Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT2493

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-03-2005
Datum publicatie
25-03-2005
Zaaknummer
08/035216-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in strijd met artikel 30 van de Diergeneesmiddelenwet twee diergeneesmiddelen zonder tussenkomst van een dierenarts aan klanten heeft geleverd. Een van beide geneesmiddelen valt niet onder het zogenaamde UDD-regime, dat verplicht tot toediening van geneesmiddelen aan dieren door een dierenarts. Volgens verdachte is dan ook het zogenaamde UDA-regime niet van toepassing, volgens welk regime diergeneesmiddelen niet aan een klant geleverd mogen worden zonder tussenkomst van een dierenarts. De rechter is van oordeel dat het UDA-regime onverkort geldt en veroordeelt voor in totaal 25 overtredingen tot € 16.250 aan boetes waarvan de helft voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Diergeneesmiddelenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/035216-04. STRAFVONNIS

(Schriftelijk vonnis economische politierechter)

Uitspraak: 24 maart 2005

De economische politierechter in de Rechtbank te Almelo, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte] B V,

gevestigd te [plaats], [adres],

terechtstaande ter terechtzitting terzake dat:

1.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 augustus 2003, te Vroomshoop in de gemeente Twenterand, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (een) diergeneesmiddel(en), als bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet, te weten het middel "Clik Pour-On" (met het registratienummer NL 9938) heeft afgeleverd aan [klant 1] te Bleskensgraaf en/of [klant 2] te Polsbroek en/of aan [klant 3] te Ouderkerk a/d/ IJssel en/of aan klant 4] te Rijkevoort en/of aan [klant 5] te Heeswijk-Dinther;

èn

2.

verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 15 juni 2004, te Vroomshoop in de gemeente Twenterand, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (een) diergeneesmiddel(en), als bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet, te weten het middel "Topro Calcimag Inj.", zijnde/althans een calcium magnesium infuus, (met het registratienummer NL 9518) heeft afgeleverd aan [klant 6] te Den Ham en/of aan [klant 7] te Handel en/of aan [klant 8] te Voorst en/of aan [klant 9] te IJhorst;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte in het midden gebracht;

De economische politierechter leest het in het onder sub 1 vermelde woord: [klant 3] als: [klant 3].

Hier is een kennelijke schrijffout/typfout in de tenlastelegging ontstaan. De verbetering daarvan heeft verdachte niet in zijn verdediging geschaad.

Namens verdachte is ter terechtzitting betoogd dat het middel “Topro Calcimag Inj.” een zogenaamd “vrij” diergeneesmiddel is en dat verdachte dit middel dus zonder tussenkomst van een dierenarts aan veehouders mag leveren.

Namens verdachte is hiertoe aangevoerd dat de wetgever, in verband met het spoedeisend karakter bij constatering van melkziekte bij een rund, een bijzondere uitzondering heeft gemaakt.

De economische politierechter verwerpt dit verweer.

Artikel 30 van de Diergeneesmiddelenwet bevat een algemeen verbod op aflevering van diergeneesmiddelen die krachtens artikel 29 van die wet door de Minister zijn aangewezen.

Voor zover in casu van belang worden, als uitzondering op voornoemd verbod, in artikel 30 lid 3 van de wet leveranties toegestaan door een dierenarts dan wel door een apotheker op recept van een dierenarts aan de houder van de dieren waarvoor de diergeneesmiddelen zijn bestemd, dan wel de in het recept vermelde houder van dieren. (Blijkens de toelichting bij inwerkingtreding van deze regelgeving wordt deze kanalisatieregeling aangeduid als het zogenaamde “UDA-regime”.)

