Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS3844

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
28-02-2005
Zaaknummer
03 / 834 WAO N1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schatting op basis van CBBS. Onvoldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Registratienummer: 03 / 834 WAO N1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A e/v B, wonende te C, eiseres,

gemachtigde: mr. A. Kompier, werkzaam bij Buro voor Rechtshulp te Zutphen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

locatie Hengelo, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 augustus 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiseres was werkzaam als schoonmaakster gedurende gemiddeld 20 uur per week. Wegens rugklachten is haar per einde wachttijd met ingang van 18 februari 1998 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 25 maart 2003 heeft verweerder deze uitkering met ingang van 20 mei 2003 ingetrokken, aangezien eiseres ingaande deze datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de WAO.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 23 april 2003 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich blijkens het beroepschrift van 17 september 2003 niet met dit besluit verenigen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 december 2004, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dit bezwaar was gericht tegen de intrekking van de door eiseres ontvangen uitkering ingevolge de WAO met ingang van 20 mei 2003.

Juridisch kader

Wat moet worden verstaan onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, is nader omschreven in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Gelet op de wettekst moet de mate van arbeidsongeschiktheid niet alleen op medische, maar ook op arbeidskundige gronden worden bepaald. Bekeken moet worden welke verdiensten de betrokkene thans zou hebben gehad als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, en welke verdiensten zij nog in staat is te verwerven als rekening wordt gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Het verschil tussen beide wordt aangemerkt als het verlies aan verdiencapaciteit. Uitgedrukt in een percentage is dit de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Om te beoordelen of verweerders besluit op goede gronden berust, dient te worden bezien of de medische mogelijkheden en beperkingen juist zijn vastgesteld en of er voor eiseres nog arbeid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO is aan te wijzen, die zij met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen kan verrichten.

Volgens artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) is de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Artikel 3, eerste lid, van het Schattingsbesluit bepaalt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ertoe strekt vast te stellen of betrokkene ten gevolge van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ongeschikt is tot werken. Volgens het tweede lid onderzoekt de verzekeringsarts daarbij of bij betrokkene sprake is van vermindering of verlies van lichamelijke of psychische structuur of functie, die vermindering of verlies van normale gedragingen en activiteiten en van normale sociale rolvervulling tot gevolg heeft. Ten slotte stelt op grond van het derde lid de verzekeringsarts vast welke beperkingen betrokkene in zijn functioneren in arbeid ondervindt ten gevolge van het verlies of vermindering van vermogens, bedoeld in het tweede lid, alsmede in welke mate betrokkene belastbaar is voor arbeid. Als kwaliteitseis aan dit onderzoek stelt artikel 4, eerste lid onder b, onder andere dat een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek tot dezelfde bevindingen en conclusies zal kunnen leiden.

In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is verder vastgelegd dat artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meebrengt dat een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde op een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek dient te zijn gebaseerd (onder andere CRvB 12 mei 2000, RSV 2000, 147).

Besluitvorming verweerder

In het onderhavige geval heeft de medewerker verzekeringsarts mevrouw M.J.M. Wilens, onder verantwoordelijkheid van verzekeringsarts A.J. Wolbers, op 20 februari 2003 rapport uitgebracht en is daarin tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een lumbale kanaalstenose. Voorts is er sprake van bewegingsangst en vermijdingsgedrag. Op basis van deze conclusie is een functionele-mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Er zijn beperkingen aangegeven op de items aanpassing aan fysieke omgevingseisen (trillingsbelasting ten aanzien van de rug), dynamische handelingen (buigen, tillen of dragen, lopen, traplopen, klimmen) en statische houdingen (zitten en staan). Lopen en staan dienen te worden afgewisseld met zitten.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H.J.M. van der Gracht bekeken of er voldoende functies te duiden waren die eiseres ondanks haar beperkingen nog zou kunnen vervullen. Blijkens de rapportage van 19 maart 2003 is de arbeidsdeskundige van mening dat dergelijke arbeid inderdaad nog aanwijsbaar is en dat eiseres hiermee meer dan 100% zou kunnen verdienen van het te dezen in aanmerking te nemen loon van een geheel valide schoonmaakster.

