Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS7299

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
63195 ha za 04-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst Dexia nietig in verband met strijd met Wet op het Consumentenkrediet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

zaaknummer: 63195 ha za 04-288

datum uitspraak vonnis: 16 februari 2005

Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de naamloze vennootschap

DEXIA Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder te noemen Dexia,

procureur: mr. J. Vestering,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

tegen

A. gedaagde,

wonende te Tubbergen,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

verder te noemen Gedaagde,

procureur: mr. A.J. Spoor,

advocaat: mrs. H.J. Tulp en F. Klemann te Zwolle.

Het procesverloop

Dexia heeft gevorderd conform de inleidende dagvaarding en heeft te eerstdienende dage een akte overlegging producties genomen.

Gedaagde heeft een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie tevens houdende (niet incidenteel) verzoek tot verwijzing genomen. Vervolgens heeft Dexia een conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing, waarin Dexia primair constateert dat Gedaagde geen verwijzing verzocht heeft, doch zich refereert aan enig oordeel van de rechtbank.

Vervolgens is geen incidenteel vonnis gevraagd, maar verder geprocedeerd door Dexia met het nemen van een conclusie van repliek in conventie tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende akte voorwaardelijke wijziging van eis in conventie.

Gedaagde heeft een conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens akte wijziging eis genomen en Dexia een conclusie van dupliek in reconventie.

Na een akte uitlating producties zijdens Gedaagde hebben partijen vonnis verzocht.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

In conventie

1. De vordering

1.1 Dexia –als rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V.- baseert haar vordering op een zogenaamde aandelenlease-overeenkomst genaamd Winst VerDriedubbelaar d.d. 25 mei 2000 onder contractnummer xx (productie 1, 2 en 3).

1.2 Het totaal van het aankoopbedrag van de in de overeenkomst betrokken aandelen bedraagt € 11.874,84, het totaal van de te betalen rente tijdens de looptijd van 36 maanden van deze overeenkomst bedraagt € 2.491,56, derhalve de totaal overeengekomen (lease-)som een bedrag van € 14.366,40.

1.3 Door het verstrijken van de overeengekomen looptijd is de overeenkomst geëindigd.

In verband hiermee heeft Dexia aan Gedaagde een eindafrekening gezonden voor het totaalbedrag van € 7.105,17, welk bedrag Dexia stelt opeisbaar te vorderen te hebben van Gedaagde (productie 4).

Verhoogd met de contractuele rente ad 0,96% per maand vanaf 26 mei 2003 tot en met 10 september 2003, buitengerechtelijke incassokosten en b.t.w. daarover bedraagt het door Dexia bij dagvaarding gevorderde een bedrag van € 8.102,69 vermeerderd met de contractuele althans de wettelijke rente en proceskosten veroordeling.

2. Het verweer

2.1 Kort samengevat stelt Gedaagde tot zijn verweer:

a. De overeenkomst is vernietigd wegens dwaling.

b. Dexia heeft de op haar rustende zorgplicht op diverse punten en bij diverse gelegenheden verzaakt. Dat levert toerekenbaar tekortschieten door Dexia op en maakt dat het contract tussen partijen ontbonden dient te worden. Tegelijkertijd heeft Dexia een onrechtmatige daad jegens Gedaagde gepleegd.

c. Dexia heeft mogelijk de best-execution regel overtreden. Zij dient te bewijzen dat zulks niet het geval is geweest. Bij schending dient daardoor door Gedaagde geleden schade verrekend te worden met een eventueel aan Dexia toe te wijzen bedrag.

d. Dexia heeft onregelmatigheden begaan met AHOLD-claims (geen aandelen verworven, maar slechts opties daarop) hetgeen het plegen van wanprestatie althans een onrechtmatige daad tegenover Gedaagde inhoudt.

e. In de inleidende dagvaarding heeft Dexia op meerdere punten de regels van artikel 21 en 111 Rechtsvordering geschonden.

f. Indien de vorderingen van Dexia geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, dient de daarbij gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad onthouden te worden.

g. De vorderingen van Dexia moeten leiden tot niet ontvankelijkverklaring of afwijzing op grond van de hiervoor samengevatte verweren.

