Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT7809

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
21-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
08/005134-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn vrouw hebben in Turkije een baby van een ander opgehaald. Zij brachten het kind vervolgens naar Nederland om het op te voeden alsof het hun eigen kind betrof. Zij lieten het kind als hun eigen kind in de gemeentelijke basisadminstratie inschrijven met behulp van een vals Turks document. Over de wijze van "verkrijging" is volgens de rechtbank veel onduidelijk gebleven. Dat het kind aan zijn wettig gezag is onttrokken, acht de rechtbank niet bewezen. Dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenroof acht de rechtbank evenmin bewezen, nu zij artikel 278 Wetboek van Strafrecht anders uitlegt dan de officier van justitie. Wel is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het gebruik maken van een vals document bij de inschrijving van het kind bij de burgerlijke stand en aan valsheid in geschrifte. Verdachte krijgt daarvoor 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en 120 uur werkstraf. Het vonnis in de zaak tegen de vrouw is identiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/005134-04

STRAFVONNIS

Uitspraak: 21 juni 2005

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1962,

wonende te [adres].

terechtstaande terzake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 oktober 2002, in

elk geval in of omstreeks de maand mei 2002, in de gemeente Almelo en/of op Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer en/althans (elders) in Nederland en/of (op een luchthaven) in Turkije tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

een meisje, genoemd [kind] (verondersteld geboren te zijn op 16 mei 2002) (vanuit Turkije) over de grenzen van het Rijk in Europa heeft gevoerd met het oogmerk die [kind] wederrechtelijk onder de macht van een ander dan haar biologische moeder, namelijk van hem, verdachte en/of zijn vrouw, [mede-verdachte], te brengen en/of in hulpeloze toestand te verplaatsen, gezien de leeftijd van die [kind], en/of door die [kind] met een valse identiteit buiten de officiële adoptieprocedure om in een situatie te brengen waarin een (officiële) status haar ontbreekt/blijft ontbreken;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 278 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot 1 oktober 2002, in elk geval

in of omstreeks de maand mei 2002, in Turkije en/of in de gemeente Almelo en/althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een meisje, genoemd [kind] (verondersteld geboren te zijn op 16 mei 2002 te Denizli Merkez (Turkije)), dat toen nog geen twaalf jaar oud was, opzettelijk heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld

gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent,

door tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, die

[kind], die in Turkije bij haar moeder verbleef, in elk geval

onverwijld na geboorte bij haar moeder aanwezig was, buiten de (officiële)

adoptieprocedure om, naar/in Nederland te brengen in een situatie waarbij er geen wettig gezag of desbevoegd opzicht was/zou zijn (met de bedoeling die [kind] door hem, verdachte, en/of [mede-verdachte], te adopteren);

art 279 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 30 september 2002 te Almelo tezamen en in vereniging met

een ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) geboorte-akte, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde akte als document bij een aanvraag tot inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van een kind, genoemd [kind], heeft/hebben overgelegd aan een medewerker van de Afdeling Publiekszaken/Burgerlijke Stand van de gemeente Almelo, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die akte in strijd met de waarheid was vermeld dat:

- het kind, genoemd [kind], op 16 mei 2002 in Turkije was

geboren uit [mede-verdachte], althans: dat de moeder is genaamd [mede-verdachte], en/of

de vader is genaamd: [verdachte]

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 30 september 2002, en/of op of omstreeks 2 april 2003,

in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, een akte/bewijs van inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van de gemeente Almelo - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft doen opmaken,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen daar valselijk in

die/dat akte/bewijs doen of laten opnemen dat:

- een kind, genoemd (voornamen) [kind], als (achter)naam heeft:

[achternaam verdachte],

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 en 2 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht met betrekking tot sub 1 niet bewezen dat sprake is geweest van het ‘onder de macht van een ander’ brengen. Immers, verdachte heeft het kind, dat [kind] wordt genoemd, onder zijn eigen macht gebracht.

Evenmin acht de rechtbank met betrekking tot sub 1 bewezen dat [kind] ‘in een hulpeloze toestand is verplaatst’. Het woord ‘verplaatsen’ heeft in casu dezelfde betekenis als het woord ‘brengen’ als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. Onder het ‘in hulpeloze toestand brengen’ verstaat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, dat sprake dient te zijn van gevaar voor leven of gezondheid. Hiervan is de rechtbank in het onderhavige geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat het hier een kind betreft van ongeveer een jaar dat niet voor zichzelf kan zorgen, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat [kind] in hulpeloze toestand is gebracht. Integendeel, verdachte en zijn echtgenote

- tevens medeverdachte - [mede-verdachte], hebben de zorg voor [kind] op zich genomen. Niet gebleken is dat sprake is geweest van gevaar voor leven of gezondheid van [kind].