Gelet op bovenstaande medische en arbeidskundige bevindingen heeft verweerder bij besluit van 25 maart 2003 besloten de WAO-uitkering van eiseres per 20 mei 2003 te beëindigen.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans. In zijn rapport van 6 juli 2003 komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat de bezwaren geen aanleiding vormen tot herziening van de medische grondslag waarop het primaire besluit is gebaseerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding van het advies van de bezwaarverzekeringsarts besloten het bezwaarschrift van eiseres ongegrond te verklaren.

Standpunten van partijen

Eiseres voert aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek ondeugdelijk is geweest. Zo is zij noch door de verzekeringsarts noch door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht maar door een medewerker verzekeringsarts. Eiseres voert voorts aan dat er, in tegenstelling tot eerdere WAO-beoordelingen, geen urenbeperking is aangenomen. Het schrappen daarvan is niet gemotiveerd. Eiseres stelt vervolgens dat haar woning is aangepast (traplift, toilet en douche) en dat zij over een speciale stoel, een rolstoel en een scootmobiel beschikt. Deze traplift is op of omstreeks maart 2003 geplaatst. Hieruit vloeit voort dat zij meer is beperkt dan verweerder veronderstelt, aldus eiseres. Eiseres stelt met name dat uit de plaatsing van de traplift in haar woning blijkt dat zij geen 2 keer per uur in een keer de trap op en af kan. Tevens heeft verweerder geen rekening gehouden met haar psychische beperkingen die voortvloeien uit een depressie en die hebben geleid tot zelfmoordgedachten. Bij het onderzoek voorafgaand aan het primaire besluit kreeg eiseres geen gelegenheid haar psychische problemen aan de orde te stellen. De depressie is door haar huisarts gediagnosticeerd. Eiseres acht zich dan ook meer beperkt ten aanzien van de items persoonlijk functioneren, aanpassing fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.

Verweerder merkt ten eerste op dat de WVG-voorzieningen blijkbaar ten tijde van het onderzoek nog niet waren geplaatst, aangezien eiseres hiervan niet in een eerder stadium melding heeft gemaakt. Voorts merkt verweerder op dat deze voorzieningen, welke gericht zijn op het functioneren in huis (voornamelijk lopende en staande activiteiten), niet betekenen dat eiseres niet geschikt is te achten voor overwegend zittend werk. Verweerder stelt vervolgens dat bij eiseres forse beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van loop- en stabewegingen. Eiseres is dan ook aangewezen op overwegend zittend werk met daarbij de mogelijkheid om te vertreden. Verweerder is derhalve van mening dat hij maximaal rekening heeft gehouden met het onvermogen door de lumbale kanaalstenose. Ten aanzien van de vermeende urenbeperking stelt verweerder dat de omvang van de maatman 20 uur per week bedraagt alsmede dat de geduide functies overwegend zittend werk omvatten, zodat de noodzaak van een urenbeperking vervalt.

Overwegingen van de rechtbank over de medische aspecten

1. Eiseres heeft aangevoerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts ondeugdelijk is geweest en zij niet door een arts is onderzocht. Gelet op de stukken en het behandelde ter zitting, waaruit volgt dat eiseres wel door een verzekeringsarts is onderzocht, begrijpt de rechtbank dat eiseres aanvoert dat het onderzoek door de arts niet voldoende is geweest. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of verweerder in deze zaak heeft gehandeld overeenkomstig het hiervoor geschetste juridisch kader door bij het wettelijk voorgeschreven onderzoek een medewerker verzekeringsarts in te schakelen op de wijze zoals hier is geschied.

2. Daarbij staat voorop dat mevrouw M.J.M. Wilens geen verzekeringsarts is. Zij heeft niet de studie en praktijkopleiding doorlopen van een arts. Zij moet daarom niet in staat worden geacht zich zelfstandig volgens de geldende kwaliteitsnormen een oordeel te kunnen vormen over de medische aspecten van arbeidsongeschiktheid, met name de beperkingen van een verzekerde. Verweerder heeft dit steeds erkend, waar hij heeft benadrukt dat de medewerker verzekeringsarts werkt onder supervisie van een verzekeringsarts en dat het de verzekeringsarts is die de beperkingen uiteindelijk vaststelt.

