Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS7540

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
24-02-2005
Datum publicatie
24-03-2005
Zaaknummer
04 / 38 AOW AG1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag tot aanmerking duurzaam gescheiden levend voor AOW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 04 / 38 AOW AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. D.J.H. Habers, werkzaam bij Buro voor Rechtshulp te Enschede,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gevestigd te Deventer, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 5 december 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij besluit van 9 oktober 1991 is aan eiser een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW) toegekend ten bedrage van het maximale ouderdomspensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met een partner die al 65 jaar is.

De partner van eiser is op 20 juni 2002 overleden. Bij besluit van 26 juni 2002 heeft verweerder eisers ouderdomspensioen gewijzigd naar een pensioen voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van telefonisch onderhoud van eiser heeft verweerder bij brief van 3 september 2003 aan eiser aangegeven dat hij kan kiezen voor aanpassing van het AOW-pensioen, omdat zijn overleden partner in een verpleeghuis/verzorgingstehuis opgenomen is geweest. Eiser zou dan voor de AOW worden aangemerkt als duurzaam gescheiden leven, deze aanpassing kan voor eiser financieel gunstig zijn. Eiser heeft op 12 september 2003 een aanvraag ingediend en wil vanaf 13 januari 1997 als duurzaam gescheiden levend worden aangemerkt.

Bij besluit van 22 september 2003 heeft verweerder besloten dat er niets verandert aan het AOW-pensioen van eiser, omdat zijn pensioen vanaf juni 2002 al is omgezet naar een AOW-pensioen voor een alleenstaande. Volgens verweerder kan herziening van het AOW-pensioen met een terugwerkende kracht van één jaar en alleen in bijzondere gevallen kan een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar worden toegepast.

Eiser heeft hiertegen op 29 oktober 2003, aangevuld bij schrijven van 24 november 2003, een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 5 december 2003 heeft verweerder besloten het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren.

Blijkens het beroepschrift van 14 januari 2004, aangevuld bij schrijven van 16 februari 2004, kan eiser zich met dit besluit niet verenigen.

Verweerder heeft op 15 maart 2004 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 18 januari 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D.J.H. Habers, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 5 december 2003, waarbij het bezwaarschrift van eiser ongegrond is verklaard, in rechte in stand kan blijven.

In artikel 1, derde lid AOW is bepaald voor de toepassing van deze wet en de tot haar uitvoering genomen besluiten:

a. als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd wordt mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

Artikel 16, lid 2 AOW bepaalt dat het ouderdomspensioen niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de eerste dag van de maand, waarin de aanvraag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) hiervan afwijken.

Op grond van artikel 17, lid 1 AOW wordt het ouderdomspensioen door de SVB ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

Eiser geeft in het aanvullend beroepschrift aan dat hem via informatie van derden bekend was geworden dat hij feitelijk vanaf 13 januari 1997, dan wel vanaf 5 juni 1997 als alleenstaande in de zin van de AOW kon worden beschouwd. Eiser heeft op 21 juli 2003 telefonisch aangegeven dat hij met terugwerkende kracht als duurzaam gescheiden levend wenste te worden aangemerkt. Eiser is van mening dat hem ten onrechte vanaf 13 januari 1997 geen uitkering voor een alleenstaande is toegekend op grond van het feit dat hij vanaf genoemde datum duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote als gevolg van haar opname op 13 januari 1997 in het ziekenhuis, waarna zij op 5 juni 1997 is opgenomen in het verpleeghuis, waar zij op 20 juni 2002 is overleden. Eiser is van mening dat ten onrechte door verweerder is gesteld dat er geen sprake is van een bijzonder geval waarvoor tot 5 jaar terugwerkende kracht kan worden verleend.

