Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT2674

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-03-2005
Datum publicatie
29-03-2005
Zaaknummer
04 / 18 WW AW1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW-uitkering. Eiser is het niet eens met het vastgestelde aantal gewerkte uren per week en de verrekening van de uren gewerkt in het nevendienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 04 / 18 WW AW1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 1 december 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser is van 28 februari 2001 tot 1 augustus 2002 in dienst geweest bij de werkgever [bedrijf 1] BV. Nadat deze werkgever in staat van faillissement is verklaard heeft verweerder de loonbetalingsverplichtingen overgenomen. Op 17 juli 2002 is eiser in dienst getreden bij [bedrijf 2] BV. Met ingang van 18 augustus 2002 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. In verband met dit urenverlies heeft eiser op 5 september 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Hiernaast is eiser sedert 1 december 1998 werkzaam bij het Ministerie van Defensie als reservesoldaat bij de Nationale Reserves (NATRES).

Bij besluit van 17 december 2002 heeft verweerder eiser met ingang van 19 augustus 2002 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WW-uitkering. Daarbij is verweerder er van uitgegaan dat eiser gemiddeld 38 uur en 46 minuten per week heeft gewerkt. Het dienstverband bij het Ministerie van Defensie, welke verweerder heeft vastgesteld op 10 uur en 46 minuten per week, wordt niet op eisers uitkering in mindering gebracht. Het meerdere wel.

Bij schrijven van 26 januari 2003, ingekomen bij verweerder op 28 januari 2003, heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiser is het niet eens met het vastgestelde aantal gewerkte uren per week en de verrekening van de uren gewerkt in het nevendienstverband.

Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is op 13 maart 2003 gebruik gemaakt. Tijdens de hoorzitting heeft eiser zijn bezwaren tegen het vastgestelde aantal gewerkte uren per week van 38 uur en 46 minuten ingetrokken.

Bij het bestreden besluit van 1 december 2003 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaald en ingelast worden beschouwd, eisers bezwaren ongegrond verklaard en zijn besluit van 17 december 2002 gehandhaafd.

Bij schrijven van 9 januari 2004, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 januari 2004, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 21 januari 2004 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 24 januari 2005 de rechtbank nadere schriftelijke informatie verstrekt.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 februari 2005, waar eiser is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Liesting.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van 1 december 2003 in rechte in stand kan blijven.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die – voor zover hier van belang - :

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Artikel 16, tweede lid, van de WW bepaalt – voor zover hier van belang - dat onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Indien de werknemer minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, wordt bij de bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de eerste volzin, mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. Voor de vaststelling van de periode van 26 kalenderweken, bedoeld in de eerste en tweede zin, worden weken, tot een maximum van 78 weken, waarin de werknemer onbetaald verlof heeft genoten, niet in aanmerking genomen, tenzij dit leidt tot een lager aantal uren dan wanneer die weken wel in aanmerking zouden worden genomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder gehandhaafd zijn beslissing van 17 december 2002, waarbij onder meer is bepaald dat het gemiddelde van de nevendienstverband 10 uur en 46 minuten betreft. In het onderhavige geval is de omvang daarvan beoordeeld door het gemiddeld aantal gewerkte uren te nemen in de 26 kalenderweken voorafgaande aan 19 augustus 2002. Deze periode loopt volgens verweerder dan van 18 februari 2002 tot 19 augustus 2002. Volgens verweerders informatie heeft eiser in deze periode totaal 279 uur gewerkt. Gemiddeld is dat 10 uur en 44 minuten, aldus verweerder. Omdat bij het primaire besluit het gemiddelde is bepaald op 10 uur en 46 minuten en dat aantal gunstiger is voor eiser is verweerder van laatstgenoemde aantal uren uitgegaan. Deze 10 uur en 46 minuten per week wordt niet in mindering gebracht op eisers WW-uitkering. Het meerdere wel.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit omdat de termijn van beslissen te lang is geweest. Verder vindt eiser dat de verrekening van nevendienstverband niet redelijk en billijk is. Eiser verzoekt de rechtbank te oordelen dat de uren van het nevendienstverband niet meegenomen worden bij bepaling van de uitkering. Daarbij geeft eiser aan dat verweerder bij eerdere toekenningsbesluiten de gewerkte uren bij de NATRES geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser de rechtbank op 24 januari 2005 nog de beslissing van verweerder van 19 januari 2005 doen toekomen, inzake een nieuwe toekenning WW-uitkering, waarbij de uren gemaakt bij de NATRES buiten beschouwing worden gelaten. Tevens heeft eiser de rechtbank een deel uit een besluit van verweerder aan een collega reservist doen toekomen waarin weliswaar ook wordt uitgegaan van verrekening van het nevendienstverband, zoals in casu, maar weer vrijstelling wordt verleend als in verband met deze werkzaamheden cursussen/opleidingen worden gevolgd. Volgens eiser maken die cursussen/opleidingen een substantieel deel van de uren op jaarbasis uit. Blijkens het verhandelde ter zitting worden die uren wel uitbetaald. De 279 uur hier aan de orde zijn alle betaalde uren.

In het verweerschrift constateert verweerder tot zijn spijt dat de wettelijke termijn, waarbinnen hij een beslissing op bezwaar had moeten afgegeven, niet is gehaald. Volgens verweerder heeft hij in het bestreden besluit van 1 december 2003 hier oprecht zijn excuses voor aangeboden, maar leidt deze constatering uiteraard niet tot een andere inhoudelijke beslissing.