3. De rechtbank acht de inschakeling van een medewerker verzekeringsarts bij het medisch onderzoek niet op voorhand in alle gevallen in strijd met de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit en artikel 3:2 van de Awb. De tekst van het Schattingsbesluit noch de wetsgeschiedenis daarvan sluit uit, dat de verzekeringsarts bepaalde delen van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door anderen laat uitvoeren. Voorwaarde is dan wel dat de verzekeringsarts verantwoordelijk blijft voor het gehele onderzoek en dat hij de uiteindelijke beslissingen neemt. Dat wil met name zeggen dat de verzekeringsarts de beslissing neemt over de vaststelling van de beperkingen van de verzekerde en de inhoud van de functionele-mogelijkhedenlijst. Dit oordeel van de rechtbank is in overeenstemming met punt 3 van onderdeel 2 van de Verzekeringsgeneeskundige standaard Onderzoeksmethoden (Lisv-mededeling M.00.105 van 5 oktober 2000).

4.1 Wel geldt dat het beoordelingsgesprek van de verzekeringsarts met de verzekerde een zeer belangrijk onderdeel is van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Dit gesprek is het centrale punt in de procedure waarin informatie over de verzekerde kan worden vergaard en conclusies met de verzekerde kunnen worden besproken. Gerichte anamnese, observatie van verzekerde en eventueel lichamelijk onderzoek komen hier samen. De rechtbank wijst ook op de nota van toelichting bij het Schattingsbesluit (Staatsblad 2000, 307; bladzijde 16). Daarin staat dat het beoordelingsgesprek de belangrijkste onderzoeksmethode is voor het vaststellen van de ongeschiktheid als gevolg van ziekte.

4.2 Daarbij moet tevens worden bedacht dat het beoordelingsgesprek een grotere bijdrage levert aan het onderzoek als het wordt afgenomen door de verzekeringsarts zelf. Het gaat immers in het beoordelingsgesprek niet alleen om de mededelingen van de verzekerde, maar ook om de indrukken van de verzekeringsarts over de plausibiliteit en consistentie van gegevens bij het gesprek met en observaties van de cliënt (onderdeel 3.2.2 standaard Onderzoeksmethoden). Het medisch onderzoek omvat mede observaties. Observaties zijn onlosmakelijk met het beoordelingsgesprek verbonden. Met een gerichte anamnese toetst bovendien de verzekeringsarts de factoren die tot het onvermogen leiden aan zijn eigen sociaal-medisch referentiekader (onderdeel 3.2.3 standaard Onderzoeksmethoden).

4.3 Het bovenstaande geldt naar het oordeel van de rechtbank in nog sterkere mate in gevallen waarin de medische oorzaak van beperkingen niet of slechts moeizaam is vast te stellen. Zij vindt voor dit oordeel steun in een brief van het Ctsv van 1 september 1997 zoals aangehaald in de nota van toelichting bij het Schattingsbesluit (bladzijde 15/16), de standaard Onderzoeksmethoden (onderdeel 3.2.2) en de standaard Verminderde arbeidsduur (Lisv-mededeling M.00.039 van 13 april 2000, onderdeel 6.5.3 slot).

4.4 De rechtbank voegt daar ten slotte aan toe dat ook bij psychische klachten en beperkingen een onderzoek door een verzekeringsarts zelf van groter belang is. Dit zijn immers over het algemeen niet eenvoudig te herkennen en vast te stellen beperkingen. Bovendien spelen daarin observaties een relatief grote rol.

4.5 Dit betekent dat de vrijheid van een verzekeringsarts om een deel van het beoordelingsgesprek niet zelf uit te voeren maar te delegeren aan een ander dan een arts, beperkt kan zijn. In bepaalde gevallen dient de kennis en ervaring van een arts te worden ingezet tijdens het beoordelingsgesprek om zeker te stellen dat sprake is van een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek. De omstandigheden van het geval bepalen wanneer dit noodzakelijk is. Daarbij spelen onder andere de hiervoor genoemde factoren een rol.

4.6 De rechtbank heeft in een aantal uitspraken, kort weergegeven, het volgende geoordeeld. Als er sprake is van moeizaam te objectiveren psychische beperkingen (klachten van neurologische en psychische aard), dient het beoordelingsgesprek gevoerd te worden door de verzekeringsarts en kan dit dan ook niet worden uitgevoerd door een medewerker verzekeringsarts, gelet op de in acht te nemen zorgvuldigheid. Als er sprake is van een moeizaam te objectiveren lichamelijke aandoening, zoals fibromyalgie en whiplash, dient het beoordelingsgesprek uitgevoerd te worden door de verzekeringsarts, gelet op de in acht te nemen zorgvuldigheid. Ditzelfde geldt voor andere claimklachten die niet of moeizaam objectiveerbaar zijn, zoals pijnen waarvoor geen lichamelijke oorzaak kan worden gegeven.