Vanaf de datum dat de echtgenote van eiser is opgenomen in het verpleeghuis was verweerder op de hoogte van het feit dat eiser duurzaam gescheiden leefde van zijn vrouw, alleen al vanwege het feit dat de kosten die voor de opname moesten worden betaald rechtstreeks door verweerder zijn overgemaakt aan de daarvoor bestemde instanties. Blijkens het antwoord op kamervragen van de staatssecretaris van Volksgezondheid van 25 maart 2003 zouden betrokkenen om op de hoogte gesteld te worden van de mogelijkheid als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt, van de SVB schriftelijk informatiemateriaal ontvangen, waarna zij door het insturen van een antwoordstrook hun keuze kenbaar kunnen maken. Eiser is van mening dat uit het antwoord van de staatssecretaris niet anders geconcludeerd kan worden dan dat het op de weg van verweerder heeft gelegen om hem over de mogelijkheid als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt, te informeren op het moment dat bij verweerder bekend is dat zich een situatie als de onderhavige voordoet. Van verweerder heeft eiser ten tijde van de opname van zijn vrouw noch in de daaropvolgende periode enig bericht ontvangen teneinde hem van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen. Nu dit door verweerder niet is gedaan heeft –aldus nog steeds eiser- verweerder eiser in onwetendheid gelaten van de mogelijkheid hiertoe en kan eiser niet worden verweten dat hij van de regeling niet op de hoogte was, en is eiser van mening dat er sprake is van verschoonbare onbekendheid met de regeling. Verweerder stelt in het verweerschrift dat een eenzijdige actie van haar kant door sommige gerechtigden niet zal worden gewaardeerd. Dit moge juist zijn, doch betreft naar zeggen van eiser niet het punt waar het hier om gaat. Of eiser als duurzaam gescheiden wil worden aangemerkt was een beslissing die hij zelf diende te nemen. In casu gaat het er echter om dat verweerder nalatig is gebleven eiser over de mogelijkheid te informeren. Daar de toepassing van de terugwerkende kracht tot zekere hoogte als discretionaire bevoegdheid kan worden gezien is eiser van mening dat gezien het bovenstaande deze in casu had moeten worden toegepast. Eiser verzoekt om alsnog toekenning met 5 jaar terugwerkende kracht, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat eiser reeds op 21 juli 2003 telefonisch heeft aangegeven dat hij met terugwerkende kracht wilde worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend.

Blijkens het verweerschrift hanteert verweerder bij de vraag of sprake is van duurzaam gescheiden leven de volgende beleidsregels (Beleidsregels SVB 2003, deel 1 § 1.2.1).

Volgens vaste jurisprudentie is er sprake van duurzaam gescheiden leven in de situatie waarin:

- de echtelijke samenleving is geëindigd door de wil van één of beide echtgenoten; én

- ieder afzonderlijk een eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd; én

- deze toestand door één of beide echtgenoten als bestendig is bedoeld.

De wil van (één van) de echtgenoten noch de feitelijke toestand is naar zeggen van verweerder op zichzelf doorslaggevend. De samenleving wordt pas verbroken geacht als de wil daartoe zich uitdrukkelijk manifesteert of als zich een bestendige toestand van verbroken samenleving voordoet.

Gehuwden worden volgens het beleid van de SVB als duurzaam gescheiden levend aangemerkt indien:

- er sprake is van een door (één van) de echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie, waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden alsof er geen huwelijk was of

- er sprake is van een door de echtgenoten ongewilde situatie waarbij de samenleving onmogelijk is en feitelijk (naar gangbare objectieve maatstaven beoordeeld) permanent is verbroken.

Indien beide betrokkenen in de laatstbedoelde situatie evenwel aangeven bij voortduring als gehuwd te willen worden aangemerkt, wordt deze wens gerespecteerd, waarbij niet van belang is of betrokkenen zich nog als echtgenoten gedragen en presenteren. Indien één van de echtgenoten voor langere tijd ter verpleging is opgenomen in een verpleeghuis, maar deze situatie niet op voorhand als onomkeerbaar is aan te merken, zal bij de beoordeling of er sprake is van een duurzaam gescheiden leven ook acht worden geslagen op andere factoren, die er op duiden dat niet de wil bestaat tot verbreking van de echtelijke samenleving, zoals regelmatig contact en gemeenschappelijke financiën.

Als de wijziging van de omstandigheden die leidt tot een verhoging van het AOW-pensioen, meer dan een jaar na de maand waarin deze heeft plaatsgevonden aan de SVB wordt gemeld, wordt het pensioen –behoudens in bijzondere gevallen waarin sprake is van onevenredige hardheid- met een terugwerkende kracht van één jaar herzien. (Beleidsregels SVB 2003, deel 1, § 5.3.1). Of er sprake is van een bijzonder geval wordt beoordeeld aan de hand van de criteria, vermeld in § 5.2.1.1 van de Beleidsregels.

