Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT6684

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
30-05-2005
Datum publicatie
02-06-2005
Zaaknummer
05 / 519 WW44 AQ1 A
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering na bezwaar van vrijstelling als bedoeld in artikel 3, lid E, sub 5, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein de Greune” (hierna: het bestemmingsplan) en lichte bouwvergunning voor het oprichten van een GSM-mast (met een hoogte van 37,5 meter) op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Voorzieningenrechter

Registratienummer: 05 / 519 WW44 AQ1 A

UITSPRAAK ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8:84 AWB

in het geschil tussen:

Vodafone Libertel N.V., wonende te Maastricht, verzoekster,

gemachtigde: mr. J.M. Thomissen, werkzaam bij verzoekster,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haaksbergen, verweerder,

Derde-belanghebbenden: [derde] en anderen;

gemachtigde: J.P.E. Baakman, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Bawa te Haaksbergen.

1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft

Besluit van verweerder d.d. 26 april 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij aanvraag van 5 april 2004, op 8 april 2004 bij verweerder binnengekomen, heeft verzoekster verweerder verzocht haar een lichte bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een GSM-mast (met een hoogte van 37,5 meter) op het perceel De Greune 14 te Haaksbergen (hierna: het perceel). Bij besluit van 2 november 2004, verzonden 5 november 2004 (het primaire besluit), heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 3, lid E, sub 5, van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein de Greune” (hierna: het bestemmingsplan) en lichte bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast (met een hoogte van 37,5 meter) op het perceel.

Op 10 november 2004 hebben [derde] en anderen (hierna: derde-belanghebbenden) tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij verzoekschrift van eveneens 10 november 2004 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende het schorsen van het primaire besluit. Dit verzoek is door de voorzieningenrechter van de rechtbank afgewezen op 16 december 2004.

Op 7 februari 2005 heeft de commissie voor de bezwaarschriften van de gemeente Haaksbergen (hierna: bezwaarschriftencommissie) verweerder geadviseerd de bezwaarschriften deels niet-ontvankelijk en, voor zover wel ontvankelijk, ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 26 april 2005, verzonden op 29 april 2005 heeft verweerder besloten de bezwaarschriften deels niet-ontvankelijk te verklaren en, voor zover wel ontvankelijk, de bezwaren, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, gegrond te verklaren en het besluit van 2 november 2004 te herroepen en te vervangen door het besluit de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning te weigeren.

Verzoekster heeft tegen dit besluit op 4 mei 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft verzoekster op 9 mei 2005 aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht het besluit te schorsen om zodoende te bewerkstelligen dat verzoekster haar reeds aangevangen werkzaamheden (op eigen risico) kan hervatten.

Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 24 mei 2005, alwaar verzoekster is verschenen in de persoon van gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door K.B. Lohuis en G.E.M. Willemsen, respectievelijk burgemeester van en ambtenaar bij verweerders gemeente. Derde-belanghebbenden hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde voornoemd.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, door een partij in de hoofdzaak aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.

Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat tevens de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het besluit van 26 april 2005, inhoudende herroeping van het besluit van 2 november 2004 en weigering van de vrijstelling en de gevraagde bouwvergunning, wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat, hoewel de aanvraag om bouwvergunning een mast met GSM-antennes betreft, na realisering daarvan vergunningvrij UMTS-antennes kunnen worden geplaatst. Daarom moet bij de afweging over het al dan niet verlenen van de vrijstelling rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de mast ook gebruik gaat worden voor UMTS-antennes. Vervolgens heeft verweerder overwogen dat er onzekerheid bestaat omtrent de gezondheidsrisico’s van UMTS-antennes. In verband daarmee is verweerder van mening dat uit voorzorg moet worden voorkomen dat UMTS-antennes geplaatst worden op een locatie in of nabij woonbuurten. De belangen van omwonenden die door hun werk of anderszins langdurig verblijven in de nabijheid van UMTS-antennes en met name het belang van de gezondheid acht verweerder zwaarder dan het belang van verzoekster om te beschikken over een dekkend netwerk van UMTS-antennes. Bij verweerder heeft een rol gespeeld de maatschappelijke onrust, die is ontstaan als gevolg van de plannen van verzoekster alsmede een motie van de raad van de gemeente Haaksbergen, die er op gericht is plaatsing van UMTS-antennes nabij woningen niet mogelijk te maken zolang er geen duidelijkheid is omtrent de gezondheidsrisico’s.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de plaatsing van UMTS-antennes geen noemenswaardige negatieve effecten voor de gezondheid heeft. In de jurisprudentie wordt dit standpunt onderschreven, aldus verzoekster. Verweerders besluit is onvoldoende gemotiveerd. Bovendien heeft verweerder bij verzoekster het vertrouwen gewekt dat een vrijstelling zou worden verleend en dat plaatsing van de mast niet op problemen zou stuiten.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Verzoekster heeft gevraagd om een voorlopige voorziening inhoudende schorsing van het in beroep bestreden besluit “om zodoende te bewerkstelligen dat Vodafone haar reeds aangevangen werkzaamheden (op eigen risico) kan hervatten.” Naar ter zitting is gebleken is verzoekster van mening dat schorsing van het in beroep bestreden besluit het primaire besluit tot verlening van de vergunning doet herleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze visie onjuist. Schorsing van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de rechtsgevolgen van het besluit gedurende de termijn van schorsing niet intreden. Het bestreden besluit zelve blijft echter bestaan. Toewijzing van het verzoek van verzoekster zou derhalve niet er toe leiden dat verzoekster wederom over een vergunning beschikt. Daarvan kan slechts sprake zijn indien de rechtbank in de bodemprocedure tot het oordeel zou komen dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Indien er aanleiding zou bestaan een voorlopige voorziening te treffen, zou deze niet slechts moeten bestaan uit schorsing van het bestreden besluit, maar tevens moeten inhouden dat verzoekster geacht wordt in het bezit te zijn van de benodigde vrijstelling en bouwvergunning. Dit is een zeer ver strekkende voorlopige voorziening, die – naar het oordeel van de voorzieningenrechter – uitsluitend zou kunnen worden gehonoreerd indien op voorhand vast staat en buiten iedere twijfel is verheven dat het bestreden besluit niet in stand zal blijven en er bovendien geen onomkeerbare gevolgen verbonden zullen zijn aan uitvoering van de voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin op voorhand vast staat dat het bestreden besluit niet in stand zal kunnen blijven. Weliswaar kunnen enige vragen worden gesteld omtrent de rechtmatigheid van het besluit van verweerder maar de voorlopige voorzieningenprocedure is niet de geëigende procedure om daarover uitsluitsel te verkrijgen. Bovendien zal een voorlopige voorziening, inhoudende dat verzoekster geacht wordt in het bezit te zijn van de benodigde vrijstelling en bouwvergunning, er toe leiden dat het verzoekster vrijstaat het bouwwerk op te richten. Daarmee is een onomkeerbare situatie ontstaan, die verweerder nu juist beoogde te voorkomen door de vrijstelling en bouwvergunning te weigeren.

Het verzoek om voorlopige voorziening zal derhalve worden afgewezen.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,

Recht doende:

wijst het verzoek af.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Aldus gegeven door mr. W.M.B. Elferink, in tegenwoordigheid van A.E.M. Lever als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2005

Afschrift verzonden op

mtl