Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT8692

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
05-07-2005
Datum publicatie
05-07-2005
Zaaknummer
08/004576-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, de echtgenote van iemand die eerder dit jaar voor het plegen van afpersing jegens een Enschedese zakenman werd veroordeeld, heeft geprobeerd om de vrijheid van die zakenman om naar waarheid of naar geweten te getuigen, te beinvloeden. Zij liet een derde de verklaringen van haar man bij die zakenman brengen. Zij krijgt hiervoor 23 dagen gevangenisstraf opgelegd. De politierechter volgt daarbij een ruime interpretatie van artikel 285a Sr. Anders dan de officier van justitie is de politierechter van oordeel dat de op te leggen straf niet zwaarder moet uitvalllen dan in enigszins vergelijkbare meineed-zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

STRAFVONNIS

(verkort schriftelijk vonnis van de politierechter)

Parketnummer: 08/004576-04.

Uitspraak 5 juli 2005.

De politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1967,

wonende te [adres en woonplaats].

terechtstaande terzake dat:

zij in of omstreeks de periode van 22 april tot en met 12 juli 2004 te

Enschede, tesamen en in vereniging met één of meer anderen opzettelijk zich

mondeling, door gebaren en bij geschrift jegens een persoon, te weten

[slachtoffer van afpersing] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te

beïnvloeden, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat die

verklaring zou worden afgelegd,

immers heeft verdachte [slachtoffer van afpersing] middels derden (namelijk [mede-verdachte]) benaderd met het verzoek om contact op te nemen met [verdachte] en/of heeft [verdachte] aan [slachtoffer van afpersing] verklaringen doen toekomen van [afperser], althans heeft [verdachte] aan [slachtoffer van afpersing] stukken doen toekomen die betrekking hadden op de strafzaak tegen [afperser];

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gelet op hetgeen ter zitting door verdachte en ter verdediging van haar door de raadsman naar voren is gebracht;

Gehoord de vordering van de officier van justitie, die concludeert tot bewezenverklaring en de oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Gelet op de bewijsmiddelen;

Ten aanzien van de bewezenverklaring

De politierechter staat eerst voor de vraag met betrekking tot de bewezenverklaring. Hij overweegt in dit verband het volgende.

De onderhavige zaak houdt verband met de afpersing van de Enschedese zakenman [slachtoffer van afpersing] door, zoals inmiddels ook door deze rechtbank is geoordeeld, [afperser] gedurende geruime tijd, aangever spreekt in zijn aangifte in het dossier over een periode van twee jaar, is ervan sprake geweest dat [afperser] zonder recht of titel geld betaald wilde krijgen van [slachtoffer van afpersing]. In de laatste drie maanden voorafgaand de betaling van € 300.000 op 20 maart 2004 werd de druk opgevoerd en werd ook mede-pleger [medepleger afpersing] bij de afpersing betrokken. [afperser] komt uit het dossier naar voren als iemand met een gewelddadige reputatie en met connecties in de niet als geweldloos bekend staande Enschedese “sekswereld”.

Verdachte is de echtgenote van [afperser].

Aangever [slachtoffer van afpersing] verklaart dat, nadat [afperser] in verband met de zo-even bedoelde zaak in voorlopige hechtenis was komen te zitten, ene [mede-verdachte] een tweetal bezoeken aan hem heeft gebracht. Beide keren kwam hij omdat hij gestuurd was door verdachte. De eerste keer vroeg [mede-verdachte] aan [slachtoffer van afpersing] te gaan praten met verdachte. De tweede keer gaf hij een stapel papieren aan [slachtoffer van afpersing]. Het waren de verklaringen van [afperser].

Verdachte ontkent dat zij [mede-verdachte] langs [slachtoffer van afpersing] heeft gestuurd. Zij heeft ter zitting en bij de rechter-commissaris wel verklaard met de verklaringen van haar man bij [mede-verdachte] te zijn langs gegaan maar dat was slechts om deze verklaringen op zijn kantoor te laten kopiëren omdat hij een snel kopieerapparaat heeft.