Volgens deze beleidsregels is er sprake van een bijzonder geval indien:

- de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen;

- de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen én deze onbekendheid verschoonbaar was.

Eiser heeft op 21 juli 2003 telefonisch gevraagd om met terugwerkende kracht als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt, omdat zijn echtgenote vijf jaar in een verzorgingstehuis heeft gewoond. Bij brief van 3 september 2003 is aan eiser een informatieblad toegezonden en een aanvraagformulier. Op 12 september 2003 is het aanvraagformulier ontvangen. Eiser heeft hierop aangegeven dat hij vanaf 13 januari 1997 als duurzaam gescheiden levend wil worden aangemerkt. Op die datum is zijn echtgenote opgenomen in het ziekenhuis, waarna op 5 juni 1997 opname in het verpleeghuis volgde. Op 22 september 2003 is op de aanvraag beslist. Het verzoek om herziening is niet gehonoreerd omdat het AOW-pensioen al ingaande de maand juni 2002 is herzien naar het AOW-pensioen voor een alleenstaande en alleen in bijzondere gevallen met een langere terugwerkende kracht dan één jaar kan worden herzien.

Eiser heeft noch van de opname van zijn echtgenote in het ziekenhuis in januari 1997 noch van de opname in het verzorgingstehuis melding gedaan bij verweerder. Blijkens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is er in gevallen waarin sprake is van opname in een verpleeghuis niet altijd sprake van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Het moet immers gaan om een situatie waarin de opname kennelijk definitief is, of er sprake is van een situatie waarin de samenleving onmogelijk is en permanent is verbroken. Ook indien sprake is van opname in een verpleeghuis, is pas sprake van duurzaam gescheiden leven indien de wil om de samenleving te verbreken duidelijk en onmiskenbaar naar buiten blijkt (zie CRvB 21 november 1990, RSV 1991/261).

Het enkele feit dat op verzoek van het Zorgkantoor de eigen bijdrage AWBZ op het AOW-pensioen van de echtgenote is ingehouden, betekent niet dat er daarom sprake is van duurzaam gescheiden leven.

Verweerder achtte het niet gepast om, ongevraagd, naar aanleiding van een enkel verzoek om inhouding van de eigen bijdrage AWBZ, pensioengerechtigden te benaderen met de vraag of er sprake is van duurzaam gescheiden leven. Anders dan eiser stelt is er geen sprake van dat de SVB de aan de opname verbonden kosten betaalt, zij houdt enkel de eigen bijdrage AWBZ in.

Een wijziging in de omstandigheden die –mogelijk- van invloed is op de hoogte van het ouderdomspensioen, moet ingevolge artikel 49 AOW door de pensioengerechtigde worden gemeld. Als de betrokkene van oordeel is dat er sprake is van duurzaam gescheiden leven, zal hij dit dus zelf moeten melden aan de SVB. In de door de SVB periodiek verstrekte informatie worden betrokkenen er ook op gewezen om wijzigingen, zoals gescheiden gaan leven, binnen vier weken te melden. In het informatieblad wordt bij de AOW-bijdragen ook aangegeven dat onder alleenstaande ook de duurzaam gescheiden levende wordt bedoeld. Er is in algemene zin dus wel informatie aan eiser verstrekt. Sinds begin 2002 verzendt de SVB, bij een kennelijk definitieve opname in een verpleeghuis, een informatieblad met een vragenformulier. Aan eiser is dit informatieblad naar zeggen van verweerder ook toegezonden, na zijn verzoek om als duurzaam gescheiden levend te willen worden aangemerkt. Eiser heeft eerst meer dan een jaar nadat zijn AOW-pensioen was herzien naar het pensioen van een alleenstaande verzocht om als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt. Het AOW-pensioen kan alleen met een langere terugwerkende kracht dan één jaar worden herzien, als er sprake is van een bijzonder geval. Volgens vaste jurisprudentie is er bij enkele onbekendheid met wettelijke bepalingen geen sprake van een bijzonder geval. Dit is ook zo als er sprake is van onvoldoende activiteit of onvoldoende oplettendheid. De SVB heeft –algemene- informatie verschaft. Eiser is gewezen op zijn mededelingsplicht, waarbij is aangegeven dat hij moet melden als er sprake is van het gescheiden gaan leven. Eiser heeft de opname van zijn echtgenote niet gemeld en ook niet gevraagd of er in zijn geval sprake is van duurzaam gescheiden leven. Ook nadat in het informatieblad “uw AOW/Anw” in januari 2003 expliciet aandacht is geschonken aan de gevolgen van een opname in een verpleeghuis, heeft eiser geen contact opgenomen met de SVB, Verweerder is op basis hiervan van oordeel dat terecht is besloten dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, lid 2 AOW.

