Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT7270

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
13-06-2005
Zaaknummer
03 / 006 WAO N1 A, 04 / 188 WAO N1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid, systematiek van het bij WAO-beoordelingen gebruikte zogenoemde Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Registratienummer: 03 / 006 WAO N1 A

04 / 188 WAO N1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep BV te Assen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

locatie Hengelo.

Derde belanghebbende: Stichting Verpleging en Verzorging [regio] te [plaats].

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluiten van verweerder van 26 november 2002 en 1 maart 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres was voor 32,40 uur per week werkzaam als coördinator praktijkopleidingen in dienst van derde-belanghebbende. Wegens klachten na een operatie in verband met een littekencorrectie heeft zij zich op 27 januari 1997 ziek gemeld. Vervolgens is eiseres bij een auto-ongeval op 1 april 1997 een whiplashtrauma overkomen, waaraan zij verschillende klachten heeft overgehouden, zoals nek- en hoofdpijn, vermoeidheid en concentratiestoornissen. Wegens arbeidsongeschiktheid heeft verweerder bij besluit van 31 oktober 1997 aan eiseres met ingang van 26 januari 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Na verschillende keren gedeeltelijk in haar werk te hebben hervat en weer te zijn uitgevallen, heeft eiseres zich per 6 november 2001 ziek gemeld wegens toenemende pijnklachten in de nek.

Bij besluit van 15 mei 2002 heeft verweerder besloten de WAO-uitkering van eiseres, die op dat moment was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 45-55%, met ingang van 16 juni 2002 te herzien en haar mate van arbeidsongeschiktheid nader vast te stellen op 25 tot 35%.

Tegen dit besluit is op 4 juni 2002 namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 26 november 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich blijkens het namens haar ingediende beroepschrift van 2 januari 2003 niet met dit besluit verenigen. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 03/6.

Verweerder heeft vervolgens, naar aanleiding van een rapportage van een van zijn bezwaararbeidsdeskundigen, geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 16 juni 2002 moet worden gesteld op 35-45%. Bij brief van 1 maart 2004 heeft verweerder de rechtbank gevraagd het bestreden besluit in die zin gewijzigd te lezen. De rechtbank heeft deze brief aangemerkt als een besluit tot wijziging van het bestreden besluit en het beroep geacht hier mede tegen te zijn gericht. Dit beroep is geregistreerd als 04/188.

De beroepen zijn behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 7 juni 2004 waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door N. Strikwerda. De derde-belanghebbende is niet verschenen.

Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en nadere gegevens opgevraagd bij verweerder. Deze gegevens heeft de rechtbank ontvangen. Naar aanleiding van enkele uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 9 november 2004 over het bij WAO-beoordelingen gebruikte zogenoemde Claimbeoordelings- en borgingssysteem (CBBS) heeft de rechtbank partijen om een nadere standpuntbepaling gevraagd. Hierop hebben partijen gereageerd.

Vervolgens zijn de beroepen wederom ter openbare zitting van de rechtbank behandeld, te weten op 21 maart 2005. Daar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen. De derde-belanghebbende is niet verschenen.

3. Overwegingen

Het geschil

1.1 In geschil is het besluit van 26 november 2002, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard. Dit bezwaar was gericht tegen het besluit de WAO-uitkering van eiseres te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het beroep is tevens gericht tegen het besluit van 1 maart 2004 tot wijziging van dit besluit, waarbij de uitkering is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Aan deze beslissingen heeft verweerder de adviezen van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ten grondslag gelegd, waarbij de beperkingen van eiseres zijn vastgesteld en functies zijn geselecteerd, oftewel geduid, die eiseres nog zou kunnen verrichten.

1.2 Eiseres voert tegen de verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid een groot aantal argumenten aan die zich richten tegen zowel de medische als de arbeidskundige beoordeling en die zich ook richten tegen het door verweerder gebruikte systeem tot vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, het eerder genoemde CBBS. Waar nodig zal de rechtbank deze beroepsgronden en het door verweerder hiertegen gevoerde verweer nader weergegeven.

