Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS6055

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
24-03-2005
Zaaknummer
04 / 33 WAO AW1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de WAO uitkering met ingang van 19 april 2003 ingetrokken, aangezien eiseres ingaande deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 04 / 33 WAO AW1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

Gemachtigde: G. Grote Beverborg, werkzaam bij Arcon belangenbehartigers,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 12 januari 2004.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres was werkzaam als medewerkster [functie]. Nadat zij zich met ingang van 1 september 1999 ziek had gemeld wegens vermoeidheid, spier- en gewrichtspijnen werd zij per 5 september 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt beschouwd in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Op 29 januari 2001 valt eiseres opnieuw uit vanwege psychische klachten en depressiviteit. Omdat zij per einde wachttijd chronisch bedlegerig was vanwege zwangerschapsklachten is aan eiseres met ingang van 28 januari 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder deze uitkering met ingang van 19 april 2003 ingetrokken, aangezien eiseres ingaande deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Tegen dit besluit heeft eiseres op 26 maart 2003 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich blijkens het beroepschrift, gedateerd 18 februari 2004, niet met dit besluit verenigen.

Verweerder heeft op 26 maart 2004 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 10 januari 2005, waar eiseres is verschenen alsmede haar gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer Liesting.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de intrekking van de door eiseres ontvangen uitkering ingevolge de WAO met ingang van 19 april 2003 ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Wat moet worden verstaan onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, is nader omschreven in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Gelet op de wettekst moet de mate van arbeidsongeschiktheid niet alleen op medische, maar ook op arbeidskundige gronden worden bepaald. Bekeken moet worden welke verdiensten de betrokkene thans zou hebben gehad als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, en welke verdiensten hij nog in staat is te verwerven als rekening wordt gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Het verschil tussen beide wordt aangemerkt als het verlies aan verdiencapaciteit. Uitgedrukt in een percentage is dit de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Om te beoordelen of verweerders besluit op goede gronden berust, dient te worden bezien of de medische mogelijkheden en beperkingen juist zijn vastgesteld en of er voor eiseres nog arbeid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO is aan te wijzen, die zij met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen kan verrichten.

In het onderhavige geval heeft B.B.J. Hilhorst, verzekeringsarts, op 14 januari 2003 rapport uitgebracht en is daarin tot de conclusie gekomen dat er op grond van psychische klachten wel enige beperkingen voor psychomentale belastende factoren zijn alsmede voor fysieke zware arbeid vanwege de eerder gestelde diagnose fibromyalgie. De combinatie van zorg voor een gezin en daarnaast werken acht de verzekeringsarts waarschijnlijk (te) belastend voor haar, maar schrijft dit toe aan een psychosociale oorzaak en niet als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek.

Op basis van deze conclusie is een belastbaarheidspatroon opgesteld. Daarnaast is nog aanvullende informatie opgevraagd bij Mediant geestelijke gezondheidszorg.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.D. Aalderen bekeken of er voldoende functies te duiden waren die eiseres ondanks haar beperkingen nog zou kunnen vervullen. Blijkens de rapportage van 13 februari 2003 is de arbeidsdeskundige van mening dat dergelijke arbeid inderdaad nog aanwijsbaar is en dat eiseres hiermee in elk geval evenveel zou kunnen verdienen van het te dezen in aanmerking te nemen loon van een geheel valide medewerkster [functie].

Gelet op bovenstaande medische en arbeidskundige bevindingen heeft verweerder bij besluit van 28 februari 2003 besloten de uitkering van eiseres met ingang van 19 april 2003 in te trekken.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker. In zijn rapport van 5 januari 2004 komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat psychosociale belastende factoren slechts tot arbeidsongeschiktheid mag leiden als sprake is van ernstige psychopathologie. Dit laatste acht de bezwaarverzekeringsarts niet aan de orde.

Daarnaast kan de diagnose fibromyalgie niet leiden tot beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst. Overigens heeft de verzekeringsarts in eerste instantie wel beperkingen op sociaal en persoonlijk functioneren aanwezig geacht. Met de aangegeven beperkingen en mogelijkheden kan de bezwaarverzekeringsarts zich verenigen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van het advies van de bezwaarverzekeringsarts besloten het bezwaarschrift van eiseres ongegrond te verklaren.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de geduide functies niet door haar kunnen worden uitgevoerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage niet in overeenstemming is met de handicap die zij dagelijks ervaart.

