Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT6681

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
02-06-2005
Zaaknummer
04 / 1002 AOW V1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de AOW-uitkering van eiseres met ingang van november 2003 herzien naar het pensioen voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon. In deze beschikking staat vermeld dat eiseres de aanwezigheid van een zakelijke relatie niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 04 / 1002 AOW V1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. S.M. Koopmans, werkzaam bij Damsté advocaten te Hengelo,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Deventer, verweerder,

gemachtigde: A. van der Weerd.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 september 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Sinds december 2001 ontvangt eiseres een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (verder te noemen: AOW). Verweerder (vestiging Groningen) heeft haar eerst een ‘gehuwdenpensioen’ toegekend. Na onderzoek heeft verweerder (vestiging Groningen) haar met ingang van december 2001 een ‘alleenstaandenpensioen’ verstrekt. Eiseres woonde in die periode in Meppel waar zij een huurwoning deelde met de heer [naam] (verder te noemen: [naam]).

Eiseres is per 16 augustus 2002 verhuisd naar [woonplaats]. Op een wijzigingsformulier van 4 oktober 2003 heeft [naam] aan verweerder meegedeeld dat hij als kostganger bij eiseres in [woonplaats] ging wonen.

Bij besluit van 13 februari 2004 heeft verweerder de AOW-uitkering van eiseres met ingang van november 2003 herzien naar het pensioen voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon. In deze beschikking staat vermeld dat eiseres de aanwezigheid van een zakelijke relatie niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Tegen deze beslissing heeft eiseres op 25 maart 2004 bezwaar gemaakt. Na hiertoe door verweerder in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft eiseres de gronden van haar bezwaar aangevuld.

Op 3 mei 2004 heeft [naam] op het kantoor van verweerder een betalingsbewijs afgegeven. Hierop staat vermeld dat [naam] op 29 april 2004 een bedrag van € 200,- aan kostgeld heeft overgemaakt aan eiseres. Op dezelfde dag heeft eiseres een op 27 april 2004 gedateerde kostgangerovereenkomst overgelegd.

Met ingang van 1 augustus 2004 woont [naam] elders. Met ingang van augustus 2004 ontvangt eiseres weer een ‘alleenstaandenpensioen’.

Op 10 augustus 2004 is er een hoorzitting geweest. Eiseres is toen in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.

Op 25 augustus 2004 heeft verweerder van de gemachtigde van eiseres een ingevuld ‘vragenformulier inzake de gezamenlijke huishouding’ ontvangen.

Bij het bestreden besluit van 7 september 2004 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Op 13 oktober 2004 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft bij brief van 10 november 2004 de op het beroep betrekking hebbende stukken en op 19 november 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 12 mei 2005, waar eiseres bijgestaan door haar gemachtigde mr. S.M. Koopmans is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 7 september 2004 in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 9 van de AOW heeft een ongehuwde pensioengerechtigde recht op een AOW-uitkering gelijk aan 70 % van het minimumloon. Een gehuwde pensioengerechtigde heeft recht op een uitkering gelijk aan 50 % van het minimumloon. Artikel 1, derde lid, van de AOW bepaalt dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt:

‘de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijk huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.’

Artikel 1, vierde lid, van de AOW bepaalt vervolgens:

‘Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.’

Ingevolge artikel 17, eerste in verbinding met derde lid, van de AOW wordt bij wijziging van omstandigheden die een verlaging van de uitkering tot gevolg hebben de uitkering herzien met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de wijziging zich heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 17 a, tweede lid, van de AOW kan verweerder geheel of gedeeltelijk van herziening afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Bij de uitvoering van zijn taken ingevolge onder meer de AOW hanteert verweerder de door hem vastgestelde ‘SVB Beleidsregels 2004’.

Standpunten partijen

Verweerder legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiseres de aanwezigheid van een commerciële relatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat er van financiële verstrengeling tussen haar en [naam] geen sprake was. Tussen haar en [naam] bestond een commerciële relatie, aldus eiseres. Eiseres heeft naar eigen zeggen een reële tegenprestatie van [naam] gevorderd voor de geboden huisvesting, de maaltijden en het wassen van de kleding van [naam].

Eiseres heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de situatie zoals deze ontstond toen [naam] bij haar ging wonen, exact omgekeerd is aan de woonsituatie van beiden in Meppel.

In beide gevallen hadden partijen dezelfde afspraken gemaakt en was er sprake van kostganger-schap, aldus eiseres. Omdat verweerder destijds een alleenstaandenpensioen heeft toegekend en volgens eiseres dezelfde feiten van toepassing zijn, heeft verweerder het vertrouwensbeginsel geschonden.

