Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS4756

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
03-02-2005
Datum publicatie
21-03-2005
Zaaknummer
03 / 1048 WAO N1 A
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft op grond van artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan eiseres een verplichting opgelegd tot doorbetaling van het loon van haar zieke werknemer voor een periode van vier maanden, namelijk van 29 april 2003 tot en met 29 augustus 2003. Gelijktijdig heeft verweerder gelet op deze beslissing, de aanvraag van de werknemer om een uitkering ingevolge de WAO op basis van artikel 34a, tweede lid, van de WAO afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Registratienummer: 03 / 1048 WAO N1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: R. Jagbandhan, werkzaam bij Intercontinental Arnhem te Arnhem,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 5 november 2003.

2. Het verloop van de procedure

Bij besluit van 26 maart 2003 heeft verweerder op grond van artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan eiseres een verplichting opgelegd tot doorbetaling van het loon van haar zieke werknemer [werknemer] (hierna: de werknemer) voor een periode van vier maanden, namelijk van 29 april 2003 tot en met 29 augustus 2003. Gelijktijdig heeft verweerder gelet op deze beslissing, de aanvraag van de werknemer om een uitkering ingevolge de WAO op basis van artikel 34a, tweede lid, van de WAO afgewezen.

Eiseres heeft op 8 april 2003 tegen deze beslissing, voor zover het de opgelegde loondoorbetalingsverplichting betreft, een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft verweerder wederom aan eiseres een verplichting opgelegd tot doorbetaling van het loon van de werknemer, nu voor de periode van 29 augustus 2003 tot en met 29 december 2003. Ook hier heeft verweerder de aanvraag van de werknemer om een uitkering ingevolge de WAO afgewezen.

Eiseres heeft op 6 augustus 2003 tegen deze beslissing, voor zover het de opgelegde loondoorbetalingsverplichting betreft, bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 5 november 2003 heeft verweerder beide bezwaarschriften van eiseres ongegrond verklaard en zijn de besluiten van 26 maart 2003 en 1 augustus 2003 gehandhaafd.

Op 19 november 2003 heeft eiseres tegen deze beslissing een beroepschrift ingediend. De werknemer heeft niet gereageerd op de mededeling van de rechtbank dat hij als partij deel kan nemen aan het geding.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 13 december 2004, waar eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.T. Hanterink.

3. Overwegingen

Het geschil

1.1 Eiseres keert zich in het beroep tegen verweerders beslissing op haar bezwaarschriften. In dit besluit heeft verweerder zijn eerdere besluiten in stand gelaten om aan eiseres tot tweemaal toe de verplichting op te leggen voor een periode van vier maanden het loon van de werknemer door te betalen (verder ook: de loonsancties). Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres in beide gevallen heeft verzuimd aan de werknemer de stukken te verstrekken die deze nodig heeft om een volledig reïntegratieverslag te overleggen bij zijn aanvraag om een WAO-uitkering.

1.2 Eiseres voert tegen het besluit, samengevat, de volgende beroepsgronden aan. In de beginprocedure heeft zij weliswaar de zaak niet goed opgevat, maar al geruime tijd probeert zij alles zo correct mogelijk te doen. Haar arbo-dienst heeft ten onrechte het contract met eiseres per 1 januari 2003 verbroken. De werknemer was verder al ziek voordat eiseres het restaurant kocht van de heer [ex eigenaar]. Zowel de heer [ex-eigenaar] als de werknemer hebben dit voor haar verzwegen. De werknemer heeft na de overname slechts sporadisch gewerkt, hoewel hij steeds aankondigde het werk te hervatten. Hij weigerde licht zittend werk voor eiseres te doen. Dit zou mede zijn veroorzaakt door de taalverschillen tussen eiseres en de werknemer. Ten slotte zou een werknemer van verweerder in deze zaak niet objectief hebben gehandeld. Eiseres verzoekt de heer [ex-eigenaar] te veroordelen vanaf 1 mei 2002 ziekengeld van de werknemer te vergoeden.

De beoordeling

2. De rechtbank stelt voorop dat in deze zaak slechts de beoordeling van het bestreden besluit aan de orde is. Enige (civiele) vordering die eiseres stelt te hebben op de heer [ex-eigenaar] valt daarom buiten het geschil. De rechtbank zal het verzoek tot veroordeling van de heer [ex-eigenaar] dan ook niet behandelen.

3.1 In het onderhavige geval staat vast dat eiseres tot twee keer toe, ook na verzoeken tot aanvulling, heeft verzuimd de stukken op te stellen en/of over te leggen die deel uitmaken van een volledig reïntegratieverslag. Voorafgaand aan het primaire besluit van 26 maart 2003 heeft eiseres geen plan van aanpak opgesteld (artikel 71a, tweede lid, van de WAO) en geen probleemanalyse overgelegd (artikel 6, onder f, van de ministeriële Regeling procesgang eerste ziektejaar). Voorafgaand aan het primaire besluit van 1 augustus 2004 ontbraken niet alleen een plan van aanpak en de probleemanalyse, maar ook het actuele oordeel bij de probleemanalyse (artikel 6, onder i, j en k, van de Regeling procesgang eerste ziektejaar), de evaluatie van het plan van aanpak (artikel 6, onder h, van de Regeling procesgang eerste ziektejaar) en de bijbehorende medische informatie. Door dit verzuim van eiseres heeft verweerder ook niet kunnen beoordelen in hoeverre eiseres aan haar reïntegratieverplichtingen heeft voldaan.