5.1 In het onderhavige geval doet zich bij de beoordeling door de primaire verzekeringsarts geen van deze gevallen voor, zodat de rechtbank niet dient na te gaan in hoeverre dit gebrek in de bezwaarprocedure is hersteld. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder geen reden had om aan te nemen dat eiseres psychische problemen had die aanleiding zouden moeten zijn voor beperkingen op psychisch vlak. Het dossier noch de gesprekken met de verzekeringsarts en diens medewerker gaven aanleiding tot het vermoeden dat eiseres leed aan psychische problemen. Eiseres stelt nu dat zij van de verzekeringsarts en diens medewerker niet de gelegenheid heeft gehad haar psychische problemen aan de orde te stellen. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. Afgezien van bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn gesteld, moet eiseres in staat worden geacht in een gesprek dit onderwerp ter sprake te brengen.

5.2 De rechtbank overweegt dat evenmin sprake is van moeilijk te objectiveren lichamelijke aandoeningen. Bij eiseres is sprake van rugproblemen die zijn terug te voeren op een duidelijke lichamelijke oorzaak, namelijk een lumbale kanaalstenose.

5.3 De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval bij de primaire beoordeling geen gronden bestaan om te oordelen dat het gehele beoordelingsgesprek door de verzekeringsarts diende te worden uitgevoerd. Ook anderszins heeft eiseres geen gronden aangevoerd waaruit volgt, dat het onderzoek bij de primaire beoordeling onzorgvuldig zou zijn. Het onderzoek is daarom zorgvuldig te achten en dus in overeenstemming met artikel 3:2 van de Awb en de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit.

6.1 Dit oordeel is echter anders voor het in de bezwaarprocedure uitgevoerde onderzoek. Eiseres heeft tijdens de telefonische hoorzitting in bezwaar op 24 juni 2003 melding gemaakt van psychische klachten. Daarbij heeft zij volgens het verslag gezegd dat zij vorig jaar iets “ergs” had gedaan. Bij de behandeling van het beroep ter zitting heeft eiseres toegelicht dat het hierbij gaat om een zelfmoordpoging. De rechtbank overweegt dat het eiseres vrij stond dit gegeven in bezwaar als nadere grond aan te voeren. Het had op de weg van verweerder gelegen tijdens de hoorzitting door te vragen naar de gestelde psychische klachten en naar hetgeen eiseres naar eigen zeggen had gedaan. Als eiseres vervolgens haar stelling voldoende had toegelicht, had de bezwaarverzekeringsarts een nader onderzoek moeten instellen. Anders dan verweerder stelt, had een nadere onderbouwing van deze grond met medische stukken, niet zonder meer van eiseres kunnen worden verlangd. Uit de overgelegde stukken, waaronder met name het verslag van de hoorzitting en het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, blijkt echter niet van enig doorvragen op de hoorzitting of van enig nader onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts.

6.2 Verweerder heeft ter zitting nog gesteld dat eiseres zelf heeft gekozen voor een telefonische hoorzitting waardoor een bezwaarverzekeringsarts haar niet kon onderzoeken. De rechtbank verwerpt dit betoog. Of nader onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts noodzakelijk is, staat primair ter beoordeling van verweerder, niet van eiseres. Verder had eiseres geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de keuze voor een telefonische hoorzitting betekende dat een noodzakelijk te achten onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts achterwege zou blijven.

7. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in 1998 bij een eerdere beoordeling aangenomen urenbeperking is vervallen. Hij voert aan dat een urenbeperking voor eiseres niet nodig is als zij, volgens de voor haar geldende beperkingen, voornamelijk zittend werk verricht. Verweerder heeft echter geen verbetering van de lichamelijke toestand van eiseres vastgesteld. Daarmee laat zich niet verenigen dat zonder nadere motivering in vergelijking met 1998 zowel de urenbeperking is vervallen als de belastbaarheid op het punten zitten is verhoogd van een half uur aaneengesloten naar een uur aaneengesloten.

