Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT5449

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
12-05-2005
Zaaknummer
08/500001-04 en 08/040130-02 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte Ter Horst BV heeft zich volgens de rechtbank meermalig schuldig gemaakt aan overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet doordat zij twee werknemers sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten aan asbesthoudend materiaal, zonder te voldoen aan een aantal in het Arbeidsomstandighedenbesluit gestelde vereisten, terwijl zij wist dat die werkzaamheden levensgevaarlijk of ernstig schadelijk konden zijn. Aan de BV wordt een boete opgelegd van € 15.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk. De vordering van de officier van justitie om een destijds aan een andere BV voorwaardelijk opgelegde boete nu tenuitvoer te doen leggen, wordt afgewezen, omdat Ter Horst BV een andere rechtspersoon is dan die door de OvJ bedoelde BV en zij niet met elkaar vereenzelvigd kunnen worden.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenwet
Arbeidsomstandighedenwet 32
Arbeidsomstandighedenbesluit
Arbeidsomstandighedenbesluit 4.45
Arbeidsomstandighedenbesluit 4.54
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 6
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2005/69 met annotatie van Wolters

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/500001-04

08.040130-02 (tul)

STRAFVONNIS

Uitspraak: 12 mei 2005

De rechtbank te Almelo, meervoudige economische kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

Ter Horst B.V.,

Breukersweg 4c te Goor,

terechtstaande terzake dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 oktober 2003

tot en met 10 oktober 2003 in de gemeente Oldenzaal, in elk geval in Nederland,

als werkgever, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen,

bestaande die handelingen uit het (telkens) door een of meer werknemers van

haar, verdachte, te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3]

en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of een of meer anderen,

sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten op een terrein gelegen aan de

Primulastraat te Oldenzaal, waarbij asbest vrij kwam, dan wel vrij kon komen,

bestaande die werkzaamheden uit (onder meer) het slopen van de vloer en/of de

fundering van een was- en/of kleedruimtegebouw en/of het slopen van een of

meer rioleringsbuizen,

terwijl zij, verdachte, (telkens) (zakelijk weergegeven)

in strijd met het bepaalde in artikel 4.45 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

de concentratie van asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk heeft

gehouden en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 4.54 lid 5 Arbeidsomstandighedenbesluit

genoemde sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten zonder toezicht van een

persoon, die in het bezit was/is van een certificaat van vakbekwaamheid

verwijdering asbest en crocidoliet, dat was/is afgegeven door de Minister van

SZW en/of door een certificerende instelling en/of

in strijd met het bepaalde in artikel 8 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998

er niet voor heeft zorg gedragen dat de werknemer(s) doeltreffend zijn/waren

ingelicht over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden

risico's en/of de maatregelen die erop zijn/waren gericht genoemde risico's te

beperken,

terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [betrokkene 1] en/of

[betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of een

of meer anderen, in elk geval een of meer werknemers van haar, verdachte, kon

ontstaan en/of was te verwachten;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet geschaad.

De raadsman van verdachte heeft bepleit tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie dan wel nietig verklaring van de dagvaarding dan wel vrijspraak, dan wel ontslag van rechtsvervolging van het telastegelegde.

De rechtbank overweegt:

De rechtbank is van oordeel dat de juiste BV, te weten Ter Horst BV te Goor, zoals blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel Veluwe en Twente d.d. 10 oktober 2003, is gedagvaard om ter terechtzitting te verschijnen.

Daarnaast is zij van oordeel dat de dagvaarding aan de in de dagvaarding vermelde verdachte rechtsgeldig is uitgereikt.

Gelet hierop dient het verweer van de raadsman tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie te worden afgewezen.

Tevens wijst de rechtbank het verweer van de raadsman tot nietigheid van de dagvaarding af.

De raadsman heeft aangevoerd dat het bedrijf Strukton als hoofdaannemer dient te worden aangemerkt.

Naar het oordeel van de rechtbank is i.c. niet relevant of wellicht ook andere rechtspersonen als verdachte kunnen worden aangemerkt.

