Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT8695

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
08/004329-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte zou met een ander de vrijheid van twee slachtoffers van gewelddadigheden in seksclub de Trocodero hebben beinvloed om in vrijheid naar waarheid of naar hun geweten te verklaren tegenover een ambtenaar of een rechter. Naar het oordeel van de politierechter kan ook van het bestaan van een gerede kans dat een verklaring zal worden afgelegd worden gesproken als de verdachte of een derde omstandigheden creëert waarin het waarschijnlijk is dat de getuige een verklaring zal gaan afleggen, ofschoon die getuige daaraan aanvankelijk geen behoefte had. Als door de uitingen de gerede kans ontstaat dat een in onvrijheid afgelegde onware verklaring zal worden afgelegd, terwijl zonder de uitingen helemaal geen verklaring zou worden afgelegd, ook dan is artikel 285a Sr op die situatie van toepassing.

De officier van justitie had negen maanden gevangenisstraf geeist waarvan vier voorwaardelijk. De politierechter spreekt verdachte vrij, omdat niet duidelijk is geworden wat precies de rol en gedragingen van verdachte waren. Onvoldoende is gebleken om te concluderen tot het mede-plegen van het telastegelegde misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(verkort schriftelijk vonnis van de politierechter)

Parketnummer: 08/004329-04.

Uitspraak 5 juli 2005.

De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1977,

wonende te [plaats en adres];

terechtstaande terzake dat:

hij in de periode van 18 tot en met 20 april 2004 te Enschede, tesamen en in

vereniging met een ander, opzettelijk mondeling en door gebaren zich jegens

[slachtoffer-vader] en/of [slachtoffer-zoon] zich heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om

naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een

verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft

verdachte en/of zijn mededader

-contact opgenomen met [slachtoffer-vader] en/of [slachtoffer-zoon] en hen gevraagd hun

verklaring in te trekken en/of

-[slachtoffer-vader] en/of [slachtoffer-zoon] medegedeeld dat het niet goed zou komen als de

aangifte niet werd ingetrokken en/of

-tegen [slachtoffer-vader] en/of [slachtoffer-zoon] gezegd: 'Hier worden we niet beter van. Je

moet de zaak terugtrekken. Dit moet gewoon goed komen, anders wordt het niet

goed. Ik heb geen zin om drie jaar te gaan zitten. Maar als ik toch drie maar

moet gaan zitten, dan wil ik ook wel zes jaar gaan zitten.' en/of: 'Ik kan

wel gaan zitten, dat is makkelijk, maar ik heb zat collega's die deze klus

voor mij afmaken'.

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gelet op hetgeen ter zitting door verdachte en ter verdediging van hem door zijn raadsman is opgemerkt;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, die concludeert bewezenverklaring van het telastegelegde en de oplegging van een gevangenisstraf van negen maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Gelet op de bewijsmiddelen;

Ten aanzien van de bewezenverklaring

De politierechter staat eerst voor de vraag met betrekking tot de bewezenverklaring. Hij overweegt in dit verband het volgende.

De onderhavige zaak houdt verband met gewelddadigheden tegen een vader en zoon [slachtoffer] in seksclub de Trocodero te Enschede op 17 april 2004 tegen 3.10 uur. Voor die gewelddadigheden heeft onder meer ene [mede-verdachte] van deze rechtbank inmiddels een straf opgelegd gekregen.

Op grond van het dossier moet worden vastgesteld dat [mede-verdachte] kennelijk in de dagen na de gewelddadigheden heeft gemeend te moeten proberen te voorkomen dat het tot verdere vervolging van hem en/of zijn mededaders zou komen. Tenminste [mede-verdachte] wilde dat vader en zoon [slachtoffer] hun verklaringen zouden intrekken.

Kennelijk werd bedoeld dat van vader en zoon werd verlangd dat zij alsof dat “uit eigen beweging” was, naar het politiebureau zouden gaan om daar in strijd met de waarheid te verklaren dat zij terugkwamen op hun verklaring.

