Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS5919

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
14-02-2005
Datum publicatie
15-02-2005
Zaaknummer
68461 / HA RK 82/2004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om inzage in persoonsgegevens toegewezen.

Een collectief aan inzage verzoeken geeft geen reden definitief alle inzage verzoeken in persoonsgegevens te weigeren. Dexia dient elk verzoek om inzage afzonderlijk te bekijken en te beoordelen. Verzoeker valt niet onder de grote bulk die na afloop van het consumentenprogramma Radar collectief een verzoek om inzage in hun persoonsgegevens hebben ingediend. Geen misbruik van recht. Dexia komt geen beroep op een uitzonderingsgrond toe.

Wetsverwijzingen
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 35
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 140
JOR 2005/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Zaaknummer 68461 / HA RK 82/2004

Datum beschikking 14 februari 2005

Beschikking van de rechtbank Almelo, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

VERZOEKER,

wonende te Weerselo,

verzoeker,

advocaat-gemachtigde: mr. M.S. van Knippenberg,

gericht tegen

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gerekestreerde,

procureur: mr. T.J. van Drooge,

advocaat: mr. W.A.K. Rank te Amsterdam.

Het procesverloop.

Bij op 31 december 2004 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen, heeft Verzoeker gevraagd om Dexia te bevelen inzage in en kennisneming van het door Dexia over hem opgemaakte dossier, waaronder zijn risicoprofiel, de aankoopbewijzen van de in de effectenlease-overeenkomsten genoemde aandelen, afschriften van dividenduitkeringen alsmede de overige op hem van toepassing zijnde documenten, door verzoeker en diens raadsman toe te staan, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat Dexia na betekening van de door de rechtbank te geven beschikking aan haar daarmee in gebreke mocht blijven, met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding.

Op 31 januari 2005 is bij de rechtbank een verweerschrift met bijlagen van Dexia ingekomen, waarin Dexia concludeert om de verzochte inzage in en afschriften van de geregistreerde persoonsgegevens te weigeren, met veroordeling van Verzoeker

-uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van de procedure.

Op 7 februari 2004 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Verschenen zijn Verzoeker met mr. Van Knippenberg en voor Dexia mr. M. Bracke, advocaat te Amsterdam, namens mr. Rank. mr. Van Knippenberg heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling nog wat producties nagereikt en een pleitnota overgelegd. Ter gelegenheid van zijn pleidooi heeft hij ook de onder 1g hieronder bedoelde, door EDR aan Dexia verstrekte inlichtingen met name genoemd als gegevens waarvan inzage verlangd wordt. Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak door de enkelvoudige kamer verwezen naar de meervoudige kamer. Deze heeft de uitspraak bepaald op heden.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. Het verzoek is tijdig ingediend en Verzoeker kan daarin worden ontvangen.

2. In deze zaak kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan:

a. Verzoeker is met een rechtsvoorganger van Dexia een aantal effectenlease-overeenkomsten aangegaan, te weten:

? op 7 november 1996 een overeenkomst met nummer een hoofdsom van f. 7194,74, een leasesom van f. 11194,74 en einddatum 7 november 2001,

? op 24 april 1997 een overeenkomst met nummer een hoofdsom van

f. 21617,70, en leasesom van f. 36641,70 en einddatum, na verlenging, 24 april 2005,

? op 12 juni 1997 een overeenkomst met nummer een hoofdsom van

f. 21788,25, een leasesom van f. 42987,33 en einddatum 12 juni 2004,

? op 11 september 1997 een overeenkomst met nummer een hoofdsom van

f. 20366,00, een leasesom van f. 50506,40 en einddatum 10 juli 2001,

? op 19 september 2000 een overeenkomst met nummer een hoofdsom van € 16727,40, een leasesom van € 30341,40 en einddatum 4 oktober 2010,

? op 27 september 2000 een overeenkomst met nummer een hoofdsom van

€ 9184,86, een leasesom van € 22778,46 en einddatum 27 september 2010;

b. bij brief d.d. 16 november 2002 heeft M., echtgenote van Verzoeker, aan Dexia bericht dat zij haar echtgenoot geen toestemming heeft gegeven om de effectenlease-overeenkomsten met de eindcijfers en aan te gaan en heeft zij deze overeenkomsten vernietigd;

c. bij brief d.d. 16 december 2002 heeft Dexia aan M laten weten deze vernietiging niet te accepteren;

d. bij brief d.d. 4 februari 2003 heeft de raadsman van Verzoeker en M aan Dexia bericht dat de lease-overeenkomsten naar zijn oordeel als huurkoop zijn aan te merken en dat daarom M had moeten mee tekenen, hetgeen niet is gebeurd en daarom nietigheid ten gevolge heeft; ook heeft hij Dexia tot betaling gesommeerd;

e. na verder schriftelijk debat tussen de raadsman van Verzoeker en M enerzijds en Dexia anderzijds dat niets heeft opgeleverd, heeft M bij dagvaarding d.d.