De twee bezoeken vinden echter bevestiging in de verklaring van [mede-verdachte]. Daaruit blijkt dat [mede-verdachte] wel degelijk op pad gestuurd was door verdachte. Bij het eerste bezoek was volgens [mede-verdachte] aan hem nog niet duidelijk waarom het hier concreet ging: hij had van verdachte gehoord dat haar echtgenoot vast zat en dat zij niet wist waarom. [slachtoffer van afpersing] zou ermee te maken hebben en daarom wilde zij met [slachtoffer van afpersing] spreken. [mede-verdachte] had al jaren een heel goede relatie met [slachtoffer van afpersing] en ging [slachtoffer van afpersing] op haar verzoek dus bezoeken om een gesprek tussen beiden te arrangeren. Naar [mede-verdachte]s zeggen vernam hij toen van [slachtoffer van afpersing] dat die door [afperser] was afgeperst en voelde [mede-verdachte] zich toen misbruikt doordat verdachte hem onwetend daarvan op pad had gestuurd naar zijn goede relatie [slachtoffer van afpersing].

Hij vertelde dit nadien aan verdachte die hem daarop vertelde dat van een afpersing helemaal geen sprake was en “dat het een lulverhaal was”. Ze was echter ook zeer benieuwd tegenover [mede-verdachte] of [slachtoffer van afpersing] aangifte had gedaan of zou gaan doen. [mede-verdachte] hechtte geen geloof aan hetgeen verdachte hem vertelde. Ten eerste omdat het verhaal van [slachtoffer van afpersing] naar zijn mening geen verzinsel kon zijn, ten tweede omdat hijzelf ook door [afperser] en verdachte werd afgeperst. Zo betaalde hij (onder meer) maandelijks eerst € 750 en later € 950 aan [afperser]. Na diens arrestatie haalde verdachte dat bedrag op.

Bij het tweede bezoek aan [slachtoffer van afpersing], ongeveer twee weken later, had hij op aandrang van verdachte de verklaringen van [afperser] bij zich. Verdachte had tegen hem bij het afgeven van de stukken gezegd: “Laat hem de stukken maar even goed lezen”. [mede-verdachte] meende zelf dat [slachtoffer van afpersing] zijn voordeel kon doen met die verklaringen van [afperser] omdat het altijd goed is om te lezen “wat de tegenpartij zegt” en had daarom besloten de stukken inderdaad aan [slachtoffer van afpersing] te overhandigen.

Uit de aangifte van 12 juli 2004 van [slachtoffer van afpersing] blijkt niet meer dan dat er gezegd is door [mede-verdachte] dat hij deze verklaringen aan [slachtoffer van afpersing] moest geven. In de aangifte komt geen verwijzing voor naar de opmerking van verdachte “dat hij de stukken maar even goed moest lezen”. Aangever zegt evenwel: “Ik kon wel aanvoelen, zonder dat hij zei wat de bedoeling was, wat ik moest doen. In mijn beleving moest ik de verklaringen goed lezen en hetzelfde verklaren zodat [afperser] niet vervolgd kon worden.”

Op grond van een en ander is het voor de politierechter vast komen te staan dat verdachte, door middel van [mede-verdachte], [slachtoffer van afpersing] heeft benaderd met het verzoek om contact op te nemen met verdachte en dat verdachte door middel van [mede-verdachte] verklaringen van [afperser] aan [slachtoffer van afpersing] heeft doen toekomen.

De verklaringen van [slachtoffer van afpersing] en [mede-verdachte] zijn consistent en de politierechter acht ze betrouwbaar, omdat het – nu verdachte daarvoor ook geen enkele verklaring heeft kunnen geven – buitengewoon onaannemelijk is dat [slachtoffer van afpersing] dit deel van zijn aangifte op 12 juli 2004 uit zijn duim heeft gezogen (in het bijzonder het verkrijgen van verklaringen van [afperser] door tussenkomst van [mede-verdachte]) en dat [mede-verdachte] later hetzelfde als [slachtoffer van afpersing] verklaart. De stellingname van verdachte daartegenover, dat zij de verklaringen van haar man is gaan kopiëren bij [mede-verdachte], ondersteunt bovendien het verhaal van [slachtoffer van afpersing], omdat dit kan verklaren hoe [mede-verdachte] aan de verklaringen van [afperser] kon komen. Volstrekt onaannemelijk is dat verdachte daar is gaan kopiëren louter vanwege de snelheid van zijn kopieermachine en zonder de bedoeling dat [mede-verdachte] het bezit kreeg over een kopie om die naar [slachtoffer van afpersing] te brengen.