Met betrekking tot de verrekening van het nevendienstverband geeft verweerder aan dat indien een werknemer vóór het intreden van de werkloosheid nevenwerkzaamheden verricht, naast het dienstverband waaruit hij werkloos is geworden, en de omvang van deze werkzaamheden na het intreden van de werkloosheid in ieder geval gelijk blijft, dit geen gevolgen heeft voor de WW-uitkering. Alleen wanneer een werknemer zijn uren gaat uitbreiden zal dit leiden tot een (gedeeltelijke) beëindiging van het recht op uitkering, aldus verweerder. Om te kunnen vaststellen of er sprake is van urenuitbreiding van deze nevenwerkzaamheden heeft verweerder aansluiting gezocht bij artikel 16, tweede lid, van de WW. Volgens verweerder worden de niet aftrekbare uren vastgesteld door het aantal gewerkte uren van de nevenwerkzaamheden te delen door 26. Hierbij geeft verweerder nogmaals aan dat de beoordelingsperiode ligt in de 26 weken voorafgaande aan de eerste WW-dag (18 februari 2002 tot 19 augustus 2002). Verweerder heeft opgave gevraagd bij het Ministerie van Defensie, waaruit is gebleken dat eiser in de bovenvermelde periode in totaal 279 uur heeft gewerkt, hetgeen volgens verweerder leidt tot een gemiddelde van 10 uur en 44 minuten per week. Aangezien in het primaire besluit is uitgegaan van 10 uur en 46 minuten per week, hetgeen iets gunstiger is voor eiser, is verweerder van laatstgenoemde aantal uren per week uitgegaan. Deze uren hebben volgens verweerder geen invloed op de hoogte van de WW-uitkering. Alleen de meerdere uren worden in mindering gebracht. Verweerder geeft ten slotte aan dat er in het beroepschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden worden genoemd en dat volgens hem het bestreden besluit op goede gronden is genomen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver kan gaan dat fouten die gemaakt worden moeten worden voortgezet. Voorts geeft verweerder aan dat de recente toekenningsbeslissing wel voor de nodige verwarring zorgt. Wat betreft de cursussen/opleidingen geeft verweerder aan dat uren waarover inkomen wordt ontvangen als gewerkte uren zijn aan te merken en dienen te worden gekort op de uitkering.

De rechtbank overweegt allereerst dat eiser voor wat betreft de vertraagde afhandeling van het bezwaarschrift rechtsmiddelen had kunnen aanwenden, hetgeen hij niet heeft gedaan. Uit het dossier blijkt ook niet dat eiser heeft aangedrongen op een afhandeling van de procedure. Verweerder heeft de vertraagde afhandeling derhalve zonder gevolgen kunnen laten.

Wat betreft de verrekening van het nevendienstverband overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt uit artikel 16, tweede lid, van de WW dat in het algemeen de uren waarin werkzaamheden zijn verricht uit hoofde waarvan de betrokkene niet als werknemer wordt beschouwd, niet bij de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren worden betrokken en dat slechts een verlies van uren waarin als werknemer is gewerkt tot werkloosheid in de zin van de WW kan leiden (o.a. RSV 1998/83).

Vast staat dat verweerder zowel in het primaire besluit als in de beslissing op bezwaar wat betreft de berekening van eisers gemiddeld aantal arbeidsuren een onderscheid heeft gemaakt tussen de dienstbetrekking bij zijn laatste werkgever en bij de NATRES in die zin dat de uren bij de NATRES niet zijn meegeteld bij de berekening van eisers gemiddeld aantal arbeidsuren. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder van oordeel is dat de militair aangesteld bij het reservepersoneel van de krijgsmacht niet onder het begrip werknemer/dienstbetrekking bedoeld in de WW valt, hetgeen haar niet als onjuist voorkomt.

Vast staat voorts dat eiser deze werkzaamheden al verrichtte voordat hij werkloos werd en dat het gaat om werkzaamheden met een onregelmatig arbeidspatroon (avonduren en weekend).

Ervan uitgaande dat bij de NATRES sprake is van werkzaamheden uit hoofde waarvan eiser niet als werknemer in de zin van de WW kan worden beschouwd is verweerder ter bepaling van de omvang van de uitbreiding van de nevenwerkzaamheden op goede gronden uitgegaan van het gemiddeld aantal aan die werkzaamheden bestede uren per week in de 26 kalenderweken voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid (art. 16, tweede lid, WW). Dat zulks nadelig uitpakt voor iemand die op een wisselend aantal uren werkzaam placht te zijn is geaccepteerd door de CRvB (o.a. RSV 1998/83 en RSV 1995/134).

Gelet op de overgelegde gegevens constateert de rechtbank echter dat de vraag of de werkzaamheden bij de NATRES al dan niet worden gekort op de WW-uitkering mede afhankelijk lijkt van het feit of het UWV GAK dan wel UWV Cadans de uitvoeringsinstantie is. Bovendien beslist het UWV GAK de ene keer dat de werkzaamheden bij de NATRES niet worden gekort op de WW-uitkering en de andere keer weer wel, maar dan worden de gevolgde cursussen/opleidingen uitgezonderd. Hierdoor ontstaat naar het oordeel van de rechtbank een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling bij dezelfde soort werkzaamheden. Op dit punt ontbreekt derhalve een consistente uitvoering van de regelgeving door verweerder. Uit het door eiser overgelegde besluit van een recentere datum dan het thans bestreden besluit leidt de rechtbank af dat geen sprake kan zijn van fouten in eerder genomen beslissingen, doch moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat de uitvoeringspraktijk ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gekenmerkt wordt door willekeur. Dit betekent dat het besluit is genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in welke wetsbepaling het verbod van willekeur ligt besloten.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad Eur 4,80.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke kosten worden bepaald op Eur 4,80 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan eiser;

- verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het griffierecht ad Eur 31,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. S. Taalman, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2005.

Afschrift verzonden op

AW