Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS4069

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-01-2005
Datum publicatie
28-01-2005
Zaaknummer
64616 ha za 540 van 2004 en 66887 ha za 931 van 2004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop door een NVM-makelaar van een nevenvestiging van zijn kantoor, inclusief lidmaatschap NVM, aan een rechtspersoon makelaarskantoor waarvan de eigenaar geen makelaar is.

In de nevenvestiging is een zogenaamde NVM-box geïnstalleerd. Staat op naam van de verkopende makelaar. De koper maakt er gebruik van en de NVM vordert betaling hiervoor. Koper weigert omdat NVM weigert de aansluiting op zijn naam te stellen. Koper roept verkoper in vrijwaring. Grondslag wanprestatie. Verkoper heeft lidmaatschap NVM niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

zaaknummers: 64616 ha za 540 van 2004 en 66887 ha za 931 van 2004

datum uitspraak vonnis: 26 januari 2005 (hb)

(Eind)vonnissen van de rechtbank te Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaken van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (540/2004)

N.V.M. SERVICE B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

eiseres in conventie in de hoofdzaak, verweerder in het vrijwaringsincident,

verweerder in de hoofdzaak in reconventie,

hierna te noemen NVM,

procureur: mr. P.C. Kleyn van Willigen,

advocaat: mr. F.T. van Bentum te Nieuwegein,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A.MAKELAARDIJ B.V.,

gevestigd te P en kantoorhoudende te Q,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiseres in het vrijwaringsincident,

eiseres in reconventie in de hoofdzaak,

hierna te noemen A,

procureur: mr. J.J. Paalman,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (931/2004)

A MAKELAARDIJ B.V.,

gevestigd te P en kantoorhoudende te Q (O),

eiseres in vrijwaring,

hierna te noemen A,

procureur: mr. J.J. Paalman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B MAKELAARDIJ B.V.,

gevestigd te P,

gedaagde in vrijwaring,

hierna te noemen B,

procureur: mr. D.G. Geerdink.

Gehoord partijen en gezien de stukken waaronder nu ook de op 8 december 2004 uitgesproken tussenvonnissen en overnemend wat daarin is overwogen,

Overweegt:

Over het procesverloop:

De bij de genoemde tussenvonnissen gelaste comparities van partijen hebben op 17 januari 2005 gecombineerd plaatsgevonden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. NVM heeft ter gelegenheid van de comparitie een akte genomen waarin zij de onder 2 van de tussenvonnissen gevraagde opheldering heeft gegeven. A heeft bij brief van 15 december 2004 de van haar gevraagde brief aan de rechtbank en de raadslieden van NVM en B toegestuurd. Deze wordt geacht deel uit te maken aan het proces-verbaal van comparitie. Partijen zijn niet tot een schikking gekomen en er is aansluitend aan de comparitie opnieuw vonnis gevraagd.

Over het recht:

in beide zaken:

1. Door NVM is in haar akte van 17 januari 2005 en ook ter comparitie uitgelegd dat zij met geaccumuleerde hoofdsom bedoelt de oorspronkelijke hoofdsom vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en de tot aan 18 mei 2004 verschuldigde rente, alles onder aftrek van de creditering.

Daarbij is zij uitgegaan van de verschuldigdheid van rente vanaf de veertiende dag na de factuurdatum, 12 december 2002 en 30 oktober 2003 als datum van de creditnota wegens het retourneren van de NVM-box. Als wettelijke grondslag voor haar berekening beroept zij zich op het bepaalde in artikel 6:44, eerste lid, BW.

2. Door de enig aandeelhouder/bestuurder (DGA) van A is ter gelegenheid van de comparitie verklaard dat hij een financieel adviesbureau heeft, geen makelaarsopleiding heeft en ook geen makelaar is. Ook heeft hij bij die gelegenheid verklaard dat de stichtingsaktes van A Holding B.V. en A Makelaardij B.V. op dezelfde dag, maar daaraan voorafgaand, verleden zijn als de akte waarin de koop door hem en de levering aan hem van het kantoor Q van B zijn vastgelegd.