3.2 Verweerder heeft dan ook terecht kunnen besluiten aan eiseres een loonsanctie op te leggen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd kan niet afdoen aan dit oordeel. Dat eiseres bij de overname van de arbeidsrelatie met de werknemer niet wist dat deze ziek was, ontslaat haar niet van haar reïntegratieverplichtingen. Dat zij zich op dit moment naar eigen zeggen meer inspant, neemt niet weg dat zij in het verleden op de hierboven beschreven manier is tekortgeschoten. Voor zover zij aanvoert dat de werknemer van zijn kant niet wil meewerken aan reïntegratie, kan dit haar verzuim niet rechtvaardigen. Zij had immers als werkgever middelen ter beschikking (zoals artikel 660a van het Burgerlijk Wetboek) om de werknemer tot medewerking dwingen. Bovendien is voor het opstellen van niet alle ontbrekende stukken de medewerking van de werknemer vereist. Verder kan het gestelde tekortschieten van de arbo-dienst van eiseres haar evenmin baten. De verplichtingen tot het reïntegreren van de werknemer en het opstellen van de onderdelen van het reïntegratieverslag rusten op eiseres. Zij is er verantwoordelijk voor dat de arbo-dienst de door eiseres opgedragen ondersteunende taken verricht. Enig verzuim van de arbo-dienst ligt in de risicosfeer van eiseres. Ten slotte is van vooringenomenheid van verweerder niet gebleken.

4.1 Wat betreft de lengte van de opgelegde loonsancties, overweegt de rechtbank dat verweerder bij besluit van 12 maart 2003 (Staatscourant 18 maart 2003, nr. 54) beleid heeft vastgesteld voor de omstandigheden waaronder een loonsanctie dient te worden opgelegd en voor de daarbij behorende lengte van de sanctie. Dit zijn de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter. Volgens artikel 5, tweede lid, van deze beleidsregels wordt de loondoorbetalingsperiode vastgesteld op het tijdvak dat naar verwachting benodigd zal zijn om de werkgever in staat te stellen alsnog zijn reïntegratieverplichtingen volledig na te komen en voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten, doch ten minste op vier maanden. Artikel 4 van deze beleidsregels onderscheidt een aantal mogelijke verzuimen van werkgevers en kwalificeert deze als beperkte, ernstige, grove of uiterste nalatigheid. Deze indeling bepaalt volgens artikel 5, derde en vierde lid, van deze beleidsregels de maximale lengte van de loondoorbetalingsverplichting. Bij een beperkte nalatigheid wordt de loondoorbetalingsperiode steeds vastgesteld op vier maanden. Bij een ernstige, grove of uiterste nalatigheid is dit ten hoogste zes, respectievelijk negen en twaalf maanden. Het vijfde lid bepaalt dat de loondoorbetalingsperiode luidt in een geheel aantal maanden, niet wordt afgerond op een kalendermaand en zo wordt vastgesteld dat het maximum genoemd in artikel 7:629, twaalfde lid, van het Burgerlijk Wetboek niet wordt overschreden. Bij een herhaalde vaststelling van een loonsanctie geldt volgens artikel 6, tweede en derde lid, een minimum van twee maanden, terwijl de duur van de opeenvolgende loondoorbetalingsperioden niet meer bedraagt dan het maximum dat is vastgesteld op grond van artikel 4, derde of vierde lid, tenzij er sprake is van nieuwe feiten.

4.2 De rechtbank overweegt dat de oplegging en de lengte van de loonsanctie enkel dient te zijn gericht op herstel van nagelaten reïntegratie-inspanningen. Dit betekent dat oplegging achterwege dient te blijven als herstel niet meer mogelijk is en dit kan met zich meebrengen dat de in de beleidsregels gegeven minimale en maximale termijnen in bepaalde gevallen niet kunnen worden gehanteerd.

4.3 Eiseres heeft echter niet aangevoerd dat zich hier een dergelijk geval voordoet. In het onderhavige geval is sprake van een uiterste nalatigheid als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter, namelijk het binnen de gegeven termijn niet verstrekken of aanvullen van een reïntegratieverslag. Dit brengt een loonsanctie met zich mee van minimaal vier en maximaal twaalf maanden. De loonsanctie is tot twee keer toe op vier maanden gezet. Dit is, ook wat betreft de herhaalde vaststelling, in overeenstemming met de beleidsregels van verweerder. De rechtbank kan de beide loonsancties in de omstandigheden van dit geval niet voor onjuist houden.

5. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren en het bestreden besluit in stand laten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Aldus gegeven door mr. M.E. van Wees, mr. E.W. de Groot en mr. A.M.S. Kuipers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.F.S. Sloet-van der Kolk, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2005.

Afschrift verzonden op

nb