De beoordeling

2. Wat moet worden verstaan onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, is nader omschreven in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Gelet op de wettekst moet de mate van arbeidsongeschiktheid niet alleen op medische, maar ook op arbeidskundige gronden worden bepaald. Bekeken moet worden welke verdiensten de betrokkene thans zou hebben gehad als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, en welke verdiensten hij nog in staat is te verwerven als rekening wordt gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Het verschil tussen beide wordt aangemerkt als het verlies aan verdiencapaciteit. Uitgedrukt in een percentage is dit de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Om te beoordelen of verweerders besluit op goede gronden berust, dient te worden bezien of de medische mogelijkheden en beperkingen juist zijn vastgesteld en of er voor eiseres nog arbeid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO is aan te wijzen, die zij met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen kan verrichten.

Medische beoordeling

3.1 In het onderhavige geval heeft verzekeringsarts A.J. Wolbers op 5 februari 2002 rapport uitgebracht en is daarin tot de conclusie gekomen dat bij eiseres sprake is van beperkingen die vooral betrekking hebben op storingen en deadlines, terwijl er ook een lichte beperking is ten aanzien van frequente draaibewegingen van het hoofd, reiken, buigen en zwaar tillen om aldus de nekspieren minder te belasten. Voor een urenbeperking bestaat naar het oordeel van de verzekeringsarts niet langer een reden. Op basis van deze conclusie is een functionele-mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Nadat genoemde verzekeringsarts het rapport had ontvangen van de neuroloog J.U.R. Niewold, uitgebracht in het kader van een letselschadeprocedure, alsmede informatie van de behandelend revalidatiearts C.G.M. Warmerdam van Het Roessingh, heeft hij op 4 april 2002 aanvullend rapport uitgebracht, waarin hij tot de conclusie komt dat de informatie van de behandelende neuroloog en revalidatiearts geen reden vormen om zijn eerdere conclusie ten aanzien van de verminderde arbeidsduur te herzien. De verzekeringarts acht eiseres belastbaar voor gangbare arbeid, waarbij sprake is van beperkingen bij de zwaarte (psychisch en fysiek) van het werk. Als hiermee rekening wordt gehouden zijn er naar de mening van de verzekeringsarts geen aanwijzingen om hier bovenop ook nog de arbeidsduur te verminderen. Naar aanleiding van de aanvullende informatie uit de behandelende sector heeft de verzekeringsarts een nieuwe FML opgesteld. In deze lijst zijn aanvullende beperkingen opgenomen op de punten werken boven schouderhoogte, trillingsbelasting en geluidsbelasting.

3.2 Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans. In zijn rapport van 15 november 2002 komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat eiseres geredeneerd vanuit de beperkte nekfunctie met hypertone spieren lokaal verminderd in staat is nek en armen te belasten. Ter compensatie zijn eisen te stellen aan arbeid. Eiseres is naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts aangewezen op fysiek niet te zware arbeid voor nek en armen, waarbij met de nek niet langdurig volgehouden en/of extreme standen dienen te worden ingenomen. De arbeid dient relatief dicht bij het lichaam uitgevoerd te kunnen worden en er dient geen sprake te zijn van intensieve, grove, aanhoudende schokken op nek en armen. Er is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen sprake van psychiatrische ziekte, daarom zijn er naar zijn mening geen eisen te stellen aan de psychische belastbaarheid als rechtstreeks gevolg van ziekte.

3.3 Cognitieve stoornissen als gevolg van ziekte/whiplash zijn niet aannemelijk, aangezien eiseres reeds langdurig in staat is haar eigen werk gedurende halve dagen te verrichten. Gezien de verhoogde spierspanning, welke ontstaat in reactie op stress, dient het werk niet te stresserend te zijn, oftewel voorspelbaar en gestructureerd te zijn. Eiseres dient naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts arbeid te kiezen, welke meer in overeenstemming is met haar persoonlijke mogelijkheden. Blijkbaar is eiseres onvoldoende in staat spanningen niet via het lichaam te laten afvloeien, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Dit laatste is volgens hem niet te zien als gevolg van ziekte of gebrek. Na bestudering van de FML constateert de bezwaarverzekeringsarts dat voor eiseres voldoende fysieke beperkingen zijn aangenomen. De beperkingen in psychische belastbaarheid zijn naar zijn mening niet te zien als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. De geduide arbeid is volgens de bezwaarverzekeringsarts fysiek licht van aard, zonder hoge belasting van nek en armen. Derhalve is de geduide arbeid door eiseres uit te voeren, zonder dat verdere gezondheidschade als gevolg van de belasting in geduide arbeid aannemelijk is. Een urenbeperking als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek is niet te stellen, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Voor wijziging van het verzekeringsgeneeskundig oordeel en de vastgestelde belastbaarheid van eiseres naar aanleiding van het bezwaar bestaat naar zijn mening geen aanleiding.