Op deze uitzondering worden in artikel 30 lid 4 van de wet weer uitzonderingen gemaakt ten aanzien van door de Minister aangewezen diergeneesmiddelen die bij toepassing door anderen dan dierenartsen gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van mens of dier dan wel schade voor het milieu. (Blijkens de toelichting bij inwerkingtreding van deze regelgeving wordt deze strengere kanalisatieregeling aangeduid als het zogenaamde “UDD-regime”; dit regime kanaliseert diergeneesmiddelen die alleen door de dierenarts mogen worden toegediend. )

In artikel 2 van de Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en gemedicineerde voeders worden als diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 29 van de wet door de Minister (onder andere) aangewezen:

(lid 1 onder e) “diergeneesmiddelen die kunnen worden toegediend door middel van een injectie of implantatie, tenzij uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening is toegestaan”

Vervolgens worden in artikel 3 lid 1 van vorenbedoelde regeling als diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 30 lid 4 van de wet eveneens (onder andere) aangewezen:

(lid 1onder c) “diergeneesmiddelen die kunnen worden toegediend door middel van een injectie of implantatie, tenzij uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening is toegestaan”

In artikel 3 lid 2 van vorenbedoelde regeling wordt op laatstgenoemde aanwijzing een uitzondering gemaakt in die zin dat deze aanwijzing niet van toepassing is op diergeneesmiddelen genoemd in de bijlage IV bij de regeling.

In bijlage IV wordt voor zover van belang gesteld:

“Diergeneesmiddelen, waarop het UDD-regime niet van toepassing is [.....]

3. Overige

a. vloeistof voor intraveneuze toediening uitsluitend bestemd voor het rund, welke vloeistof als werkzame bestanddelen uitsluitend calcium en magnesium bevat in een hoeveelheid van ten hoogste 500 ml”.

Het onderhavige middel "Topro Calcimag Inj." is blijkens de registratiebeschikking van de Minister dd. 16 juni 1998 waarbij aan het middel het nummer NL 9518 is toegekend een intraveneus toe te dienen injectievloeistof.

Gezien het vorenstaande valt dit middel zowel onder de aanwijzing krachtens artikel 29 van de wet (UDA-regime) als onder de aanwijzing krachtens artikel 30 lid 4 van de wet (UDD-regime)

Indien het middel, gelet op de werkzame bestanddelen en hoeveelheid onder de uitzondering genoemd in de bijlage IV mocht vallen, kan dit, gelet op de hiervoor weergegeven wettekst en het systeem van de wet, niet meer betekenen dan dat het zogenaamde UDD-regime niet van toepassing is en dat de krachtens artikel 29 van de wet in artikel 2 van de Kanalisatieregeling door de Minister gegeven aanwijzing onverkort zijn gelding behoudt.

Het namens verdachte gevoerde betoog dat het de bedoeling is geweest het onderhavige middel ook van het zogenaamde UDA-regime uit te zonderen blijkt geenszins uit de wettekst of het systeem van de wet.

Ook de kamerstukken en toelichtingen op wet en regelgeving geven geen blijk van een bedoeling van de wetgever die strookt met hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht. Blijkens de kamerstukken is bij de totstandkoming de onderhavige wettelijke regeling, bij het neerleggen van het criterium aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een diergeneesmiddel onder de kanalisatieregime moet worden gebracht, dan wel buiten de dierenarts om aan de houder van dieren mag worden afgeleverd, gekozen voor een aantal uitgangspunten, waarbij al vanaf het prille begin is aangegeven dat het daarbij moet gaan om diergeneesmiddelen waarvoor het stellen van een diagnose van belang is en/of waarbij therapeutische keuzes nodig zijn voor correcte toepassing en dat in elk geval alle diergeneesmiddelen die anders dan via de huid of via natuurlijke lichaamsopeningen worden toegediend in beginsel onder de kanalisatieregeling moeten vallen.

Mede naar aanleiding van commentaren van diverse belangenorganisaties waaronder zowel organisaties zowel op het gebied van Diergeneeskunde als op het gebied van de producenten van diergeneesmiddelen heeft een en ander uiteindelijk geresulteerd in het gedetailleerd wettelijk systeem van verboden en uitzonderingen, zoals hiervoor weergegeven, waarin niet anders kan worden gelezen dan dat diergeneesmiddelen bedoeld voor intraveneuze toediening expliciet onder zowel het UDA als het UDD regime zijn gebracht en waarbij de uitzondering, waarop verdachte doelt, uitsluitend betrekking heeft op het UDD regime.