4 januari 2005 een procedure tegen Dexia aanhangig gemaakt bij de rechtbank

Amsterdam;

f. inmiddels had Verzoeker zijn betalingen stopgezet, had Dexia de betalingsachterstand bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) gemeld en de aandelen van de overeenkomsten met de eindcijfers 4 en 6 verkocht; zij heeft daarvan mededeling aan Verzoeker gedaan bij brieven van respectievelijk 11 september 2003 en 4 december 2003;

g. begin 2004 heeft Dexia aan Economic Data Research b.v. (EDR) opdracht gegeven om de financiële positie van Verzoeker in kaart te brengen; EDR heeft zich daartoe bij brief van

4 februari 2004 tot Verzoeker gewend en diens medewerking gevraagd, welke door Verzoeker is geweigerd; EDR heeft vervolgens zonder medewerking van Verzoeker een rapport opgemaakt, dat ter verificatie aan Verzoeker gestuurd die daar echter niets mee gedaan heeft; EDR heeft haar rapport, dat persoonsgegevens van Verzoeker bevat, bovendien aan Dexia gestuurd;

h. bij brief d.d. 10 november 2004 heeft de raadsman van Verzoeker, nadat door het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) bij brief van 3 november 2004 een bemiddelingsverzoek als zinloos was afgewezen, namens Verzoeker inzage verlangd in het door Dexia over Verzoeker bijgehouden dossier;

i. dat verzoek is door Dexia bij brief d.d. 18 november 2004 afgewezen.

3. Het verzoek van Verzoeker is gegrond op het bepaalde in artikel 46, eerste lid van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) dat inhoudt dat, zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang, de belanghebbende (in casu Verzoeker) zich tot de rechtbank kan wenden met het schriftelijk verzoek om de verantwoordelijke (in casu Dexia) te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in artikel 35 WBP toe te wijzen.

4. Het verweer van Dexia is primair gegrond op het bepaalde in artikel 43 sub e van de WBP dat, zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang, inhoudt dat de verantwoordelijke (in casu Dexia) artikel 35 WBP buiten toepassing kan laten voorzover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Dexia stelt dat haar dit beroep op artikel 43 sub e WBP toekomt, nu zij sterk het vermoeden heeft dat Verzoeker met zijn verzoek om informatie op oneigenlijke wijze probeert om zijn eigen procespositie ten nadele van Dexia te versterken. Dexia stelt dat in dat geval het inzageverzoek berust op misbruik van recht. Dexia is van mening dat het belang van Verzoeker om inzage in zijn persoonlijk dossier dient te wijken voor het processuele belang van Dexia. Dexia verwijst hierbij naar een uitspraak van het Engelse Court of Appeal in de zaak Durant vs. FSA.

Daarnaast is zij van oordeel dat er inzage in gegevens gevraagd wordt die niet als persoonsgegevens in de zin van de wet zijn aan te merken en dat Verzoeker een deel van de gegevens bij het BKR kan verkrijgen.

Ook voert zij verweer tegen de hoogte van de gevorderde dwangsom en de termijn waarbinnen eventueel nog door haar te verstrekken gegevens door haar ingevolge de tekst van de vordering verstrekt zouden moeten worden.

5. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 35 WBP heeft een ieder het recht zich tot een instelling te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Indien zodanige gegevens worden verwerkt bevat de mededeling van de instelling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Welk doel een betrokkene heeft met zijn verzoek om inzage in de persoonsgegevens speelt hierbij in beginsel geen rol. Indien van een persoon persoonsgegevens worden verwerkt komt de persoon het recht op inzage toe, tenzij een van de uitzonderingsgronden als genoemd in de wet zich voordoet. Uitgangspunt hierbij is het transparantiebeginsel: iedereen moet in de gelegenheid zijn om na te gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en verwerkt; de betrokkene die de wijze waarop zijn gegevens worden verwerkt onrechtmatig vindt, moet in staat zijn dit zelf in rechte aan te vechten (art. 13 EVRM).