4.1 Volgens eiseres is ten onrechte geen rekening gehouden met een urenbeperking en heeft de verzekeringsarts de beoordeling niet volgens de Standaard verminderde arbeidsduur verricht. De verzekeringarts heeft verder naar haar mening ten onrechte verzuimd nadere informatie te vragen bij de behandelende sector van eiseres.

4.2 Verweerder heeft in het verweerschrift van 14 januari 2003 opgemerkt dat al in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 5 februari 2002 aandacht is besteed aan de Standaard verminderde arbeidsduur. Aangezien er niet echt sprake zou zijn van een energetische beperking en vooral het eigen werk zwaar is voor eiseres, ziet de verzekeringsarts geen aanleiding om naast beperking van de zwaarte van het werk ook een beperking van de urenomvang van gangbaar werk aan te nemen. Naar de mening van verweerder heeft ook de bezwaarverzekeringsarts terecht geoordeeld dat een urenbeperking niet aan de orde is. Verweerder blijft van mening dat eiseres in principe fulltime arbeid kan verrichten als maar voldoende rekening wordt gehouden met de vastgestelde beperkingen. Voorts wijst verweerder erop dat de verzekeringsarts zorgvuldigheidshalve het expertiserapport van de behandelende neuroloog heeft opgevraagd, waarin ook reeds de nodige informatie van de behandelende sector is meegewogen. Naar aanleiding van dat rapport en de door eiseres toegestuurde brief van de revalidatiearts en haar brief aan de manager SMF heeft de verzekeringsarts de beperkingen van eiseres nogmaals beoordeeld en aangepast.

4.3 De rechtbank kan zich met deze zienswijze van verweerder verenigen. Uit het rapport van de verzekeringsarts Wolbers van 5 februari 2002 blijkt inderdaad dat hij zowel naar de Standaard geen duurzaam benutbare mogelijkheden als de Standaard verminderde arbeidsduur heeft gekeken. Ten aanzien van de eerstgenoemde standaard heeft genoemde verzekeringsarts aangegeven dat bij eiseres geen uitzonderingscategorie van toepassing is, hetgeen door of namens eiseres ook niet is gesteld, en ten aanzien van de Standaard verminderde arbeidsduur heeft hij opgemerkt dat er bij eiseres geen beperkingen aan de orde zijn die aanleiding geven voor een urenbeperking.

5.1 Verder voert eiseres aan dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen volgt, dat het werk van eiseres voorspelbaar en gestructureerd moet zijn omdat anders stressreacties ontstaan. In de FML is op deze punten echter geen beperking opgenomen.

5.2 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de FML voldoende waarborgen bevat om te voorkomen dat stresserend werk voor eiseres geschikt wordt geacht. De FML vermeldt immers dat eiseres is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige deadlines en productiepieken en zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen.

6.1 Naar aanleiding van een rapport van orthopedisch chirurg P.A.L. Blokzeijl stelt eiseres dat zij meer beperkt moet worden geacht, met name op het punt van het op en boven schouderhoogte werken.

6.2 De rechtbank verwerpt dit betoog. Verweerder heeft er terecht opgewezen dat de bevindingen van Blokzeijl niet alle zijn gebaseerd op onderzoeksbevindingen, dat wil zeggen op objectieve medische gegevens. Artikel 18 van de WAO eist dit echter wel om beperkingen bij het verrichten van arbeid aan te kunnen nemen. Overigens is in de FML wel rekening gehouden met de door Blokzeijl aangedragen punten.

7.1 Ten slotte voert eiseres aan dat in de FML beperkingen hadden moeten worden opgenomen op de punten concentreren en herinneren.

7.2 De rechtbank verwerpt ook dit betoog. Verweerders verzekeringsarts Wolbers heeft in zijn aanvullende rapportage van 4 april 2002 expliciet in ogenschouw genomen of de klachten zoals geheugenproblemen en concentratiestoornissen moeten leiden tot het aannemen van beperkingen op deze punten. Hij overweegt echter dat in de rapportages van de neuroloog en de revalidatiearts het accent ligt op de nekklachten en de fysieke beperkingen. De rechtbank ziet geen grond dit oordeel van de verzekeringsarts voor onjuist te houden.

