Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AT1767

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
22-03-2005
Datum publicatie
22-03-2005
Zaaknummer
69777 / KG ZA 05-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing loonbeslag terzake alimentatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Kort Geding

zaaknummer: 69777 / KG ZA 05-74

datum vonnis: 22 maart 2005 (gww)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

Eiser,

wonende te Sluiskil,

eiser,

verder te noemen de man,

procureur: mr. G.G. Vermeulen,

tegen

Gedaagde,

wonende te Rijssen,

gedaagde,

verder te noemen de vrouw,

procureur: mr. B.E.A. Lamping.

Het procesverloop

De man heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 15 maart 2005. Ter zitting zijn verschenen: de man, vergezeld door mr. De Koeijer en de vrouw vergezeld door mr. Lamping.

De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. In deze zaak staat het navolgende vast.

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee thans minderjarige kinderen geboren. Op 29 april 1998 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze echtscheidingsbeschikking is op 11 mei 1998 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij voornoemde beschikking is eveneens bepaald dat de man een bedrag van f. 264,71 (€ 120,12) per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Bij beschikking van 12 juli 2000 is de hoogte van voornoemde bijdrage gewijzigd in die zin dat de man per 29 maart 2000 een bedrag van f. 140,= (€ 63,53) per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Thans heeft de man wederom een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de onderhoudsbijdragen en verzoekt de man de onderhoudsbijdragen op nihil te stellen.

Op of omstreeks augustus 2003 is de man gestaakt met het voldoen van de onderhoudsbijdragen.

De vrouw heeft vervolgens omstreeks mei 2004 het LBIO ingeschakeld om de onderhoudsbijdragen te doen innen door het LBIO. Het LBIO heeft op 31 januari 2005 bij brief aan de werkgever van de man te kennen gegeven dat zij beslag legt op een gedeelte van het salaris van de man .

2. Bij dagvaarding vordert de man opheffing van het door het LBIO ten laste van de man gelegde beslag, althans schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van deze rechtbank van 12 juli 2000 in afwachting van de bodemprocedure, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3. De man stelt daartoe het navolgende.

Sinds de beschikking van deze rechtbank van 12 juli 2000 is de situatie van de man dusdanig veranderd dat hij thans geen draagkracht meer heeft om de onderhoudsbijdragen voor de minderjarigen te kunnen voldoen. Dit wordt bevestigd door het feit dat de gemeente Rijssen-Holten vanwege te lage draagkracht aan de zijde van de man geen verhaal op hem zoekt en dit ook per brief aan de man te kennen heeft gegeven. De man heeft hiervan de vrouw op de hoogte gebracht. De vrouw heeft hierop echter nimmer commentaar geleverd, ook niet op het moment dat de man vanwege zijn financiele problemen gestopt is met het voldoen van de onderhoudsbijdragen.

De man stelt voorts dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening als gevorderd, nu hij zich door het gelegde beslag steeds dieper in de schulden moet gaan steken. De man is bezig met het aflossen van reeds bestaande schulden. Dit dreigt door het gelegde beslag echter in gevaar te komen. Bovendien heeft de man daarnaast nog een gezin te onderhouden.

4. De vrouw voert verweer tegen hetgeen door de man wordt gevorderd en stelt daartoe het navolgende.

De vrouw is afhankelijk van een bijstandsuitkering, welke haar verstrekt wordt door de gemeente Rijssen-Holten. Indien zij op enig moment geen onderhoudsbijdragen meer ontvangt, mag de vrouw niet definitief afzien van de haar toegekende onderhoudsbijdragen. Op de vrouw rust derhalve de verplichting om de onderhoudsbijdragen te (doen) innen. Dit is de vrouw ook te kennen gegeven door de gemeente Rijssen-Holten.

Voorts betwist de vrouw dat de man haar te kennen heeft gegeven dat hij de onderhoudsbijdragen niet meer zou kunnen voldoen, alsmede dat de vrouw hierin zou hebben berust. Bovendien rust op de man de plicht om tijdig, in geval van onvermogen, een wijzigingsverzoek ten aanzien van de onderhoudsverplichting in te dienen. Dit heeft de man echter pas in een laat stadium gedaan. De financiële problemen zijn dan wellicht niet aan de man te wijten, de gevolgen daarvan echter wel. De vrouw concludeert dan ook tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De man heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening als gevorderd, nu hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te kampen heeft met financiële problemen. Aldus komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering.

Als enerzijds gesteld en anderzijds onbetwist is vast komen te staan dat op de vrouw de verplichting rust om de door de man verschuldigde onderhoudsbijdragen te (doen) innen, ook al verandert hierdoor feitelijk niets in de inkomenssituatie van de vrouw, nu zij een bijstandsuitkering van de gemeente Rijssen-Holten krijgt. De omstandigheid dat de gemeente De man te kennen heeft gegeven dat zij geen verhaal bij hem zal zoeken doet aan het vorenstaande niet af, nu een verhaalsbijdrage los staat van de verplichting tot betaling van onderhoudsbijdragen, zoals deze de man zijn opgelegd door de rechtbank. De vrouw maakt derhalve naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen misbruik van recht door via het LBIO beslag te laten leggen op het salaris van de man .

Voorts is niet aannemelijk geworden dat de vrouw akkoord was met de stopzetting van de betaling van de onderhoudsbijdragen, zodat deze stelling van de man hem niet kan baten.

Bovendien had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van de man gelegen om, op het moment dat hij in financiële problemen kwam te verkeren, spoedig een verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdragen in te dienen. De man heeft deze weg al eerder met succes bewandeld en kan zich derhalve thans niet verschuilen achter de stelling dat hij in de veronderstelling verkeerde dat een nihilstelling via de gemeente kon worden bereikt. Nu de man heeft verzuimd om tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de hieruit voortvloeiende gevolgen, hoe ingrijpend ook voor de man, voor zijn rekening dienen te komen. De vorderingen van de man zullen dan ook worden afgewezen.

6. Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen van de man af.

II. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.H.H.A. Moes, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.