Het begrip persoonsgegevens dient ruim te worden uitgelegd (MvT pagina 45 en verder). Onder persoonsgegevens dient te worden verstaan: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. De aard van de gegevens spelen hierbij een rol;

- context waarin het gegeven wordt vastgelegd en gebruikt kan een rol spelen;

- gegevens die bepalend zijn voor de wijze waarop de betrokken persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld;

- gegevens die een neerslag vormen van een over een bepaalde persoon genomen beslissing;

- telefoonnummers, kentekens, postcodes, huisnummers kunnen als persoonsgegevens worden aangemerkt;

Niet als persoonsgegevens kunnen worden aangemerkt: zuivere object gegevens en daaruit vloeit reeds voort dat het verzoek, zoals ingediend, niet toewijsbaar is. Op inzage in het hele dossier van Dexia heeft Verzoeker immers geen recht.

6. De verplichting tot het verschaffen van inzage in de verwerkte persoonsgegevens geldt niet indien zich één van de uitzonderingsgronden als genoemd in artikel 43 WBP voordoen. De gronden om een uitzondering te maken zijn in de wet opgenomen. De toepasselijkheid van deze gronden is onderworpen aan het “noodzakelijkheidscriterium”. Dexia beroept zich op de uitzonderingssituatie als genoemd in onderdeel e van artikel 43 WBP: “de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen”. Dexia dient hierbij onder ‘anderen’ te worden begrepen. Dexia dient te bewijzen dat zij een gewichtig belang heeft bij afwijzing van het verzoek op deze grond. Hierbij geldt een verzwaring van de bewijslast aan de kant van Dexia.

7. Aan de orde is de vraag of Dexia een beroep op deze uitzonderingsgrond toekomt. Het gaat hier om een belangenafweging waarbij het belang om administratieve lasten te beperken niet voldoende is. Dexia zal onder andere aannemelijk moeten maken dat door inwilliging van een dergelijk verzoek de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat zij daardoor in één van haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Dexia voert ter motivering van haar stelling het volgende aan:

1. Verzoeker en zijn echtgenote verkeren met Dexia in een conflictsituatie. Indien een cliënt in een conflictsituatie verkeert en via het inzagerecht zijn processuele positie probeert te versterken ten nadele van Dexia, weigert Dexia inzage in de persoonsgegevens. Het inzageverzoek betreft dan immers slechts een “fishing expedition”.

2. De inzageverzoeken dienen te worden beschouwd als misbruik van recht.Door op collectieve wijze inzageverzoeken te doen en deze vlak voor Sinterklaas bij Dexia te laten binnenkomen wilde men een cadeautje uitdelen. De oproep van de collectieve belangenverenigingen om tegelijk een verzoek om inzage in de persoonsgegevens te vragen kan niet anders worden verstaan dan een poging tot het frustreren van de bedrijfsvoering van Dexia. Deze verzoeken worden voor een ander doel gebruikt dan waarvoor dit gegeven is. Het belang van verzoekers dient dan ook te wijken voor het belang van Dexia bij een goede uitoefening van haar bedrijf.

3. De administratieve lasten zijn zodanig disproportioneel dat Dexia in haar rechten en vrijheden wordt aangetast. Dexia wordt reeds nu geconfronteerd met meer dan 3000 inzageverzoeken. Iedere inzage vergt een reactie en brengt administratieve lasten met zich mee. Van Dexia kan in redelijkheid niet worden gevergd dat zij haar hele bedrijf afstemt op het beantwoorden van inzageverzoeken. De kosten van de beantwoording van al deze inzageverzoeken bedragen enkele honderdduizenden euro’s en belemmeren Dexia ernstig in haar bedrijfsvoering.

8. De rechtbank zal de door Dexia hierboven genoemde gronden achtereenvolgens bespreken. Het verzoek van Verzoeker dient als individueel verzoek beoordeeld te worden en niet als onderdeel van een collectieve beschadigingsactie. Aan de orde is slecht de vraag of Dexia terecht weigert Verzoeker inzage te geven in zijn persoonsgegevens. Dat er ook anderen zijn die een dergelijk verzoek met betrekking tot hun gegevens hebben ingediend, mag voor Verzoeker geen beperking zijn van zijn recht op inzage. Wat betreft grond 7.1 oordeelt de rechtbank als volgt. Het gaat hier om een beroep op het bepaalde in artikel 43 onder e WBP. Aan de orde is dan ook de vraag of indien partijen in een conflictsituatie verkeren en één van de partijen inzage vraagt in de persoonsgegevens, de andere partij in haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Tijdens een procedure geldt voor beide partijen een waarheidsplicht (artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Beide partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De van belang zijnde gegevens die alleen in het bezit zijn van Dexia, dienen in een procedure boven tafel te komen. De regelgeving met betrekking tot het burgerlijk proces strekt er juist toe om vooraf de feiten duidelijk te krijgen. De rechtbank ziet zoals hiervoor aangegeven derhalve niet in welk recht en/of belang van Dexia wordt geschaad door Verzoeker inzage te geven in zijn persoonlijk dossier. Het beroep van Dexia op artikel 843a lid 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering faalt.