In de hoofdzaak:

in conventie en in reconventie: (540/2004)

3. De rechtbank stelt voorop dat de beweerdelijke verkoop door B aan A van het lidmaatschap van NVM, voorzover betrekking hebbend op de voormalige vestiging van B te Q, NVM niet regardeert. NVM hanteert regels voor de toelating tot haar lidmaatschap en A zelf voldoet niet aan die eisen. Zij kan daaraan slechts voldoen door iemand in dienst te hebben die aan die eisen voldoet en bovendien haar organisatie aldus in te richten dat ook die organisatie aan door NVM gesteld eisen voldoet. Dat is bij A niet het geval. Voor de beoordeling van het geschil tussen NVM en A is daarom niet van belang of een dergelijke verkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

4. Uit de aan de rechtbank ter beschikking staande stukken, waaronder de niet weersproken inhoud van producties blijkt het volgende:

De DGA van A heeft voorafgaand aan het contracteren met NVM contact met NVM opgenomen en om informatie over het lidmaatschap van NVM gevraagd. Die is hem bij brief van NVM van 17 september 2002 toegestuurd. Hij heeft informatie ontvangen over de financiële aspecten van het lidmaatschap en over het datanetwerk. Ook is hem een aanvraagformulier toegestuurd waarop tevens vermeld is welke bijlagen bij het insturen van dat formulier moeten worden bijgesloten. In de brief van 17 september 2002 is voorts vermeld dat hij voor nadere informatie contact met de ledenadministratie van NVM kan opnemen en ook een persoonlijke afspraak voor een gesprek kan krijgen. Vervolgens heeft A per 24 oktober 2002 het kantoor Q van B overgenomen. Dat hij enige nadere informatie heeft ingewonnen is gesteld noch gebleken. Had hij zich wel behoorlijk georiënteerd had hij, reeds op grond van de hem toegestuurde stukken, geweten aan welke eisen hij en zijn bedrijf zouden moeten voldoen om het lidmaatschap te verkrijgen.

Vervolgens heeft A op 4 november 2002 een aanvraag voor installatie van een NVM-box gedaan. Dat verzoek is gedaan door M (een werknemer/NVM-lid werkzaam op het overgedragen kantoor), op briefpapier van B. Gevraagd is om installatie van een box op “ons kantoor” te Q. Dat kantoor te Q, een bijkantoor van B, had nog geen zelfstandige aansluiting op het NVM-uitwisselingssysteem, maar wisselde uit via de wel op het systeem aangesloten hoofdvestiging. Dat was een toegestane constructie, de zogenaamde “Van den Ende constructie”. In de aanvraag om een zelfstandige aansluiting geeft M aan dat de aanvraag van 4 november 2002 geschiedt in verband met overname van de vestiging Q en ook dat en hoe de naam van de vestiging zal veranderen. Op 27 november 2002 wordt de box vervolgens geïnstalleerd. Het systeem wordt door A gebruikt; de nota’s worden niet betaald. NVM handhaaft de tenaamstelling B, een naam die A tot 1 januari 2003 gerechtigd was te voeren op grond van zijn overeenkomst met B.

Op 7 november 2002 had NVM intussen echter, naar aanleiding van de gewenste naamwijziging, een Formulier Structuurwijziging NVM aan M toegestuurd met het verzoek om dat, ingevuld, aan haar afdeling ledenadministratie toe te sturen. In die brief is M erop gewezen dat de Commissie Lidmaatschapszaken richtlijnen hanteert met betrekking tot de naamgeving van kantoren waarvan de enig eigenaar geen NVM-lid is en dat de naam A Makelaardij B.V. wellicht niet aanvaardbaar zou zijn. A en B hebben vervolgens op 20 november 2002 laten weten dat contractueel de naam B Makelaardij gewijzigd moest worden en dat zij de naam A Makelaardij om commerciële redenen wilden handhaven. Een wijzigingsvoorstel van NVM hebben zij niet aanvaard.