Uit het tamelijk dunne dossier van de onderhavige zaak blijkt dat het onderzoek in de afpersingszaak in januari 2004 begon en dat [afperser] in de afpersingszaak is aangehouden op een datum in april 2004. Verdachte is in die zaak aangehouden op 22 april 2004 en zat gedetineerd tot en met 28 april. De aangifte van [slachtoffer van afpersing] dateert van 12 juli 2004.

De door verdachte ontkende maar door de politierechter bewezen geachte gedragingen van verdachte en [mede-verdachte] ten aanzien van [slachtoffer van afpersing] moeten derhalve omstreeks de telastegelegde periode hebben plaatsgevonden.

De volgende twee vragen waar de politierechter zich voor gesteld ziet is of de gedragingen zijn te beschouwen als uitingen (mondeling, door gebaren of bij geschrift), en of deze dan zijn gedaan “kennelijk om de vrijheid van [slachtoffer van afpersing] om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beinvloeden, terwijl zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd.

De eerste vraag beantwoordt de politierechter zonder meer positief. Het verzoek via [mede-verdachte] om met verdachte contact op te nemen en de overgave van een stapel verklaringen door [mede-verdachte] gepaard gaand met de mededeling dat verdachte hem had gevraagd die te bezorgen, zijn te beschouwen als uitingen deels mondeling en deels door gebaar.

Het antwoord op de tweede vraag is afhankelijk van de beantwoording van de subvraag: Wat heeft de wetgever van artikel 285a Sr bedoeld met de frase “terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.”? Moet voor een bewezenverklaring van een beschuldiging terzake artikel 285a Sr eerst komen vast te staan dat die verklaring door de betrokkene inderdaad later is afgelegd? Of moet tenminste daadwerkelijk een uitnodiging, een oproeping of dagvaarding aan de betrokkene zijn uitgegaan? Of is voldoende dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de betrokkene mogelijk op enig moment in de toekomst een verklaring zal afleggen, zonder dat betrokkene of een derde reeds concrete stappen in die richting heeft gezet of laten zetten?

De politierechter is van oordeel dat de bepaling ruim moet worden uitgelegd. De strengst denkbare eis, te weten dat inderdaad blijkt van een later afgelegde verklaring, is onzinnig. Consequentie daarvan zou zijn dat wie wenst dat een getuige helemaal niet verklaart en die met zijn uitingen zo succesvol in het beinvloeden van de getuige is geweest dat die getuige ervan afziet om te verklaren, vrijuit gaat. Dat kan de wetgever niet hebben bedoeld. De bepaling is immers, en blijkens de parlementaire geschiedenis in kamerstukken 22483 zonder op dit punt nadere toelichting, discussie of commentaar, opgenomen in het Wetboek van Strafrecht tegelijk met veel bepalingen in het Wetboek van Strafvordering die beogen te bevorderen dat ten aanzien van bedreigde getuigen op een voor een verdachte faire wijze aan waarheidsvinding wordt gedaan door de justitiële autoriteiten, terwijl aan de noodzakelijke bescherming van dergelijke getuigen zoveel mogelijk wordt tegemoet gekomen.

De conclusie van de politierechter is dat een verklaring niet uiteindelijk behoeft te zijn afgelegd. Het “zal worden afgelegd” moet naar het oordeel van de politierechter zo worden uitgelegd dat daaronder wordt verstaan dat een gerede kans bestaat dat een getuige een verklaring zal afleggen. Daarvan kan dus ook reeds sprake zijn als de getuige feitelijk zelf (nog) geen wens tot het afleggen van een verklaring heeft en van een uitnodiging, oproeping of dagvaarding tot het afleggen van een verklaring (nog) geen sprake is. Denkbaar is zelfs dat de verdachte zelf de enige is die reden heeft om te vermoeden dat het in de toekomst tot een verklaring kan komen.

Of sprake is (van een ernstig vermoeden) van een gerede kans dat een getuige tot het afleggen van een verklaring komt, zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden.

De politierechter is van oordeel dat deze ruime interpretatie ook daarom gehanteerd moet worden, omdat het beinvloeden van de vrijheid van een getuige om naar waarheid of naar geweten te verklaren per se immoreel is. Ook als slechts bij de verdachte het ernstig vermoeden bestaat dat een getuige zal gaan verklaren, zonder dat dit anderen daarvoor op dat moment ook aanwijzingen hebben, is het verwerpelijk dat men de vrijheid van die getuige om naar waarheid of geweten te verklaren, beinvloedt.

