Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT4626

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-04-2005
Datum publicatie
26-04-2005
Zaaknummer
08/710030-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte reed met zijn auto op zijn echtgenote in. Verdachte spreekt ter zitting van een ongeluk, de officier van justitie eist (onder meer) 8 jaar gevangenisstraf voor "poging tot moord". De rechtbank acht poging tot doodslag bewezen en legt aan verdachte 3 jaar en 6 maanden gevangenisstraf op, legt een rijontzegging van 1 jaaar op, verklaart de auto verbeurd, en veroordeelt hem tot schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/710030-05

STRAFVONNIS

Uitspraak: 26 april 2005

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, land] op [datum] 1948,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring

[naam] te [plaats]

terechtstaande terzake dat:

hij op of omstreeks 06 januari 2005 te Enschede

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en

al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat

opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met de door hem

bestuurde auto op die [slachtoffer] is ingereden, waarbij verdachte de snelheid van

die auto aanmerkelijk heeft verhoogd en vervolgens tegen die [slachtoffer] is

aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 06 januari 2005 te Enschede aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk

letsel (diverse verwondingen in het gezicht en een meervoudige breuk van de

onderarm en een gekneusde heup), heeft toegebracht, door opzettelijk, en al

dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met de door hem bestuurde auto op

die [slachtoffer] in te rijden, waarbij verdachte de snelheid van die auto

aanmerkelijk heeft verhoogd en vervolgens tegen die [slachtoffer] is aangereden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 06 januari 2005 te Enschede ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met de door

hem bestuurde auto op die [slachtoffer] is ingereden, waarbij verdachte de snelheid

van die auto aanmerkelijk heeft verhoogd en vervolgens tegen die [slachtoffer] is

aangereden;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen, -welke in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 januari 2005 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met de door hem bestuurde auto op die [slachtoffer] is ingereden, waarbij verdachte de snelheid van die auto aanmerkelijk heeft verhoogd en vervolgens tegen die [slachtoffer] is aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de bewezenverklaring overweegt de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Vast is komen te staan dat verdachte al enige jaren in onmin leefde met zijn echtgenote, met wie hij ook al geruime tijd niet meer samenleefde. Zij bezocht dezelfde kerk als hij. In die kerk vervulde verdachte ook een zekere bijzondere, representatieve functie. In verband met die functie bedoelde hij, naar zijn zeggen, op de bewuste dag, 6 januari 2005, een bezoek aan de kerk te brengen. Uit navraag was hem gebleken dat zijn vrouw zich ook reeds in de kerk bevond waar een doopplechtigheid gaande was. Hij heeft toen, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, zijn auto op zodanige wijze geparkeerd bij de kerk dat hij een optimaal zicht had op de deur en het terrein, en dus ook op zijn vrouw wanneer die de kerk en het terrein om de kerk zou verlaten. Hij is vervolgens bij en in zijn auto gebleven.

Ook is komen vast te staan dat hij tegen 11.30 uur, nadat zijn vrouw wel de kerk maar nog niet het terrein had verlaten, met zijn auto over een aanzienlijke afstand recht naar voren, in haar richting is gereden tot hij zelfs tegen haar aanreed. Hij deed dit terwijl hij zijn snelheid vermeerderde en zonder bijtijds te remmen. Daardoor reed hij zijn vrouw aan die daardoor gewond op straat kwam te liggen. Tegenover de inspecteur van politie Zonder heeft verdachte op 6 januari 2005 omstreeks 12.30 uur aangegeven, dat hij “zijn ex zag lopen, dat hij vervolgens heel boos was geworden en was gaan rijden met zijn auto en vervolgens niets meer had gezien van boosheid.”

Verder is komen vast te staan dat hij, nadat hij gestopt was en naar zijn vrouw was toegelopen, tegen haar heeft gezegd dat dit haar verdiende loon was. Hij heeft helemaal niets gedaan om haar te helpen, ondanks dat verdachte zelf een achtergrond in de verpleging claimt te hebben. Een en ander kan de rechtbank niet anders kwalificeren dan als een bij het door de vrouw verlaten van de kerk bij verdachte opgekomen plan om met zijn auto op zijn vrouw af te rijden om haar daarmee hard te raken, de aanmerkelijke kans op haar overlijden wensend zoniet daarmee tenminste accepterend.

Dat verdachte de auto achteruit inparkeerde op een plaats waarvandaan men eenvoudig rechtuit over haar heen kan rijden, is onvoldoende om te concluderen dat hij al eerder, in kalm beraad, had besloten over haar heen te zullen rijden. Verdachtes bewering dat hij haar niet in de kerk wilde ontmoeten, komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.

Verdachtes mededeling, enige weken eerder, dat hij haar zou vermoorden als zij van hem zou gaan scheiden en zijn navraag naar haar aanwezigheid in de kerk, zijn voor de rechtbank, ook in het onderling verband met de overige feiten en omstandigheden in deze zaak beschouwd, onvoldoende om bij haar te leiden tot de overtuiging dat sprake is van meer dan een poging tot doodslag, te weten een poging tot moord.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

"Poging tot doodslag",

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het primair telastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren

onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.

Met toewijzing van de civiele vordering van mevr. [slachtoffer] tot een bedrag van

€ 2521,14 en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel,

en met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van het feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een “Poging tot doodslag” doordat hij met de door hem bestuurde auto op [slachtoffer], zijn echtgenote, is ingereden, daarbij de snelheid van die auto aanmerkelijk verhoogde, en vervolgens tegen haar is aangereden.

Het is slechts aan toeval te danken dat het slachtoffer tengevolge van het door verdachte uitgeoefende geweld niet is gedood.

Dit feit houdt een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer

Verdachte is totaal voorbij gegaan aan het ernstige psychische effect dat dit feit op het slachtoffer kan hebben.

De rechtbank neemt het verdachte ernstig kwalijk dat hij ook ter terechtzitting het gebeuren ernstig bagatelliseert door te spreken van een “ongeluk”.

Gelet op de ernst van het feit en ter norminprenting, is naar het oordeel van de rechtbank, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur thans de meest passende straf.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat gelet op het feit dat verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn auto een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid op zijn plaats is.

De rechtbank heeft bij het bepalen van na te melden straf rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder terzake geweldsmisdrijven met justitie in aanraking is geweest.

[Motivering verbeurdverklaring via tekstfragment.]

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat [slachtoffer] bij haar gemachtigde mr. A.P. Drosten te Enschede, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij heeft gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave heeft gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van, na aanvulling ter terechtzitting door haar gemachtigde mr. Drosten, € 2521,14.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten dele gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht.

De schade bedraagt minder dan het gevorderde bedrag, namelijk € 1837,80, (immateriële schade € 1500,= (voorschot) en € 337,80 materiële schade, te weten kleding € 200,=; 2 dagen ziekenhuis € 46,=; huisarts € 50,=; informatie en ziekenhuis, informatie € 41,80), zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door et feit is toegebracht.

De na te melden straf en maatregel zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36f, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat het primair tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van

drie jaren en zes maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

één jaar.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen personenauto, te weten een Toyota Starlet, kleur grijs en voorzien van het kenteken: RN-92-TK.

Veroordeelt verdachte, terzake van het bewezen feit tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres en woonplaats] van een bedrag groot: €.1837,80.

(terzake immateriële schade € 1500,= als voorschot en terzake materiële schade

€ 337,80)

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot

€ 1837,80 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer], voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 36 dagen zal worden toegepast.

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij: [slachtoffer] voor een deel van € 683,34 niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Berg, voorzitter, mrs. Derks en Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van Van Putten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 april 2005.