Op 5 december 2002 heeft A nog eens aan NVM bericht dat het A Makelaardij zou blijven en bij brief van 31 december 2002 heeft NVM opnieuw aan A laten weten dat de naam A in de naam van het kantoor voor haar onaanvaardbaar was en waarom. In haar brief van 31 december 2002 aan A heeft NVM tevens gevraagd om het structuurwijzigingsformulier, dat nog steeds niet ingevuld teruggestuurd was, terug te sturen. Zij wilde zich een oordeel vormen over de samenwerking tussen A en M . Aan dat verzoek is op 3 januari 2003 gevolg gegeven. Bij brief van 16 januari 2003 heeft NVM vervolgens aan A laten weten dat en waarom niet voldaan was aan haar eisen en tevens opgemerkt dat zij bezwaar had tegen de doelstelling van A Holding. Zij heeft in die brief weer herhaald dat de naam A Makelaardij voor haar onaanvaardbaar is en opnieuw een voorstel voor een voor haar aanvaardbare oplossing gedaan. Op die brief is niet gereageerd door A tot 12 maart 2003. A en M hebben toen om nader overleg gevraagd. De aangezegde afsluiting van het uitwisselingssysteem is vervolgens opgeschort.

Er is ook opnieuw om een inhoudelijke reactie op de brief van 16 maart 2003 gevraagd. NVM heeft vervolgens bij brief van 25 maart 2003 aan A te kennen gegeven op welke voorwaarden zij bereid was verder te overleggen en aangegeven dat dit overleg niet zou plaatsvinden indien zij niet op 9 april 2003 zou beschikken over de door haar gevraagde bescheiden. Ook heeft zij toen aangekondigd dat zij de aansluiting aan het uitwisselingssysteem op 11 april 2003 zou afsluiten indien zij niet op 9 april 2003 over de gevraagde bescheiden zou beschikken.

A en M hebben daarop te kennen gegeven verder te willen overleggen en in beroep te willen gaan van het besluit tot “drooglegging”. Telefonisch overleg tussen NVM en A heeft er vervolgens toe geleid dat de “drooglegging” andermaal is opgeschort. A heeft vervolgens bij brief van 17 april 2003 een concept bestuursovereenkomst aan NVM gestuurd waarop NVM omgaand heeft gereageerd met een aantal wijzigingsvoorstellen. Daarop is geen reactie gekomen en bij brief van 23 april 2003 is aan A een termijn gesteld tot 13 mei 2003 voor de toezending van een definitieve en aangepaste bestuursovereenkomst en een uittreksel uit het handelsregister waaruit blijkt dat het bestuur van de vennootschap voldoet aan de in artikel 3a van het Reglement Lidmaatschapszaken gestelde eisen. Bij brief van 1 mei 2003 heeft NVM nog aan A laten weten dat de statuten van zowel A Holding als A Makelaardij op onderdelen strijdig zijn met de NVM-regelgeving en dat zij ook bezwaren tegen de arbeidsovereenkomst met M had. Zij heeft daarbij aangegeven hoe een en ander aan haar regelgeving zou kunnen worden aangepast.

A heeft zich vervolgens tot een advocaat gewend en dat was aanleiding voor NVM om de “drooglegging” andermaal op te schorten en wel tot 18 juni 2003. Tot en met september 2003 heeft A van de box gebruik gemaakt. In oktober 2003 is deze retour NVM gegaan.

5. Op grond van bovenstaande feiten oordeelt de rechtbank:

a. dat er tussen partijen een overeenkomst als door NVM gesteld totstandgekomen is met betrekking tot een NVM-box,

b. dat door NVM tijdig aan A te kennen is gegeven dat er voorwaarden aan het gebruik daarvan verbonden waren,

c. dat A er, al vóór zij de NVM-box aanvroeg, van op de hoogte was dat zij op dat moment niet aan die voorwaarden voldeed,

d. dat A, reeds vóór de installatie van de box, wist dat aan haar verzoek om de aansluiting op de door haar gewenste naam, zoals in de aanvraag vermeld, te stellen niet voldaan zou worden,

e. dat zij niettemin van de box gebruik heeft gemaakt,

f. dat er geen sprake van dwaling kan zijn op grond van de omstandigheid dat A ervan uit ging haar naam te mogen gebruiken omdat A, indien zij al in die mening verkeerde, dit geheel voor haar eigen rekening dient te blijven gelet op alle informatie waarover zij alvorens te contracteren met NVM beschikte;

g. dat er van schuldeisersverzuim aan de kant van NVM geen sprake is; NVM behoefde er niet van uit te gaan dat er tussen haar en A, die haar regels kende toen hij de aansluiting aanvroeg, geen overeenstemming bereikt zou worden;

h. redelijkheid en billijkheid niet aan toewijzing van de vordering in de weg staan.