De rechtbank overweegt dienaangaande in de eerste plaats dat bij de vaststelling van mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met beperkingen zoals die naar voren komen uit objectief vastgestelde medische beperkingen. Subjectieve en belevingselementen spelen wel een rol, maar zijn daarbij niet doorslaggevend. De rechtbank overweegt verder dat zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringarts informatie aan de behandelend sector is opgevraagd en –mede gezien die omstandigheid- naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door eiseres is gesteld, niet worden staande gehouden dat het medisch onderzoek onvoldoende of onzorgvuldig is geweest. Weliswaar is niet alle door de primaire verzekeringsarts gevraagde informatie ontvangen, maar niet kan gezegd wordt dat verweerder, door de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts als uitgangspunt voor het bestreden besluit te nemen, in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

Wat die medische bezwaren betreft overweegt de rechtbank dat eiseres ter onderbouwing daarvan geen medische stukken heeft overgelegd. Ook de namens gemachtigde bij gelegenheid van de op 18 februari 2003 gehouden hoorzitting toegezegde tussenrapportage van het Roessingh is niet aan verweerder verzonden, dan wel later in het geding gebracht. Hetgeen eiseres overigens in de gedingstukken en ter zitting heeft aangevoerd heeft de rechtbank er ook niet van kunnen overtuigen dat met diens beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. Evenmin heeft het aanleiding gegeven tot het instellen van een onafhankelijk medisch onderzoek. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in het belastbaarheidpatroon rekening is gehouden met een beperktere belastbaarheid op de aspecten sociaal functioneren (omgaan met conflicten), fysieke omgevingseisen (koude en trillingsbelasting), dynamische handelingen (schroefbewegingen met hand en arm, frequent reiken en buigen tijdens het werk, duwen en trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten hanteren tijdens het werk, lopen, klimmen) en statische houdingen (zitten, staan, geknield of gehurkt en gebogen en/of getordeerd en boven schouderhoogte actief werken). Niet ontkend wordt dat eiseres naast lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft. Noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting blijkt echter dat de mogelijkheden van eiseres zo gering zijn, dat zij niet of nauwelijks zelfredzaam is.

Ten aanzien van de arbeidsdeskundige aspecten overweegt de rechtbank dat op 9 november 2004 de CRvB een aantal uitspraken (onder meer LJN AR 4716) heeft gewezen waarin onder meer het zogeheten claimbeoordelings- en borgingssyteem (CBBS) als ondersteunend systeem bij de beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten beoordeeld is. Kort samengevat heeft de CRvB geoordeeld dat het CBBS als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, rechtens aanvaardbaar is. Echter, de CRvB heeft ook een aantal bedenkingen geuit waar het betreft de inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van het systeem.

De CRvB heeft hierbij onder meer het oog gehad op het gegeven dat in de FML de nummering van de belastbaarheidsaspecten niet overeenstemt met de nummering van de naar inhoud overeenkomende (matchende) items in de lijsten met de functiebelastinggegevens, het feit dat in het dossier geen signaleringen meer voorkomen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, alsmede het gegeven dat het CBBS naast matchende items, ook niet-matchende items kent die niet door het geautomatiseerde systeem worden vergeleken. De CRvB is van oordeel dat, zolang het CBBS niet is aangepast, hoge(re) eisen gesteld dienen te worden aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende schattingsbesluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten. Voldoet het besluit hier niet aan, dan komt het wegens strijd met de artikelen 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Indien deze jurisprudentie wordt toegepast op de onderhavige zaak constateert de rechtbank dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe dat door de arbeidsdeskundige geen functies zijn geduid met overschrijdingen van de belastbaarheid. Ook de rechtbank heeft geen overschrijdingen van de functionele mogelijkheden aangetroffen. Tevens is namens eiseres daaromtrent niets aangevoerd. De stelling dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen vindt immers zijn oorzaak in haar stelling dat de functionele mogelijkheden te beperkt zijn vastgesteld. Ook is niet aangevoerd welke handelingen zij niet zou kunnen verrichten, bijvoorbeeld daar waar de functies bovennormale belasting vergen. Tot slot is er geen sprake van beperkingen op de zogenaamde niet-matchende items.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te concluderen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage hoger dient te zijn dan door verweerder is vastgesteld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2005

door mr. S. Taalman, in tegenwoordigheid van H.B. Slot-Akkerman als griffier.

Afschrift verzonden op

AW