In het onderhavige geval spelen de volgende concrete omstandigheden een rol bij de beoordeling. Verdachtes echtgenoot is aangehouden op de verdenking dat hij [slachtoffer van afpersing] heeft afgeperst. De echtgenoot ontkent de afpersing en heeft kennelijk een verklaring afgelegd bevattende een theorie die bepaalde feitelijkheden binnen de afpersing zou kunnen “ophelderen” en waarbij [slachtoffer van afpersing] zich zou kunnen aansluiten als hij een verklaring zou gaan afleggen. Welke theorie dat is en welke feitelijkheden dan in strijd met de waarheid worden “opgehelderd”, wordt uit het beperkte aan de politierechter ter hand gestelde dossier niet duidelijk. In elk geval bij het tweede bezoek is evident dat verdachte de bedoeling had om een eventuele toekomstige verklaring te beinvloeden in, gelet op een en ander, een richting die strijdig is met de waarheid rond de afpersing. Duidelijk is dat verdachte bij het eerste bezoek van [mede-verdachte] nog in onzekerheid verkeert of [slachtoffer van afpersing] al aangifte heeft gedaan of zal doen. Ongeveer twee weken later is dat kennelijk nog steeds het geval. Ook zit haar echtgenoot kennelijk nog steeds vast. Uit allerlei feiten heeft verdachte kunnen afleiden dat het een ernstige zaak betreft. Niet in de laatste plaats uit hetgeen haar is gebleken tijdens de periode van haar eigen inverzekeringstelling gedurende zes dagen in de afpersingszaak. Evident is dat verdachte zowel ten tijde van het eerste als ten tijde van het tweede bezoek van [mede-verdachte] het ernstig vermoeden heeft dat een gerede kans bestaat dat [slachtoffer van afpersing] een verklaring zal afleggen. De politie belast met het onderzoek danwel [slachtoffer van afpersing] zelf zou aan het verkrijgen c.q. het afleggen van een verklaring behoefte kunnen krijgen, in het bijzonder nu [afperser] betrokkenheid bij een afpersing ontkent en kennelijk een verhaal heeft opgehangen waarvan [slachtoffer van afpersing] moet kennis nemen. Het is die verklaring, beter gezegd de vrijheid om die naar waarheid af te leggen, die zij wenste te beinvloeden. Of reeds bij een rechter-commissaris het voornemen bestond om [slachtoffer van afpersing] te horen blijkt niet uit het dossier.

Of verdachte reeds het tenlastegelegde opzet had toen zij via [mede-verdachte] om een gesprek verzocht is niet overtuigend bewezen maar wel dat zij dat opzet had toen zij [mede-verdachte] met de verklaringen van haar echtgenoot naar [slachtoffer van afpersing] stuurde. Zoals [slachtoffer van afpersing] aangeeft: dat lag voor de hand. Van een ander opzet bij verdachte is de politierechter ook niet gebleken.

De politierechter acht daarom het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen in dier voege dat

zij omstreeks de periode van 22 april tot en met 12 juli 2004 te

Enschede, opzettelijk zich mondeling, door gebaren en bij geschrift jegens een persoon, te weten [slachtoffer van afpersing] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl zij ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,

immers heeft verdachte [slachtoffer van afpersing] middels een derde, namelijk [mede-verdachte], aan [slachtoffer van afpersing] verklaringen doen toekomen van [afperser].

De bewijsmiddelen waarop dit vonnis berust zullen worden vermeld in een afzonderlijke bijlage in de door de wet aangewezen gevallen.

Kwalificatie en strafbaarheid van de verdachte

De politierechter acht het bewezen verklaarde strafbaar. Het levert op:

Het opzettelijk beinvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of naar geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen,

strafbaar gesteld bij artikel 285a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

Verdachte is voor dit feit strafbaar, nu van strafuitsluitende omstandigheden niet is gebleken.

Strafoplegging

De politierechter is van oordeel dat de hierna op te leggen straf passend is.

De politierechter overweegt meer in het bijzonder nog het volgende ten aanzien van de strafmaat.

