiten, naast tenuitvoerlegging, niet alleen hogere boetes, maar ook mogelijk zware bijkomende straffen of maatregelen uit de Wet op de Economische Delicten aan de orde kunnen komen.

Hoewel verdachte uitdrukkelijk beterschap heeft beloofd, kan de economische politierechter zich niet aan de indruk onttrekken dat, om dat te bereiken, een wezenlijke cultuuromslag binnen het bedrijf nodig is.

Thans bestaat nog immer de indruk dat verdachte, als grote vleesverwerker en werkgever, de op haar rustende verantwoordelijkheden wat al te makkelijk wegwimpelt. Illustratief in deze is de houding van verdachte ten opzichte haar verantwoordelijkheid inzake het bedrijfsongeval waarbij een werknemer gewond is geraakt. Het slachtoffer geeft, blijkens zijn slachtofferbrief, uitvoerig aan zwaar teleurgesteld te zijn over de manier waarop hij door verdachte is behandeld, en stelt dat verdachte op geen enkele wijze heeft gereageerd op zijn verzoeken en ook geen enkel gesprek met hem is aangegaan. Van de zijde van verdachte is hierover niet meer naar voren gebracht dan een blote betwisting van hetgeen in de brief is gesteld en de mededeling dat het slachtoffer aan het verkeerde adres is. Wat er ook zij van juridisch technische vraagstukken omtrent het inlenen van werknemers en de vraag bij wie de kosten van eventuele gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid komen te vallen, het is verdachtes werkvloer waar het ongeval heeft plaatsgevonden en het zou verdachte hebben gesierd indien er inmiddels een bevredigende oplossing zou zijn gekomen, dan wel dat verdachte aantoonbaar kenbaar zou hebben gemaakt het slachtoffer op enigerlei wijze terzijde te hebben gestaan.

De economische politierechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte zich ook in deze kwestie in ieder geval niet tot het uiterste heeft ingespannen. In de strafmaat is ook hiermee rekening gehouden.

Nu, gelet op het vorenoverwogene, het wettelijke systeem in het algemeen belang ter uitsluiting van ieder risico, met betrekking tot partijen vlees als de onderhavige,

dwingend voorschrijft dat deze als dierlijk afval moeten worden aangemerkt dat onbruikbaar moet worden gemaakt, kan de eindconclusie niet anders zijn dan dat de inbeslaggenomen partijen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

De enkele omstandigheid dat het OM, blijkens briefwisseling, zich op enig moment al dan niet onder voorwaarden op het standpunt zou hebben gesteld de uitkomst van nog immer in Duitsland lopende procedures vooralsnog af te wachten, doet daaraan niet af. Nu de zaak eenmaal onder de rechter is moet de wet worden toegepast.

Dat door het OM zodanige verwachtingen zijn gewekt dat dit consequenties heeft voor de ontvankelijkheid van het OM, is niet gebleken.

Voorts worden onvoldoende termen aanwezig geacht de onderhavige strafzaak, die inmiddels reeds behoorlijk gedateerd is, aan te houden in afwachting van beroeps- en/of cassatieprocedures in Duitsland, waarop in eerste aanleg reeds -kennelijk in voor verdachte negatieve zin- is beslist.

De na te noemen straffen en maatregel zijn, behalve op voormelde artikelen, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36b, 36c, 47, 51, 57, 62 en 91 Wetboek van Strafrecht, art. 1 en 1a van de Wet op de economische delicten, almede op:

? art 9a lid 1 Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000

? art 2 lid 1 ahf/ond A sub g Besluit produktie en handel vers vlees

? art 19 lid 3 ahf/ond b alinea Vleeskeuringswet

? art 19 lid 3 ahf/ond c alinea Vleeskeuringswet

? art 2 lid 1 ahf/ond b Besluit produktie en handel vers vlees

? art 7 lid 1 sub a Uitv.reg. EG-Verord. gezondh.voorschr.dierlijke bijproducten

? art 2 lid 7 Warenwetbesluit Vlees, gehakt en vleesproducten

? art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998

? art 8.3 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit

? art 8.3 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

? punt(en) 18 en/of 20 Hoofdstuk V en/of punt 46e Hoofdstuk IX van bijlage I

van het Besluit produktie en handel vers vlees

? art 4 lid 1 Destructiewet

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 5 inzake parketnummer 35067/04 is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de feiten inzake parketnummer 35067/04 sub 1 primair, sub 2, sub 3, sub 4, sub 6 en sub 7 en inzake parketnummer 760104/05 en inzake parketnummer35217/03 het sub 1 en sub 2, in voege als boven omschreven door verdachte zijn begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt verdachte terzake de onder parketnummer 35067/04 sub 1 primair en sub 7 en de onder parketnummer 35217/03 sub 1 en sub 2 bewezenverklaarde misdrijven tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van 60.000,= euro.

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot 30.000,= euro, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt haar terzake de onder feit 2 van parketnummer 35067/04 bewezenverklaarde overtreding tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van 2000,= euro.

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot 1000,= euro, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt haar terzake de onder feit 3 van parketnummer 35067/04 bewezenverklaarde overtreding tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van 2000,= euro.

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot 1000,= euro, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt haar terzake de onder feit 4 ten aanzien van 1e, 2e en 3e gedachtestreepje van parketnummer 35067/04 bewezenverklaarde overtredingen tot betaling van:

Driemaal een geldboete van telkens 700,= euro.

Beveelt dat van de geldboete’s telkens een gedeelte groot 200,= euro, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt haar terzake de onder feit 6 van parketnummer 35067/04 bewezenverklaarde overtreding tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van 650,= euro.

Veroordeelt haar terzake de onder parketnummer 760104/05 bewezenverklaarde overtreding tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van 4000,= euro.

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot 2000,= euro, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen goederen welke staan genoemd in de aangehechte lijst inbeslagname.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte inzake parketnummer 35067/04 sub 1 primair, sub 2, sub 3, sub 4, sub 6 en sub 7 en inzake parketnummer 760104/05 en inzake parketnummer 35217/03 het sub 1 en sub 2, meer of anders is tenlastegelegd

dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Wentink, economisch politierechter, in tegenwoordigheid van Veldhuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting, op 11 juli 2005.