8. Ook voor het overige heeft eisers geen nieuwe gegevens of feiten en omstandigheden naar voren gebracht die reden zouden moeten zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van verweerders medisch onderzoek en de daaruit getrokken conclusies. De rechtbank zal daarom uitgaan van deze conclusies en ziet ervan af eiseres nader door een deskundige te laten onderzoeken.

Arbeidskundige beoordeling

9.1 Eiseres meent als eerste dat de schatting van haar arbeidsongeschiktheid niet met behulp van het CBBS had mogen geschieden, maar had dienen plaats te vinden met behulp van het Functie-informatiesysteem (FIS) dat tot 1 januari 2002 door verweerder werd gebruikt voor het uitvoeren van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Het gaat volgens haar in dit geval om een ziekmelding per 6 november 2001 en een claim wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per een datum op of omstreeks begin december 2001.

9.2 Als reactie hierop heeft verweerder gesteld, dat bij het onderzoek door de verzekeringsarts inderdaad sprake was van een eindewachttijdbeoordeling van vier weken per 4 december 2001. Omdat de conclusie echter was, dat het arbeidsongeschiktheidspercentage was afgenomen, kon deze wachttijd niet worden toegepast.

Na de aankondiging dat haar arbeidsongeschiktheidspercentage zou worden verlaagd, diende een uitlooptermijn van twee maanden in acht te worden genomen. Daarom is de datum hier in geding 16 juni 2002.

9.3 De rechtbank stelt vast dat het aan haar ter beoordeling voorgelegde bestreden besluit een verlaging van de uitkering van eiseres inhoudt per 16 juni 2002. Alleen al om die reden kon verweerder bij zijn beoordeling het CBBS gebruiken.

9.4 Dit laat echter onverlet dat verweerder op grond van artikel 38, eerste lid, van de WAO diende te beoordelen of eiseres per 4 december 2001 toegenomen arbeidsongeschikt was. Deze bepaling schrijft immers voor, dat terzake van toeneming van arbeidsongeschiktheid herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% plaatsvindt zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Verweerder heeft niet gemotiveerd dat hij dit heeft gedaan en dat hij tot de conclusie kwam, dat ook per die datum de arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen. De door verweerders arbeidsdeskundige gebruikte functies voor de schatting waren bovendien op de genoemde datum van 4 december 2001 niet allemaal actueel. De functie van statistisch analist (Sbc-code 651030) is geactualiseerd per 18 december 2001, de functie van telefonist, receptionist en typist (Sbc-code 315120) per 21 december 2001, 2 februari 2002 dan wel 9 februari 2002 en de functie van schadecorrespondent (Sbc-code 516080) per 13 februari 2002.

9.5 De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten alleen al om deze reden niet in stand kunnen blijven wegens strijd met de in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen motiveringsplicht. Omdat echter ook een verlaging van de arbeidsongeschiktheid per 16 juni 2002 voorligt en om zo veel mogelijk een finale geschillenbeslechting te bereiken, zal de rechtbank ook de overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

10.1 Principieel stelt eiseres zich op het standpunt, dat het CBBS niet voor arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen kan worden gebruikt, omdat het op de volgende manier twee verschillende grootheden met elkaar vergelijkt. De verzekeringsarts betrekt bij zijn oordeel dat bepalend is voor de belastbaarheid van eiseres in arbeid, de waarden die krachten weergeven die eiseres niet gedurende de uitvoering van arbeid gebruikt. Die waarden (de normaalwaarden) vertegenwoordigen de krachten die in het gehele dagelijkse leven worden uitgevoerd. Vervolgens worden door de arbeidsdeskundige functies uit het CBBS geselecteerd met een bepaalde loonwaarde. De loonwaarde wordt representant geacht voor de krachten die gezonde personen, met een soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar zij arbeid verrichten of laatstelijk hebben verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. De waarden die de belasting van deze gezonde personen vertegenwoordigen, zijn dus representant voor de krachten die deze gezonde personen gedurende die tijd dat zij arbeid verrichten uitoefenen. De lonen die de geduide functies vertegenwoordigen zijn derhalve een afspiegeling van de waarde van de krachten die tijdens de uitvoering van het beroep (de functie) worden uitgeoefend. Het maatmanloon, dat representant geacht wordt voor de krachten uitgeoefend in én het privé-leven én tijdens de arbeid, wordt derhalve vergeleken met het loon van de geduide functies welke loonwaarde representant is voor de krachten die de gezonde persoon enkel tijdens de uitvoering van de arbeid (functie) uitoefent.