9. Niet gebleken is dat Verzoeker met het indienen van zijn verzoek slechts tot doel heeft om Dexia te schaden. Uit de stukken blijkt dat Verzoeker reeds sedert november 2002 actie voert tegen Dexia en in dat kader op 10 november 2004 officieel, schriftelijk om inzage heeft verzocht. Hij valt dan ook niet onder de grote bulk die na de oproep van het consumentenprogramma Radar collectief bij wijze van “Sinterklaascadeau” vlak voor Sinterklaas een soortgelijk verzoek bij Dexia heeft ingediend. Indien Dexia persoonsgegevens verwerkt, is zij gebonden aan de verplichtingen die hiervoor gelden op grond van de WBP. Deze verplichtingen gelden voor iedere zaak afzonderlijk. Indien Dexia in verband met de grote hoeveelheid klanten niet aan deze verplichting kan voldoen, dient dit voor haar rekening te komen. Dexia had hier bij het aangaan van de overeenkomsten rekening mee dienen te houden en haar bedrijfsvoering daar tijdig op in dienen te stellen. Een collectief aan inzageverzoeken kan echter ook Dexia niet vooraf voorzien. Dit geeft echter slechts reden om de termijn voor het afgeven van het volledig overzicht te verlengen, maar niet om definitief alle inzageverzoeken in persoonsgegevens te weigeren. Ook Dexia dient dergelijke verzoeken afzonderlijk te beoordelen. Het belang van Verzoeker dient hier te prevaleren.

10. Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat Dexia in deze zaak geen beroep toekomt op het bepaalde in artikel 43 onder e WBP of een andere uitzonderingsgrond genoemd in dat artikel. Dexia dient derhalve inzage te geven aan Verzoeker in zijn persoonsgegevens.

11. Aan de orde is dan de vraag wat dient te worden verstaan onder persoonsgegevens. Hier is hetgeen dat is overwogen onder 3 eveneens van belang. Inzage wordt gevraagd in het totale dossier inclusief de opgenomen telefoongesprekken. Dexia stelt dat vier specifieke verwerkingen niet onder persoonsgegevens en dus niet onder het inzagerecht van artikel 35 WBP vallen. Het betreft hier het beleggingsprofiel, de aankoopbewijzen van de onderliggende aandelen van de effectenlease-overeenkomst, de toetsing van de kredietwaardigheid en de bandopnames van de gevoerde telefoongesprekken.

12. Wat betreft het beleggingsprofiel, c.q. risicoprofiel, oordeelt de rechtbank als volgt. Dexia stelt dat zij bij het afsluiten van een effectenlease-overeenkomst niet verplicht is te informeren naar beleggingservaring, beleggingsdoelstelling en de financiële positie van de cliënt. Dexia geeft echter niet aan op grond waarvan zij hiertoe niet verplicht zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat Dexia is aan te merken als een effectenbemiddelaar in de zin van artikel 1 onder b Wet toezicht effectenverkeer (WTE). Dexia is immers bij het aanbieden van de onderhavige overeenkomst werkzaam op het gebied van een transactie in effecten. Op grond van het bepaalde in artikel 24 Besluit Toezicht Effectenverkeer 95 en artikel 28 lid 1 Nadere Regeling Gedragstoezicht Effectenverkeer 2002 alsmede op grond van de speciale zorgplicht die rust op een effecteninstelling, dient een effecteninstelling in het belang van haar cliënten informatie in te winnen over onder meer hun financiële positie, hun ervaring met beleggen, en hun beleggingsdoelstelling. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verweer van Dexia niet opgaat.

Bovendien geldt daarnaast dat, indien dergelijke gegevens zijn verwerkt, deze daarmee onder persoonsgegevens in de zin van de wet vallen en in het te verstrekken overzicht opgenomen dienen te worden.

13. Wat betreft de aankoopbewijzen van de onderliggende aandelen is de rechtbank met Dexia van oordeel dat dit inderdaad objectgegevens zijn en geen persoonsgegevens zijn in de zin van de WBP, voorzover althans deze aankoopbewijzen geen geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Het zijn zaakgegevens in het geval de aandelen gebundeld werden aangekocht of verkocht, waarbij het aankoop- c.q. verkoopbewijs betrekking heeft op aandelen voor meerdere contractspartners van Dexia. Voorzover de aangekochte of verkochte aandelen uitsluitend betrekking hebben op het contract van Verzoeker zijn deze aan- en verkoopbewijzen wel herleidbaar tot de persoon van verzoeker en derhalve wel als persoonsgegevens aan te merken.