A is derhalve gehouden om de nota’s van NVM terzake de installatie en het gebruik van de box c.a., waarvan de omvang onbetwist is gebleven, aan NVM te voldoen.

6. Ook de door NVM gevorderde rente is toewijsbaar. Op alle facturen is een betalingstermijn van 14 dagen genoemd. Dat is een alleszins redelijke termijn en geenszins onredelijk bezwarend.

Buitengerechtelijke kosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 6:96 BW toewijsbaar, ook als de vordering terzake op algemene voorwaarden gegrond is. Artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft de grondslag daarvoor. Dat er buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, is genoegzaam gebleken. Het terzake gevorderde bedrag is niet buiten proportie. De rechtbank zal die kosten als gevorderd aan NVM toewijzen.

Als de in conventie in het ongelijk gestelde partij zal A worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

7. Op dezelfde gronden als waarop de vordering in conventie toewijsbaar is, dient de vordering in reconventie afgewezen te worden. Ook hier dient A, als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het geding te dragen.

In de vrijwaring: (931/2004)

8. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen is door B verklaard dat hij voor het lidmaatschap van NVM voor het kantoor Q, naast de jaarlijkse contributie, een eenmalige entreesom van f. 17500,00 heeft moeten betalen en dat het in de koopovereenkomst opgenomen bedrag van € 4538,00 (dat de tegenwaarde in euro van f. 10000,00 is) een door hem bedongen bedrag als tegemoetkoming in die kosten is geweest dat met een onjuiste omschrijving in de koopakte terecht is gekomen.

Door NVM is ter comparitie bevestigd dat voor een nieuw aangemeld kantoor of filiaal van een kantoor een eenmalig bedrag aan entreegeld van f. 17500,00 exclusief BTW verschuldigd was.

9. De rechtbank aanvaardt de lezing van B. Zij is plausibel hetgeen mede blijkt uit een overgelegde productie waaruit afgeleid moet worden dat de vestiging Q van B pas op 13 februari 2002 is aangemeld. Dat er sprake is van een koopsom voor het lidmaatschap van NVM daarentegen is ongeloofwaardig. Zou aanvaard worden dat het lidmaatschap van een beroepsvereniging als NVM verkocht kan worden -en dan ook nog zonder dat zij daarvan vooraf op de hoogte gesteld is, laat staan daaraan haar toestemming gegeven heeft en aan iemand die, zoals A helemaal geen makelaar is- zou dat immers tot gevolg hebben dat een dergelijke vereniging tegen haar wil met Jan en alleman als lid kan worden opgezadeld. Dat nu kan niet zo zijn en A had dat, zeker nu zij zich als financieel adviesbureau afficheert en daarom over tenminste enige juridische kennis moet beschikken, moeten weten, zo zij het niet al wist.

Verwezen wordt in dit verband ook naar het zogenaamde Haviltex-arrest.

Of B aan A verzekerd heeft, zoals door A gesteld is, dat overname van haar kantoor Q door een niet NVM-lid geen problemen en/of beperkingen zou opleveren voor het al dan niet overgaan van het NVM-lidmaatschap kan in het midden blijven. Op grond van de onder 4 hierboven weergegeven feiten wist A, reeds voordat zij met B contracteerde, dat dit niet zo was.

De vordering wordt derhalve afgewezen en als de in het ongelijk gestelde partij zal A in de kosten van het geding veroordeeld worden.

RECHTDOENDE

in de hoofdzaak: (540/2004)

in het vrijwaringsincident:

Veroordeelt A in de kosten van dit incident, aan de zijde van NVM begroot op € 384,00 wegens salaris van haar procureur.

In conventie:

Veroordeelt A om aan NVM te betalen een bedrag van € 7886,62 (achtenzeventighonderd zesentachtig euro en tweeënzestig cent) met de wettelijke rente over € 6720,69 van 18 mei 2004 tot de dag van betaling.

Veroordeelt A in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NVM begroot op € 358,40 aan verschotten en € 768,00 wegens het salaris van haar procureur.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt A in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van NVM begroot op nihil.

In de vrijwaringsprocedure: (931/2004)

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt A in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van B begroot op € 288,00 aan verschotten en € 768,00 wegens salaris van haar procureur.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Breitbarth en is op 26 januari 2005 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.