Aldus kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het UDA-regime onverlet van toepassing is.

Dat de wetgever bij de invoering van de uitzondering in de bijlage IV een ander doel voor ogen heeft gestaan dan in de wettekst tot uitdrukking is gebracht dan wel in de loop der tijd het systeem der wet op een andere wijze is gaan uitleggen dan hiervoor is weergegeven is geenszins gebleken.

Illustratief in dit verband is de discussie die onlangs is gevoerd, blijkens de toelichting bij de wijzigingsregeling van 4 juli 2003 (Stcrt. 2003 127), welke regeling strekt tot introductie van een voorziening waarbij het varkenshouders wordt toegestaan om onder voorwaarden entstoffen die zijn bestemd ter voorkoming van bedrijfsgebonden dierziekten zelf bij hun varkens toe te passen. In deze toelichting wordt door de Minister onder andere het volgende opgemerkt:

“In het nieuwe artikel 3, derde lid, van de Kanalisatieregeling en de nieuwe bijlage V bij deze regeling zijn de voorwaarden opgenomen waaraan moet zijn voldaan. Is daaraan voldaan, dan is op de desbetreffende entstoffen het UDD-regime niet van toepassing. In dat geval mogen een apotheker op recept van de dierenarts [...] en die dierenarts zelf de middelen afleveren aan de houder van de dieren, en mag de houder zelf de middelen toepassen bij de varkens, voorzover de dierenarts dit noodzakelijk acht. Op deze entstoffen is dan nog wel het zogenoemde UDA-regime van toepassing, aangezien deze entstoffen nog wel als zodanig zijn aangewezen op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Kanalisatieregeling.

[....] Wordt niet aan die voorwaarden voldaan dan handelt de dierenarts die de entstoffen aflevert in strijd met artikel 30, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet. De varkenshouder handelt in dat geval in strijd met artikel 7, eerste en tweede lid, onder d, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990”.

Blijkens de wettekst van het hiervoor als laatste door de Minister genoemd artikel, is onder andere het toepassen bij dieren van gekanaliseerde geneesmiddelen door anderen dan dierenartsen verboden, met dien verstande dat het toepassen van diergeneesmiddelen welke enkel onder het UDA-regime vallen door de houder van dieren is toegestaan, echter alleen voor zover en zolang de dierenarts die de dieren behandelt, dit noodzakelijk acht.

Aldus blijkt ook uit het wettelijke stelsel in samenhang met de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, dat het de bedoeling van de wetgever is dat de rol van de dierenarts, ook als het de houder is toegestaan de middelen zelf toe te dienen, geenszins is uitgespeeld.

Het is binnen het UDA-regime de dierenarts die bepaalt of en zo ja hoe lang het geneesmiddel onder zijn aanwijzingen wordt toegepast.

Dat dit bij het diergeneesmiddel “Topro Calcimag Inj.”, waar het in de onderhavige strafzaak om gaat, dan wel het middel "Amoscal" waarvan dit middel zou zijn afgeleid, anders is, in die zin dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor het geheel achterwege laten van een door een dierenarts te stellen diagnose en/of door deze te maken therapeutische keuzes en/of het als deskundige aanwijzingen te geven met betrekking tot de wijze en mate en duur van de toediening, is geenszins gebleken.

Het is verdachte dan ook niet toegestaan het middel reeds op voorhand rechtstreeks, buiten de dierenarts om, aan veehouders te leveren.

Indien en voor zover verdachte mocht menen dat bij de constatering van melkziekte bij rundvee een zodanig acuut ingrijpen vereist is dat de leverantie van het middel via de dierenarts onmogelijk afgewacht zou kunnen worden ligt het op haar weg via de branchebelangenorganisaties een wijziging van de wettelijke regeling te bewerkstelligen.

De economische politierechter is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen [bij eventueel appel uit te werken], waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

verdachte in de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 augustus 2003, in Nederland, meermalen diergeneesmiddelen, als bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet, te weten het middel "Clik Pour-On" (met het registratienummer NL 9938) heeft afgeleverd aan [klant 1] te Bleskensgraaf en [klant 2] te Polsbroek en aan [klant 3] te Ouderkerk a/d IJssel en aan [klant 4] te Rijkevoort en aan [klant 5] te Heeswijk-Dinther.