Met betrekking tot dividendbewijzen geldt mutatis mutandis hetzelfde.

Dexia behoeft aan Verzoeker derhalve op dit onderdeel slechts de in artikel 35 WBP bedoelde informatie te verstrekken, indien zij daarover beschikt in de in de vorige alinea als persoonsgegeven omschreven wijze.

14. Dexia stelt dat op haar niet de verplichting rust om telefoongesprekken op te nemen en bandopnames op te slaan. Ter zitting is echter komen vast te staan dat Dexia na

augustus 2002 telefoongesprekken, zij het niet alle, is gaan opnemen en dat deze opnames ook zijn bewaard. Indien Verzoeker nadien opgenomen telefoongesprekken met Dexia heeft gevoerd, is hiermee voldaan aan de definitie van verwerking van persoonsgegevens als vermeld in artikel 1 onder b WBP. Op grond van het bepaalde in artikel 35 lid 2 WBP dient inzage in alle verwerkte persoonsgegevens verstrekt te worden. Of er al dan niet een verplichting bestaat tot het opnemen van dergelijke gegevens, is hierbij niet van belang. Van belang is enkel of de gegevens zijn verwerkt. In casu kan hiervan dus sprake zijn. Dexia stelt dat de bandopnames niet voldoen aan de definitie van bestand in artikel 1 sub c WBP en daardoor buiten het bereik vallen van het inzagerecht van artikel 35 WBP. De rechtbank is met Dexia van oordeel dat de bandopnames als zodanig niet als een gestructureerd bestand kunnen worden aangemerkt en dat zij op die grond niet gehouden is Verzoeker te informeren omtrent de met hem gevoerde telefoongesprekken die op die banden voorkomen. Dat zou echter anders geweest zijn indien Verzoeker exact had aangegeven op welke dag en welk tijdstip hij met welke medewerker van Dexia gesproken heeft. Aangenomen moet namelijk worden dat de bewaard gebleven telefoongesprekken op datum en uur zijn opgeslagen.

15. De rechtbank is voorts van oordeel dat Dexia Verzoeker voor de gegevens omtrent zijn kredietwaardigheid niet kan verwijzen naar het BKR. Indien Dexia dergelijke gegevens, die als persoonsgegevens zijn aan te merken, heeft verwerkt, dient zij deze gegevens in het overzicht op te nemen. Hetzelfde geldt voor de melding en de inhoud van die melding aan het BKR. Dat Verzoeker ook zelf bij het BKR de door Dexia verstrekte gegevens kan opvragen, ontslaat Dexia niet van haar plichten jegens Verzoeker op grond van de WBP.

16. Met betrekking tot de informatie van EDR tenslotte, die zich in het dossier van Dexia bevindt, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Dat EDR aan Verzoeker heeft laten weten welke informatie zij omtrent hem bijeengebracht heeft, ontslaat Dexia niet van haar verplichting op grond van de WBP om Verzoeker te laten weten welke persoonsgegevens van hem zij van EDR heeft ontvangen en opgeslagen.

17. De gevorderde dwangsom acht de rechtbank niet bovenmatig. Een dwangsom dient afschrikwekkend te zijn en het gevorderde bedrag is niet disproportioneel ten opzichte van de belangen van Verzoeker. Wel is er grond om het totaal aan te verbeuren dwangsommen te maximeren. De rechtbank zal dat maximum op € 5000,00 (vijfduizend euro) stellen.

De termijn na welke de dwangsommen verbeurd worden zal gesteld worden op vier weken na betekening van deze beschikking. Een kortere termijn is onredelijk gezien het aantal soortgelijke verzoeken dat Dexia heeft bereikt en mogelijk nog zal bereiken.

18. Daar partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld zijn, zal bepaald worden dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

I. Beveelt Dexia om, binnen vier weken na betekening van deze beschikking aan haar, een schriftelijk overzicht als bedoeld in artikel 35, tweede lid WBP aan Verzoeker te verstrekken, zulks met inachtneming van hetgeen hierboven onder 12, 13, 14, 15 en 16 is overwogen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) voor elke dag dat Dexia in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, zulks tot een maximum van € 5000,00 (vijfduizend euro).

II. Bepaalt dat elke partij haar eigen kosten draagt.

III. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven door mrs. Breitbarth, Verhoeven en Moes en op 14 februari 2005 in het openbaar door hem uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Marsman, griffier.