10.2 Op 9 november 2004 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een aantal uitspraken (onder meer LJN AR4716, RSV 2004/351) gewezen waarin het CBBS als ondersteunend systeem bij de beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten beoordeeld is. De CRvB stelt daarbij voorop dat hem niet gebleken is van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. In het bijzonder merkt de CRvB hierbij op, dat dit ook geldt voor de systematiek waarbij aanwezigheid en mate van beperkingen in beginsel worden bepaald door middel van een vergelijking met normaalwaarden als referentiekader. Die kritiek komt in essentie hierop neer dat, nu de normaalwaarden zijn vastgesteld aan de hand van hetgeen de gezonde beroepsbevolking van 16 tot 65 jaar in het normale dagelijks leven nog - minimaal - aan activiteiten kan verrichten, geen juist beeld wordt verkregen van hetgeen iemand in een arbeidssituatie nog aan kan, daar in een arbeidssituatie doorgaans zwaardere eisen worden gesteld dan in het dagelijks leven en er voorts minder ruimte bestaat om zaken naar eigen voorkeur en eigen mogelijkheden in te richten. De CRvB constateert dat dit kritiekpunt reeds door de bij de ontwikkeling en invoering van het CBBS betrokken functionarissen van het UWV is onderkend. Uit het geheel van de omtrent het CBBS beschikbare gegevens, zoals deze nog nader schriftelijk en mondeling zijn toegelicht, is voor de CRvB genoegzaam komen vast te staan dat bij de uiteindelijke inrichting van het systeem, waaronder hier mede dient te worden begrepen de voor verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen opgestelde gebruikersinstructie, in voldoende mate ermee rekening is gehouden dat met betrekking tot sommige handelingen en activiteiten de belasting in arbeid - soms zelfs beduidend - kan uitstijgen boven de belasting in het dagelijkse leven. Bovendien biedt de FML de mogelijkheid om in elk geval bij de rubrieken I, II, III, IV en V specifieke voorwaarden voor het functioneren van de betrokkene in arbeid in verband met de voor die rubrieken vastgestelde beperkingen te formuleren. Aldus kan de opvatting dat met het CBBS mensen stelselmatig te kort worden gedaan omdat met gebruikmaking daarvan geen reëel beeld kan worden verkregen van iemands belastbaarheid in een werksituatie, niet worden gedeeld.

10.3 De rechtbank heeft in de stukken en het behandelde ter zitting geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de conclusie dat de onderhavige zaak verschilt van het door de CRvB beoordeelde geval. De rechtbank verenigt zich dan ook met dit oordeel van de CRvB en verwerpt het betoog van eiseres.

11.1 Aanvullend aan het bovenstaande heeft eiseres aangevoerd, dat niet alle belastbaarheidsaspecten van de aan eiseres voorgehouden functies zijn geanalyseerd door een arbeidsdeskundig analist. De consequentie hiervan zou zijn, dat niet valt te controleren in hoeverre de belastbaarheid op aspecten op persoonlijk en sociaal functioneren een rol speelden in de voorgehouden functies. Daardoor zou eiseres onevenredig in haar procesbelang zijn geschaad en dat is niet te rijmen met de vereisten voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

11.2 Daargelaten in hoeverre artikel 6 van het EVRM op deze situatie van toepassing is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiseres in een belang is geschaad omdat zij de rol van bepaalde aspecten niet kan controleren.

Voorzover een bepaald aspect van functiebelasting niet is geanalyseerd en vastgelegd, zal de arbeidsdeskundige die een bepaalde functie voor een verzekerde geschikt acht, in voorkomende gevallen moeten vermelden en zo nodig motiveren waarom in de functie de vastgestelde beperkingen en normaalwaarden op de niet-geanalyseerde punten niet worden overschreden. De grondslag voor deze motivering kan de arbeidsdeskundige vinden in de wel geanalyseerde belastingpunten en in de algemene omschrijving van de functie die door de arbeidsdeskundig analist zijn aangeleverd. Deze gegevens, evenals de vermeldingen en motivering door de arbeidsdeskundige zijn voor de verzekerde controleerbaar. In het navolgende zal de rechtbank nader ingaan op verweerders motiveringsplicht.