èn

2.

verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot en met 15 juni 2004, in Nederland, meermalen, een diergeneesmiddel, als bedoeld in artikel 29 van de Diergeneesmiddelenwet, te weten het middel "Topro Calcimag Inj.", zijnde een calcium magnesium infuus, (met het registratienummer NL 9518) heeft afgeleverd aan [klant 6] te Den Ham en aan [klant 7] te Handel en aan [klant 8] te Voorst en aan [klant 9] te IJhorst.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop die inhoud bijzonderlijk betrekking heeft.

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezene levert op:

voor wat betreft sub 1 en sub 2, de overtreding en het economisch delict:

"Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 30 eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet",

strafbaar gesteld bij art. 6 Wet economische delicten, vijfentwintig (25) keer gepleegd.

De verdachte is deswege strafbaar aangezien van geen zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid is gebleken.

De economische politierechter overweegt voor wat de straf betreft, dat op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de rechtspersoon van verdachte, haar (financiële) draagkracht zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft gekanaliseerde diergeneesmiddelen geleverd aan handelsondernemingen en veehouders waarbij het bedrijf risico’s neemt door wettelijke regelingen naast zich neer te leggen. De onderhavige middelen zijn op basis van wetgeving en regelgeving als gekanaliseerde middelen aangemerkt en verdachte heeft, ook als zij zelf andere opvattingen heeft omtrent het mogelijk gevaar van haar handelen, de keuzes van de wetgever te accepteren. Hieraan is het bedrijf van verdachte geheel voorbijgegaan en de economische politierechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat een en ander uit puur winstoogmerk is geschied.

Ten aanzien van feit 1 heeft verdachte zulks ter zitting toegegeven, in die zin dat zij onder druk van de fabrikant tot haar laakbaar handelen is overgaan. Ten aanzien van dit feit heeft zij aangegeven zich in de toekomst daarvan te onthouden.

Ten aanzien van feit 2 moet worden vermoed dat verdachte, gelet op onder andere de schriftelijke mededelingen van de zijde van het ministerie wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het hier om gekanaliseerde geneesmiddelen ging. Desalniettemin heeft verdachte ter zitting aangegeven te persisteren bij haar wetsuitleg en ook in de toekomst door te willen gaan met de door haar voorgestane handelswijze. Met name dit laatste is een erg zorgelijke ontwikkeling en in dit licht is de eis van de officier van justitie tot gedeeltelijk voorwaardelijke geldboetes een alleszins redelijke. Verdachte dient door onvoorwaardelijke geldboetes te worden ingeprent dat haar handelswijze niet wordt geaccepteerd. Voorts zal zij zich moeten realiseren dat zij in een proeftijd loopt en dat bij hernieuwde overtredingen de voorwaardelijke opgelegde geldboetes ten uitvoer worden gelegd, naast de straffen voor de nieuwe overtredingen, die doorgaans, indien sprake is van recidive, steeds hoger zullen worden.

De na te noemen straffen zijn, behalve op voormelde artikelen, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 62 en 91 Wetboek van Strafrecht, art. 1 en 2 Wet economische delicten.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart bewezen, dat de tenlastegelegde feiten sub 1 en sub 2 in voege als boven omschreven door verdachte zijn begaan;

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld;

Verklaart verdachte deswege strafbaar;

Veroordeelt haar terzake feit 1 tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van € 5.850,-. (Negen overtredingen à € 650,-).

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot € 2.925,- (negen overtredingen à

€ 325,-), niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

En terzake feit 2 tot betaling van:

Een geldboete ten bedrage van € 10.400,-. (Zestien overtredingen à € 650,-).

Beveelt dat van de geldboete een gedeelte groot € 5.200,- (zestien overtredingen à

€ 325,-), niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Wentink, economisch politierechter, in tegenwoordigheid van Hindriksen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting, op 24 maart 2005.