Ten aanzien van sub 2 overweegt de rechtbank nog het volgende.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben (overigens niet geheel consistente) verklaringen afgelegd over de wijze van verkrijging van het kind [kind]. Tevens hebben zij verklaringen en stukken overgelegd waaruit de naam van de beweerdelijke biologische moeder van [kind] zou blijken. Een en ander is echter volstrekt onvoldoende om de rechtbank tot de overtuiging te brengen dat de door verdachte geschetste gang van zaken en de genoemde naam overeenkomstig de waarheid zijn. Wie de biologische vader en moeder van het kind zijn, is aldus niet vast komen te staan, evenmin als de wijze waarop [kind] in handen van verdachte is gekomen.

Des te minder is gebleken wie wettig gezag of opzicht had of hadden over [kind].

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen – waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.

hij op 30 september 2002 te Almelo tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse geboorteakte – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en zijn mededader voornoemde akte als document bij een aanvraag tot inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van een kind, genoemd [kind], hebben overgelegd aan een medewerker van de Afdeling Publiekszaken/Burgerlijke Stand van de gemeente Almelo, bestaande die valsheid hierin dat in die akte in strijd met de waarheid was vermeld dat:

- het kind, genoemd [kind], op 16 mei 2002 in Turkije was geboren en dat de moeder is genaamd [mede-verdachte] en de vader is genaamd [verdachte]

4.

hij op 30 september 2002, in de gemeente Almelo, tezamen en in vereniging met een ander, een akte van inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens van de gemeente Almelo – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft doen opmaken, immers hebben verdachte en zijn mededader toen daar valselijk in die akte doen of laten opnemen dat:

- een kind, genoemd (voornamen) [kind], als achternaam heeft: [achternaam verdachte], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 3, het misdrijf:

"medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst",

strafbaar gesteld bij art. 225 lid 2 juncto art. 47 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 4, het misdrijf:

"het medeplegen van doen plegen van valsheid in geschrift",

strafbaar gesteld bij art. 225 lid 1 juncto art. 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake sub 1 tot en met 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf, te weten een werkstraf, van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende overwogen:

Verdachten [verdachte] en [mede-verdachte] hebben willens en wetens buiten alle officiële procedures om een kind uit Turkije naar Nederland gehaald. Onder deze omstandigheden is het kind onttrokken aan het toezicht van instanties die tot doel hebben adopties te begeleiden en te controleren ten behoeve van de betrokken kinderen. Bepaald niet uit te sluiten is verder dat dit is geschied buiten medeweten van een of meer belanghebbenden of wellicht zelfs tegen de wil van één of beide ouders van het kind. De handelwijze van verdachte maakt het kind ook voor deze personen onvindbaar.

Verdachten hebben naar het oordeel van de rechtbank, anders dan zij zelf verklaren, hoofdzakelijk gehandeld uit eigen belang en geen, althans onvoldoende, oog gehad voor de belangen van het kind en de biologische ouders daarvan.

Door het valselijk laten opmaken van een geboorteakte betreffende het kind en vervolgens met deze akte het kind onder valse gegevens te laten opnemen in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens, hebben verdachten het kind haar werkelijke identiteit ontnomen. Dit rekent de rechtbank hen zwaar aan. Daarbij neemt de rechtbank het verdachten tevens kwalijk dat zij de registers van de burgerlijke stand hebben vervuild, hetgeen moet worden voorkomen.

Gelet op de ernst van de feiten en ter norminprenting en normhandhaving, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, doch in het onderhavige geval acht de rechtbank een combinatie van een taakstraf, te weten een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur thans de meest passende straf. Daarbij heeft de rechtbank - in het voordeel van verdachte - laten meewegen dat in september 2002 reeds aangifte is gedaan, verdachte in april 2003 is gehoord en vervolgens pas in 2005 de strafvervolging weer is voortgegaan. Verder heeft verdachte geen justitiële documentatie en heeft de rechtbank het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland van 9 mei 2005 betreffende verdachte bij de hierna genoemde beslissing betrokken.

De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 en 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 3 en 4 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van

3 maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een taakstraf, te weten een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 uren,

met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Rikken, voorzitter, mr. Berg en mr. Taalman, rechters, welke laatste buiten staat is te tekenen, in tegenwoordigheid van mr. Postma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 juni 2005.