De rechtbank overweegt het volgende.

Na te hebben gewezen op de mededelingsplicht van de pensioengerechtigde en zijn partner, wordt door verweerder niet spontaan onderzocht of er sprake is van duurzaam gescheiden leven. Een signaal afkomstig van de gerechtigde of zijn echtgenote dat erop zou kunnen wijzen dat deze situatie is ingetreden, kan voor de SVB echter aanleiding zijn een nader onderzoek in te stellen. Blijkt inderdaad van duurzaam gescheiden leven te kunnen worden gesproken, dan wordt een (voor beroep vatbare) herzieningsbeslissing genomen omtrent de hoogte en de ingangsdatum van het (herziene) pensioen.

De hierboven weergegeven handelwijze wordt ook gevolgd als sprake is van duurzaam gescheiden leven ten gevolge van het feit dat één van beide echtgenoten voor langdurige verpleging in een daartoe bestemde inrichting is opgenomen. Ook in deze gevallen gaat het initiatief niet uit van de SVB. In het kader van “de algemene beginselen van behoorlijke gevalsbehandeling” wordt hierbij tevens rekening gehouden met de gecompliceerdheid en de gevoeligheid van juist dergelijke gevallen.

De rechtbank is van oordeel dat het (duurzaam) opnemen in een verpleeginrichting niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat men als duurzaam gescheiden levend wil worden aangemerkt. Bij de uitvoering van de AOW heeft verweerder besloten dat, gezien de gecompliceerdheid en de emotionele geladenheid, in deze situaties voorkomen moet worden dat de echtgenoten ongewild het stempel “duurzaam gescheiden levend” opgedrukt krijgen. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser zelf een verzoek had moeten indienen om als duurzaam gescheiden levend te worden aangemerkt. Eiser heeft de opname van zijn echtgenote niet gemeld en heeft ook niet gevraagd of er in zijn geval sprake is van duurzaam gescheiden leven.

Eiser is gewezen op de mededelingsplicht, waarbij is aangegeven dat hij moet melden als er sprake is van het gescheiden gaan leven.

Een verhoging van het pensioen als gevolg van gewijzigde omstandigheden gaat in op de eerste van de maand waarin de omstandigheden zijn gewijzigd, met dien verstande, dat in het algemeen niet verder kan worden teruggegaan dan een jaar vóór de maand van aanvraag of ambtshalve toekenning. Verdere terugwerkende kracht dan een jaar wordt aan de herziening van het pensioen verleend indien het achterwege laten daarvan leidt tot hardheid in financiële zin. Er is hardheid aanwezig als de pensioengerechtigde door het niet verzoeken om hoger pensioen financiële schade heeft geleden. Van financiële schade is sprake als het totale netto-inkomen van de pensioengerechtigde door het tekort aan AOW-pensioen is gezakt onder de voor hem geldende minimumnorm. De minimumnorm is het voor hem toepasselijke volledige netto AOW-bedrag, waarbij geen rekening wordt gehouden met een rechtmatige korting. De financiële schade wordt berekend over de periode die ligt tussen de datum van de aanspraakmakende gebeurtenis en de datum die één jaar voor de datum van de verzoekaanvraag ligt, de zogenaamde referteperiode.

De rechtbank acht het door verweerder gevoerde beleid niet in strijd met enige rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval.

Blijkens jurisprudentie kan onbekendheid met de wet, waar eiser zich op beroept, niet leiden tot het aannemen van een bijzonder geval.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van H.B. Slot-Akkerman als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2005

Afschrift verzonden op

AB