Allereerst ziet de politierechter zich gesteld voor de vraag of de telastegelegde gedragingen van verdachte zijn te beschouwen als uitingen gedaan om de vrijheid van vader en zoon [slachtoffer] om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beinvloeden, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd.

Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de beantwoording van de subvraag: Wat heeft de wetgever van artikel 285a Sr bedoeld met de frase “terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.”? Moet voor een bewezenverklaring van een beschuldiging terzake artikel 285a Sr eerst komen vast te staan dat die verklaring door de betrokkene inderdaad later is afgelegd? Of moet tenminste daadwerkelijk een uitnodiging, een oproeping of dagvaarding aan de betrokkene zijn uitgegaan? Of is voldoende dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de betrokkene mogelijk op enig moment in de toekomst een verklaring kan afleggen, zonder dat betrokkene of een derde reeds concrete stappen in die richting heeft gezet of laten zetten?

De politierechter is van oordeel dat de bepaling ruim moet worden uitgelegd. De strengst denkbare eis, te weten dat inderdaad blijkt van een later afgelegde verklaring, is onzinnig. Consequentie daarvan zou zijn dat wie wenst dat een getuige helemaal niet verklaart en die met zijn uitingen zo succesvol in het beinvloeden van de getuige is geweest dat die getuige ervan afziet om te verklaren, vrijuit gaat. Dat kan de wetgever niet hebben bedoeld. De bepaling is immers, en blijkens de parlementaire geschiedenis in kamerstukken 22483 zonder op dit punt nadere toelichting, discussie of commentaar, opgenomen in het Wetboek van Strafrecht tegelijk met veel andere bepalingen in het Wetboek van Strafvordering die beogen te bevorderen dat ten aanzien van bedreigde getuigen op een voor een verdachte faire wijze aan waarheidsvinding wordt gedaan door de justitiële autoriteiten, terwijl aan de bescherming van dergelijke getuigen zoveel mogelijk wordt tegemoet gekomen.

De conclusie van de politierechter is dat een verklaring niet uiteindelijk behoeft te zijn afgelegd. Het “zal worden afgelegd” moet naar het oordeel van de politierechter zo worden uitgelegd dat daaronder wordt verstaan dat een gerede kans bestaat dat een getuige een verklaring zal afleggen. Daarvan kan dus ook reeds sprake zijn als de getuige feitelijk zelf (nog) geen wens tot het afleggen van een verklaring heeft en van een uitnodiging, oproeping of dagvaarding tot het afleggen van een verklaring (nog) geen sprake is. Denkbaar is zelfs dat de verdachte zelf de enige is die reden heeft om te vermoeden dat het in de toekomst tot een verklaring door een getuige kan komen, bijvoorbeeld omdat hijzelf als enige van bepaalde feiten op de hoogte is maar vreest dat anderen daarover later ook te weten komen en hij een daarop volgend politieonderzoek door het bewerken van dan met gerede kans te horen getuigen op voorhand wil frustreren.

Naar het oordeel van de politierechter kan ook van het bestaan van een gerede kans dat een verklaring zal worden afgelegd worden gesproken als de verdachte of een derde omstandigheden creëert waarin het waarschijnlijk is dat de getuige een verklaring zal gaan afleggen, ofschoon die getuige daaraan aanvankelijk geen behoefte had. Als door de uitingen de gerede kans ontstaat dat een in onvrijheid afgelegde onware verklaring zal worden afgelegd, terwijl zonder de uitingen helemaal geen verklaring zou worden afgelegd, ook dan is artikel 285a Sr op die situatie van toepassing.

De politierechter is van oordeel dat deze ruime interpretatie ook daarom gehanteerd moet worden, omdat het beinvloeden van de vrijheid van een getuige om naar waarheid of naar geweten te verklaren per se immoreel is.