In zijn verweerschrift stelt verweerder niet in strijd met het vertrouwensbeginsel te hebben gehandeld. Kort na de melding op 4 oktober 2003 van eiseres dat [naam] bij haar kwam wonen, heeft verweerder haar erop attent gemaakt dat er een kostgangerovereenkomst nodig was en dat eiseres de kostgeldbetalingen aan moest tonen. Ook heeft eiseres toen zij nog in Meppel woonde een folder ‘voorwaarden commerciële relatie’ van verweerder ontvangen.

Ter zitting van 12 mei 2005 heeft de gemachtigde van verweerder daaraan toegevoegd dat er met de verhuizing van eiseres naar [woonplaats] en het op een later tijdstip bij haar intrekken van [naam] een nieuwe situatie is ontstaan ten opzichte van de woonsituatie in Meppel.

Die nieuwe situatie dient opnieuw te worden beoordeeld. Bovendien heeft eiseres na haar verhuizing naar [woonplaats] minstens een jaar zelfstandig gewoond voordat [naam] bij haar kwam wonen.

Inhoudelijke beoordeling van het geschil

Het vertrouwensbeginsel verlangt dat bestuursorganen gewekt vertrouwen niet beschamen. Wanneer iemand op goede gronden meent dat een bestuursorgaan een bepaald besluit zou nemen of daar juist van af zou zien, wordt hij door dit beginsel beschermd in het bijzonder wanneer hij op grond van dat vertrouwen dingen heeft gedaan die hij anders niet of op een andere wijze zou hebben gedaan.

De rechtbank stelt vast dat eiseres bij beschikking van verweerder van 18 oktober 2002 met ingang van december 2001 een AOW-pensioen voor een alleenstaande toegekend heeft gekregen. Aan de toekenning van de uitkering is een uitgebreid onderzoek door verweerder voorafgegaan, waarbij eiseres onder meer thuis is bezocht en zij op verzoek van verweerder een formulier ‘Checklist onderzoek leefsituatie AOW/Anw’ heeft ingevuld. Zowel uit het huisbezoekrapport van 11 maart 2003 als uit het formulier van dezelfde datum valt af te leiden dat eiseres op hetzelfde adres woonde als [naam].

In het bestreden besluit van 7 september 2004 leest de rechtbank dat verweerder deze relatie als een zakelijke relatie heeft beoordeeld.

Na de verhuizing van eiseres naar [woonplaats] is [naam] per 1 oktober 2003 op het adres van eiseres komen wonen. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat er toen een nieuwe situatie is ontstaan die een herziening van de uitkering van eiseres rechtvaardigde. Ter zitting moest verweerder het antwoord op de vraag op welke punten de woonsituatie van eiseres en [naam] in [woonplaats], afgezien van de persoon van de huurder, afweek van die in Meppel echter schuldig blijven. De rechtbank is dan ook met eiseres van oordeel dat de woonsituatie van eiseres en [naam] precies omgekeerd was aan die in Meppel. Waar eiseres in Meppel in de kost was bij [naam], daar was [naam] in [woonplaats] in de kost bij eiseres.

Dat verweerder eiseres kort nadat [naam] bij haar in kwam wonen, verzocht heeft om inlichtingen over haar woonsituatie maakt niet dat haar beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. In Meppel werden van haar en [naam] immers gelijksoortige inlichtingen verlangd en was de conclusie van verweerder dat eiseres recht had op een AOW-uitkering voor een alleenstaande. Ook de door verweerder gestelde bekendheid met de voorwaarden waaraan een commerciële relatie moet voldoen, maakt niet dat een beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Eiseres was immers al bekend met deze voorwaarden toen zij nog in Meppel woonde.

Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat zijn beleid met betrekking tot het vaststellen van een commerciële relatie sinds 2002 niet is veranderd. Ook de relevante wet - en regelgeving is in deze periode niet gewijzigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is bovendien vast komen te staan dat eiseres het van [naam] ontvangen geld gebruikt heeft voor de huishouding. Door het herzieningsbesluit dat de basis vormt voor een reeds in gang gezette terugvordering lijdt zij dus schade. Eiseres heeft met andere woorden gedisponeerd op grond van het door verweerder gewekte vertrouwen. Mede gelet daarop acht de rechtbank het enkele tijdsverloop tussen 16 augustus 2002 en 1 oktober 2003 niet dusdanig dat een beroep op het vertrouwensbeginsel reeds daarop afstuit.

Slotsom is daarom dat het beroep van eiseres gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met het vertrouwensbeginsel dient te worden vernietigd. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Aan een bespreking van de overige door eiseres aangevoerde gronden, komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde een bedrag van EUR 644,-- aan kosten voor rechtsbijstand en een bedrag van EUR 4,60 aan reiskosten.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 648,60 , door verweerder te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerders rechtspersoon aan eiseres het griffierecht ad € 37,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van mr. S. Rhebergen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2005.

Afschrift verzonden op

mtl