12. In de genoemde uitspraken van 9 november 2004 heeft de CRvB namelijk ook een aantal bedenkingen geuit waar het betreft de inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van het systeem. De CRvB heeft hierbij onder meer het oog gehad op het gegeven dat in de FML de nummering van de belastbaarheidsaspecten niet overeenstemt met de nummering van de naar inhoud overeenkomende (matchende) items in de lijsten met de functiebelastinggegevens, het feit dat in het dossier geen signaleringen meer voorkomen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, alsmede het gegeven dat het CBBS naast matchende items, ook niet-matchende items kent die niet door het geautomatiseerde systeem worden vergeleken. De CRvB is van oordeel dat, zolang het CBBS niet is aangepast, hoge(re) eisen gesteld dienen te worden aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende schattingsbesluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten. Voldoet het besluit hier niet aan, dan komt het wegens strijd met de artikelen 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

13. Eiseres heeft in het licht van deze uitspraak geklaagd dat zij niet over een transponeringstabel beschikt. Verweerder heeft deze echter alsnog overgelegd.

14.1 Daarnaast wijst eiseres er op dat uit de overgelegde stukken niet duidelijk is of bij de vergelijking van de FML en de belasting in de geduide functies overschrijdingen zijn geconstateerd.

14.2 Dit betoog slaagt. Verweerder heeft niet toegelicht of en zo ja op welke punten de belasting van eiseres volgens de FML is overschreden en waarom de geduide functies niettemin voor eiseres geschikt zijn.

15.1 Wat betreft de niet-matchende items wijst eiseres op de voor haar aangenomen beperking op het punt veelvuldige storingen en onderbrekingen, dat een niet-matchend item is. Bij de verschillende functies zou deze beperking kunnen zijn overschreden, terwijl bovendien een definitie van dit punt ontbreekt.

15.2 Om te beginnen erkent verweerder dat in de functie arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris (Sbc?code 763100) de belasting op dit punt wordt overschreden. Deze functie vervalt daarom. Zonder deze functie komt de resterende verdiencapaciteit lager uit, zodat eiseres moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%. Deze constatering is aanleiding geweest voor het wijzigingsbesluit van 1 maart 2004.

De rechtbank leidt uit de genoemde brief af, dat verweerder zelf constateert dat het besluit van 26 november 2002 op onjuiste gronden berust en niet in stand kan blijven. De rechtbank kan zich met dit standpunt verenigen.

15.3 Wat betreft de overige functies heeft verweerder als volgt overwogen.

- statistisch analist: uit de functiebeschrijving blijkt niet dat er sprake is van veelvuldige storingen en onderbrekingen Het initiatief tot telefoongesprekken e.d. ligt blijkens de functiebeschrijving bij de functionaris. De functionaris wordt derhalve niet veelvuldig gestoord tijdens het verrichten van een taak.

Bij een nadere beschouwing van de functiebelasting van de statistisch analist kan worden gewezen op de taakstelling. Het betreft overwegend uitvoerende taken waarbij in slechts 15% van de werktijd contact wordt onderhouden met bedrijven (extern) dan wel (interne) afdelingen. Gedurende deze taak zou het voor kunnen komen dat verzekerde wordt gestoord of onderbroken. De reguliere taakstelling betreft dus taken die worden opgelegd door de chef. De opmerking met betrekking tot conflicthantering moet worden genuanceerd. Item 52 geeft aan dat als aanvullende info onvolledig of te laat is, een conflict kan ontstaan. Uit deze omschrijving volgt allerminst de indruk dat hier sprake is van (structureel) veelvuldige storingen of onderbrekingen. Met betrekking tot probleem oplossen kan ook niet worden uitgegaan van veelvuldige storingen of onderbrekingen. Dit mag wel verwacht worden bij de chef van deze statistisch analist, die namelijk wordt benaderd wanneer een probleem voor de analist niet oplosbaar blijkt. De analist stelt zijn eigen probleem vast (werktaak) en zoekt daarvoor een oplossing (werktaak). Dat in de functie wordt samengewerkt met anderen betekent niet dat sprake is van een storing of onderbreking. Pas wanneer een andere collega met een probleem bij verzekerde komt en verzekerde zijn eigen werktaak moet staken of neerleggen ter wille van die ander, kan worden gesproken van een storing of onderbreking. Dit is echter van een andere orde dan het gezamenlijk werken aan een probleem met hetzelfde (werk)doel.