Naar het oordeel van deze politierechter is in de onderhavige zaak wel de situatie ontstaan (namelijk door de gewelddadigheden gevolgd door de bedreigende ontmoetingen met onder meer [mede-verdachte]) dat een gerede kans bestaat dat vader en/of zoon [slachtoffer] een verklaring zullen afleggen en dat zij dat niet meer in vrijheid naar waarheid of naar geweten zullen doen.

Verdachte heeft verklaard dat hij het goed voor had met de hem wel bekende vader en zoon [slachtoffer] en dat hij er slechts naar streefde dat de problemen die [mede-verdachte] c.s. hadden met vader en zoon [slachtoffer], werden opgelost. In het bijzonder heeft hij verklaard niet te hebben gezegd dat aangiften moeten worden ingetrokken en hij heeft geen bedreigingen geuit noch, naar zijn zeggen, bijgewoond dat [mede-verdachte] deze uitte.

De politierechter stelt vast dat de verklaringen van vader en zoon [slachtoffer] over de ontmoetingen met verdachte en [mede-verdachte] van elkaar verschillen in tijd en plaats. De verklaringen afgelegd bij de politie verschillen bovendien op belangrijke details van hun eigen verklaringen die bij de rechter-commissaris werden afgelegd. Belangrijk is ook dat ze verschillen ten aanzien van wat er precies door wie is gezegd en in het bijzonder dat niet overtuigend naar voren is gekomen dat ook verdachte op enige wijze bedreigingen heeft geuit of drang om te bewerkstelligen dat vader en zoon [slachtoffer] beinvloed werden in hun vrijheid om naar waarheid of geweten een verklaring af te leggen.

Aldus is niet duidelijk geworden wat nu precies de rol van verdachte is geweest bij de door [mede-verdachte] gedane uitingen. Heeft verdachte ze ook geuit of heeft hij alleen de uitingen van [mede-verdachte] gefaciliteerd? Kon hij tevoren weten dat zulke uitingen zouden worden gedaan?

Gelet op de onduidelijkheden over de rol van verdachte is de politierechter niet overtuigd dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het telasteglegde. Het is denkbaar dat hij, inderdaad zonder enig opzet op beinvloeding van de waarheidsvinding, heeft willen bijdragen aan de oplossing van een gewelddadig conflict tussen hem bekenden, en dat zijn eigen handelen en nalaten net niet voldoende concreet zijn te benoemen om hem als mede-pleger aan te merken van een in de vorm van voorwaardelijk opzet aan verdachte toe te rekenen strafrechtelijk gezien foute gedraging in samenhang met de gedragingen van [mede-verdachte].

De politierechter merkt op dat ook verdachte mede debet is aan die onduidelijkheden. Bij de politie is hij bepaald niet meewerkzaam aan het onderzoek geweest. Naast de verschillende verklaringen van vader en zoon [slachtoffer], maken verdachtes herhaald beroep op zijn zwijgrecht, in combinatie met het zich in elk geval gedurende meerdere dagen laten betrekken bij [mede-verdachte]s pogingen om de waarheid buiten het zicht van de opsporingsinstanties te houden [wat bijna schreeuwt om uitleg], tegen de achtergrond van de ernstige zaak in seksclub de Trocodero, ook achteraf heel wel begrijpelijk dat verdachtes voorlopige hechtenis niet korter dan 31 dagen heeft voortgeduurd. Die heeft hij aldus naar het oordeel van de politierechter in belangrijke mate aan zichzelf te wijten.

Voor een veroordeling is echter meer nodig dan voor een voorlopige hechtenis, te weten het overtuigende bewijs dat verdachte het telastegelegde heeft begaan, en dat ontbreekt naar het oordeel van de politierechter.

R E C H T D O E N D E:

De politierechter, recht doende :

Acht het telastegelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte vrij.

Aldus gewezen door mr. Berg, politierechter, en van Putten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank voornoemd, op 5 juli 2005;