Ten aanzien van het verweer dat in de telastelegging verwezen wordt naar artikelen die bij overtreding slechts als beboetbaar feit met een “bestuurlijke boete” kunnen worden bestraft merkt de Rechtbank op dat buiten enige twijfel uit de dagvaarding blijkt dat vervolgd wordt voor overtreding van het in artikel 32, eerste lid, Arbeids-omstandighedenwet 1998 genoemde misdrijf en niet terzake overtreding van artikel 33 van die wet, dat ziet op de door de raadsman bedoelde beboetbare feiten.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen, -welke in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 7 oktober 2003 tot en met 10 oktober 2003 in de gemeente Oldenzaal, als werkgever, handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de

Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, bestaande die handelingen uit het door werknemers van haar, verdachte, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] sloopwerkzaamheden laten verrichten op een terrein gelegen aan de

Primulastraat te Oldenzaal, waarbij asbest vrij kwam,

bestaande die werkzaamheden uit (onder meer) het slopen van de vloer en de

fundering van een was- en/of kleedruimtegebouw en het slopen van een of

meer rioleringsbuizen,

terwijl zij, verdachte, (zakelijk weergegeven) in strijd met het bepaalde in artikel 4.45 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit de concentratie van asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk heeft gehouden en in strijd met het bepaalde in artikel 4.54 lid 5 Arbeidsomstandighedenbesluit genoemde sloopwerkzaamheden heeft laten verrichten zonder toezicht van een persoon, die in het bezit was/is van een certificaat van vakbekwaamheid verwijdering asbest en crocidoliet, dat was/is afgegeven door de Minister van SZW en/of door een certificerende instelling en

terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs had moeten weten dat daardoor

levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die [betrokkene 1] en

[betrokkene 2] kon ontstaan en/of was te verwachten;

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

"Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 opzettelijk begaan door een rechtspersoon”,

meermalen gepleegd;

strafbaar gesteld bij artikel 32 van die Arbeidsomstandighedenwet 198, artikel 6 van de Wet op de Economische Delicten en artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,= waarvan € 25.000,= voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

De rechtbank is zich bewust dat de primaire verantwoordelijkheid voor het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen bij de werknemer ligt, die de werkzaamheden uitvoert.

Hij is immers degene die direct aan gevaar wordt blootgesteld.

Van de werknemer mag worden verwacht dat hij de hem ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen daadwerkelijk gebruikt.

Sommige van deze beschermingsmiddelen kunnen onder omstandigheden enige hinder met zich meebrengen in de uitvoering van de werkzaamheden.

Dit mag echter nooit een reden zijn om het gebruik na te laten.

Naast de verantwoordelijkheid van de werknemer heeft de werkgever, i.c verdachte, de verantwoordelijkheid om haar werknemers tegen zich zelf te beschermen.

Zij dient haar werknemers blijvend te attenderen en te verplichten genoemde beschermingsmiddelen te gebruiken en daarop toe te zien.

Bekend was dat asbesthoudend materiaal gesloopt zou worden, waarvoor zelfs een gespecialiseerd bedrijf was ingeschakeld, zodat er wel degelijk gevaar voor de gezondheid van de werknemers te duchten was.

Verdachte heeft nagelaten erop toe te zien dat werknemers beschermende kleding droegen terwijl zij asbest gerelateerde werkzaamheden verrichten. Voor zover verdachte zich op het standpunt stelt dat het asbest gerelateerde werk was uitbesteed aan derden, kan haar verweten worden dat ze niet heeft belet dat haar werknemers (verdere) werkzaamheden hebben verricht in asbestverdachte omstandigheden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van na te melden straf tevens rekening gehouden met de conclusie van drs. M.A. Stelling, verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk in zijn deskundigenrapport d.d.26 maart 2004, dat er geen aanwijzingen zijn dat zodanige grote hoeveelheden asbestvezels zijn vrijgekomen dat deze de kans op longkanker en mesothelioom voor betrokkenen kunnen verhogen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een geldboete behoort te worden opgelegd zoals hierna zal worden bepaald.

De rechtbank zal hiervan een deel voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte er van te weerhouden om opnieuw dit soort strafbare feiten te plegen.

De na te melden straf en maatregel is gegrond, behalve op voormeld artikel op de artikelen 23, 24, 51, 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 1 en 2 Wet op de economische delicten, artikelen 4.45 en 4.54 Arbeidsomstandighedenbesluit en artikel 8 Arbeidsomstandighedenwet 1998.

Vordering tenuitvoerlegging wegens recidive, betreffende parketnummer

08.040130-02

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Almelo van 12 april 2005, tot het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van deze rechtbank van 21 januari 2003 opgelegde voorwaardelijk deel van de geldboete, van oordeel dat die vordering behoort te worden afgewezen, omdat aan de verdachte rechtspersoon niet de in de oproeping bedoelde straf was opgelegd en beide rechtspersonen niet met elkaar vereenzelvigd kunnen worden.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Verklaart bewezen, dat het tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een geldboete van € 15.000,= (vijftien duizend euro).

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot € 10.000,= (tien duizend euro) niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Betreffende parketnummer: 08.040130-02.

Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige economische strafkamer in deze rechtbank van 21 januari 2003.

Aldus gewezen door mr. Rikken, voorzitter, mrs. Inden en Berg, rechters, in tegenwoordigheid van Van Putten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 mei 2005.