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij bij zijn eis aansluiting heeft gezocht bij wat doorgaans wordt geeist voor verdachten die zich aan meineed hebben schuldig gemaakt. Hij acht het onderhavige delict in zijn algemeen strafwaardiger dan meineed.

De politierechter verschilt daarover in elk geval in de onderhavige zaak van oordeel met de officier van justitie. Niet alleen heeft de wetgever op meineed een hogere maximumstraf gesteld dan op het onderhavige delict. De politierechter ziet het onderhavige delict als een vorm van uitlokking van meineed danwel van een zonder artikel 285a Sr niet strafbare variant daarop, de uitlokking van een niet onder ede afgelegde verklaring. Op uitlokking staat in zijn algemeenheid geen hogere straf dan op het plegen sec.

In de onderhavige zaak is er geen aanleiding om zwaarder te straffen dan doorgaans geschiedt in meineed-zaken. Weliswaar betreft het bewezen verklaarde een verklaring in een buitengewoon ernstige kwestie en heeft verdachte met haar ontkenning geen verantwoording genomen voor haar misdaad, anderzijds is het gebruikte middel, het door tussenkomst van [mede-verdachte] doen bezorgen van papieren bevattende verklaringen, met de opdracht aan [mede-verdachte] dat hij moest zeggen dat [slachtoffer van afpersing] die maar even goed moest lezen, niet bepaald grof of gewelddadig te noemen. Bovendien hebben verdachtes handelingen niet het door haar gewenste effect gesorteerd.

De politierechter rekent het verdachte wel aan dat zij in haar streven ook [mede-verdachte] heeft betrokken, mogelijk om zelf uit beeld te blijven bij de opsporingsinstanties.

De politierechter heeft verder gemeend om bij de strafmaat niet te betrekken wat in dit dossier (en in een ander dossier naar hij tijdens dezelfde zitting in een andere zaak constateerde) naar voren komt over een eventuele afpersing van [mede-verdachte], ofschoon verdachte toen zij in de onderhavige kwestie in voorlopige hechtenis verkeerde, die voorlopige hechtenis ook de verdenking van afpersing van [mede-verdachte] betrof en [mede-verdachte] in het dossier van de onderhavige zaak wel daarover rept. Mogelijk zou de politierechter op grond van dit dossier wel tot het oordeel kunnen komen dat het aannemelijk is dat [mede-verdachte] ook door [afperser] en verdachte werd afgeperst. Dat zou dan negatief moeten doorwerken in de strafmaat, omdat het dan des te kwalijker is dat zij, zoals [mede-verdachte] in zijn aangifte zegt, van zijn angst misbruik maakte door hem voor haar karretje te spannen. De politierechter zal echter, mogelijk dus ten voordele van verdachte, van het thans erbij betrekken van die kwestie van de afpersing van [mede-verdachte] afzien, omdat zich daarover, zoals vermeld, evident niet alle stukken in het dossier van deze zaak bevinden en omdat, zoals de officier van justitie ter zitting heeft aangegeven, hij nog overweegt om verdachte apart voor die kwestie te vervolgen (In de afpersing van [slachtoffer van afpersing] daarentegen wordt zij in beginsel niet meer vervolgd). Het past de politierechter naar zijn oordeel niet om dan nu toch reeds op die eventuele vervolging vooruit te lopen tegenover dezelfde verdachte.

Tenslotte heeft de politierechter ermee rekening gehouden dat verdachte in voorlopige hechtenis (mede daaronder begrepen in verzekeringstelling) verkeerde van 26 juli 2004 tot en met 18 augustus 2004.

Civiele vordering benadeelde partij

Ter zitting heeft de politierechter reeds de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer van afpersing] in zijn vordering van € 300.000 kennelijk niet ontvankelijk verklaard, omdat die schade geen direct gevolg is van het telastegelegde feit, zodat daarover thans geen oordeel meer wordt uitgesproken.

De politierechter heeft gelet op de artikelen 10 en 27 Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

De politierechter, recht doende :

Acht het feit bewezen zoals hierboven uiteengezet;

Kwalificeert dat feit als hierboven uiteengezet;

Acht verdachte daarvoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte terzake dat feit tot een gevangenisstraf voor de duur van drieëntwintig dagen met aftrek van de tijd die verdachte in deze zaak reeds in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

Aldus gewezen door mr. Berg, politierechter, en van Putten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank voornoemd, op 5 juli 2005;