In reconventie

3. De vordering

3.3 Gedaagde vordert – na wijziging van eis- op grond van zijn in conventie tegen de vordering van Dexia gevoerde verweren in reconventie:

a. De overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling.

b. De overeenkomst te ontbinden op grond van wanprestatie.

c. Te verklaren voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Gedaagde en gehouden is zijn schade te vergoeden.

d. Dexia te gelasten schriftelijk nader te motiveren (i) dat zij de aandelen die zij op grond van de overeenkomst moest kopen, daadwerkelijk heeft gekocht alsmede (ii) de aan- en verkoopkoersen bekend te maken, één en ander onder overlegging van justificatoire bescheiden.

e. Dexia te veroordelen tot betaling van de door Gedaagde aan haar betaalde bedragen ad in totaal € 2.491,56 met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de conclusie van eis in reconventie.

f. Dexia te gebieden binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis de inschrijving en achterstandscodering ten laste van Gedaagde bij het BKR te doen doorhalen, door het BKR te verzoeken deze inschrijving door te halen als ten onrechte te zijn geschied, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag dat Dexia daarmede in gebreke blijft.

subsidiair

Dexia te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet terzake van onjuiste afrekenkoersen.

voorwaardelijk

namelijk indien de rechtbank wel het beroep op dwaling door Gedaagde in reconventie gevorderde vernietiging c.q. nietigverklaring de tussen partijen gesloten overeenkomst te wijzigen op voet van artikel 6:230 lid 2 BW in dier voege dat het nadeel dat Gedaagde door zijn dwaling geleden (de door hem betaalde € 2.491,56 enerzijds en de ontstane schuld voor Dexia anderzijds) wordt opgeheven.

voorts

vordert Gedaagde dat Dexia in alle gevallen in de proceskosten wordt veroordeeld.

4. Het verweer

4.1 Dexia betwist het door Gedaagde gestelde en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring althans ontzegging van diens vordering.

De beoordeling in conventie en reconventie

5. Wet op het consumentenkrediet (WCK)

5.1 In de Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever een of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1WCK).

5.2 De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia Gedaagde een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover Gedaagde periodiek rente diende te betalen en welk bedrag Gedaagde aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie.

5.3 In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

5.4 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van Gedaagde, reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan Gedaagde kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige.

5.5 De hiertegenover staande opvatting, die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

5.6 Uit het gepubliceerde vonnis d.d. 2 februari 2005 van deze rechtbank inzake Dexia (LJN AS 4746) is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK beschikte.

5.7 Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK (kamerstukken II 1986-1987,

19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden.

5.8 Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

5.9 Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

6.1 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

6.2 Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan Gedaagde en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van Gedaagde, waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van Gedaagde komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van Gedaagde, nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient Dexia de door Gedaagde betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen.

6.3 In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom. Gelet hierop, in het licht van art. 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van het saldo dat bestaat uit de restschuld ad € 7.105,17 verminderd met de door Gedaagde betaalde rentetermijnen ad € 2.491,56, dienen te dragen. Dit betekent dat de in conventie gevorderde hoofdsom tot een bedrag ad € 1.061,29, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf het per 11 september 2003 ingetreden verzuim, zal worden toegewezen. Aan de reconventionele vordering wordt dan niet meer toegekomen.

6.4 De overig gevoerde verweren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst geen bespreking.

6.5 Nu beide partijen in conventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld en aan de reconventie niet wordt toegekomen, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie

I. Veroordeelt Gedaagde om aan Dexia tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.061,29 (éénduizendéénenzestig EURO 29/100) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 september 2003 tot aan de dag der voldoening.

II. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

III. Wijst af het meer of anders door Dexia gevorderde.

In reconventie

IV. Wijst af de vorderingen van Gedaagde.

In conventie en reconventie

V. Compenseert de proceskosten, des dat iedere partij de hare drage.

Aldus gewezen te Almelo door mr. Van der Veer en aldaar op 16 februari 2005 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.