- schadebemiddelaar: er zijn in de functie geen belastingen aanwezig die de belastbaarheid van cliënt te boven gaan. 30% van de taak bestaat uit telefonisch contact onderhouden met cliënten, maar blijkens de functiebeschrijving wordt deze taak uitgeoefend middels inroostering in het team voor de klantenservice. Cliënten die bellen breken derhalve met hun telefoontje niet in tijdens het uitoefenen van een andere taak die daardoor onderbroken wordt. Tijdens de klantenservicedienst is het beantwoorden van telefonische informatieverzoeken immers de taak en niet een verstoring. Uit de functiebeschrijving blijkt niet dat er sprake is van veelvuldige storingen en onderbrekingen. Deze functie heeft overwegend uitvoerende werktaken waarbij geen sprake is van veelvuldige storingen. Dit blijkt naast de specificatie van de werktaken ook uit het belastingitem 53; er is sprake van een afgebakende eigen deeltaak. Gezien de functiebeschrijving wordt in de functie voldoende structuur en voorspelbaarheid aanwezig geacht.

- telefonist, receptionist, typist: gezien de functiebeschrijving wordt in de functie voldoende structuur en voorspelbaarheid aanwezig geacht.

15.4 Wat de functies van statistisch analist en schadebemiddelaar betreft, kan de rechtbank zich met deze overwegingen verenigen. Verweerders uitleg is uitgebreid en sluitend. Een absolute definitie van hetgeen veelvuldige storingen en onderbrekingen inhouden, is dan niet nodig. Dit zal moeten worden bepaald aan de hand van de concrete voorgehouden functies en de mate van beperking van eiseres.

15.5 De rechtbank kan zich echter niet vinden in verweerders overwegingen over de functie telefonist, receptionist, typist. Uit de functieomschrijving blijkt, dat deze functies steeds verschillende combinaties van taken omvatten zoals balie-, type- en telefoonwerkzaamheden. In de meeste gevallen geldt dat de medewerker niet zelf kan bepalen wanneer er werk binnen komt en wanneer deze moeten worden afgehandeld. Veelvuldige storingen en onderbrekingen zijn, evenals deadlines en productiepieken, bijna inherent aan de functies van telefonist, receptionist en/of typist. In dat licht acht de rechtbank de door verweerder gegeven, algemene motivering onvoldoende.

16.1 Voor zover thans nog relevant heeft eiseres gewezen op overschrijdingen van haar belastbaarheid op de punten probleemoplossing en conflicthantering in de functies statistisch analist en telefonist, receptionist en typist en op het punt geluidsbelasting in de functie van schadecorrespondent.

16.2 De rechtbank kan hier echter niet de conclusie aan verbinden dat het besluit op dit punt niet afdoende is gemotiveerd. Eiseres is op de punten probleemoplossing en conflicthantering immers niet beperkt geacht. Wat betreft het omgevingslawaai heeft verweerder terecht aangevoerd, dat de functie van schadecorrespondent geen bijzondere belasting vermeldt op het punt van omgevingslawaai en dat daarom moet worden aangenomen dat de belasting van eiseres niet wordt overschreden.

17. Eiseres voert tevergeefs aan dat functies zijn geduid waarin wisselende diensten voorkomen. Daarvan blijkt immers niets uit de door verweerder overgelegde arbeidsmogelijkhedenlijst en functiebeschrijvingen.

18. Evenmin kan de rechtbank inzien dat het opleidingsniveau van eiseres onjuist is vastgesteld. In haar rapport van 15 april 2002 heeft arbeidsdeskundige I. Weusthof daarvoor verwezen naar een rapport van arbeidsdeskundige E.M. IJssennagger van 9 februari 2002. Eiseres heeft geen stukken of andere informatie overgelegd waaruit zou volgen dat de in deze laatste rapportage opgenomen gegevens onjuist zijn.

19. Hetgeen eiseres ten slotte heeft gesteld over de hoogte van het maatmanloon en de reductiefactor zoals opgenomen in genoemde rapportage van Weusthof, is door verweerder akkoord bevonden, zodat ook op dat punt vaststaat dat het bestreden besluit onjuist is gemotiveerd.

20.1 Uit het voorgaande volgt dat zowel het besluit van 26 november 2002 als het besluit van 1 maart 2004 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet in stand kunnen blijven. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

20.2 Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en reiskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 809,60, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan eiseres;

- verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het griffierecht ad EUR 29,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.E. van Wees, mr. M.L.J. Koopmans en mr. A.M.S. Kuipers, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005.

Afschrift verzonden op

CK