8. De rechtbank verwerpt wel de stelling van eiseres dat verweerder de beperkingen, die voortvloeien uit de lumbale kanaalstenose, niet juist heeft vastgesteld omdat in haar woning WVG-voorzieningen zijn aangebracht. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de gestelde voorzieningen niet hoeven te impliceren dat eiseres ook ongeschikt is voor werk dat de door verweerder aangenomen beperkingen van eiseres niet overschrijdt.

Overwegingen van de rechtbank over de arbeidskundige aspecten

9.1 Op 9 november 2004 heeft de CRvB een aantal uitspraken (onder meer LJN AR 4716) gewezen waarin onder meer het zogeheten claimbeoordelings- en borgingssyteem (CBBS) als ondersteunend systeem bij de beoordeling van aanspraken op een uitkering ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten beoordeeld is. Kort samengevat heeft de CRvB geoordeeld dat het CBBS als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten, rechtens aanvaardbaar is.

Echter, de CRvB heeft ook een aantal bedenkingen geuit waar het betreft de inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid van het systeem. De CRvB heeft hierbij onder meer het oog gehad op het gegeven dat in de FML de nummering van de belastbaarheidsaspecten niet overeenstemt met de nummering van de naar inhoud overeenkomende (matchende) items in de lijsten met de functiebelastinggegevens, het feit dat in het dossier geen signaleringen meer voorkomen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, alsmede het gegeven dat het CBBS naast matchende items, ook niet-matchende items kent die niet door het geautomatiseerde systeem worden vergeleken. De CRvB is van oordeel dat, zolang het CBBS niet is aangepast, hoge(re) eisen gesteld dienen te worden aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende schattingsbesluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten. Voldoet het besluit hier niet aan, dan komt het wegens strijd met de artikelen 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

9.2 Indien deze jurisprudentie wordt toegepast op de onderhavige zaak constateert de rechtbank dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

10. Onder de gedingstukken bevindt zich geen transponeringstabel zodat niet op vrij eenvoudige wijze de belastbaarheidsaspecten vergeleken kunnen worden met de naar inhoud overeenkomende items van de functiebelastingen.

11.1 Verder blijkt uit de rapportage van de arbeidsdeskundige Van der Gracht dat door het CBBS functies zijn geselecteerd met signaleringen/overschrijdingen die toch zijn geduid. Uit de stukken blijkt echter niet welke functies dit zijn en op welke punten de vastgestelde beperkingen en/of de normaalwaarden zijn overschreden. Het besluit is daarom op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

11.2 Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder gevolgde redenering ter duiding van de functies de toets der kritiek niet kan doorstaan. De arbeidsdeskundige heeft deze signaleringen zonder overleg met de verzekeringsarts akkoord bevonden als de FML op het betreffende punt niet vermeldt dat eiseres niet bovennormaal belastbaar is. Ter zitting heeft verweerder echter ook gesteld dat in het geval een verzekeringsarts een betrokkene slechts normaal belastbaar acht, hij dit niet noodzakelijkerwijs in de FML vermeldt. Hij kan in dat geval ook de in het CBBS gegeven normaalwaarde laten staan. Dit betekent dat het niet is uit te sluiten dat de arbeidsdeskundige voor eiseres een functie geschikt heeft bevonden die op een bepaald punt een bovennormale belasting kent, terwijl de verzekeringsarts eiseres slechts normaal belastbaar heeft geacht. Weliswaar stelt de rapportage van Van der Gracht dat de functies nog uitvoerig met de verzekeringsarts zijn doorgenomen en deze de functies heeft goedgekeurd. Echter een verslag van dit overleg ontbreekt zodat op geen enkele wijze is na te gaan wat de inhoud, strekking en omvang van dit overleg is geweest.

12. Enkel wat betreft de niet-matchende items is de rechtbank van oordeel dat verweerder een voldoende motivering heeft gegeven. Het gaat daarbij alleen om de in de FML aangenomen beperkingen van lopen afwisselen met zitten en afwisselende werkhouding.

De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage aangegeven dat in de geduide functies voldoende regelmogelijkheden zijn om even te gaan staan of lopen, terwijl ditzelfde expliciet blijkt uit de overgelegde functiebeschrijvingen.

13. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten voor een voor een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de reiskosten van eiseres voor het verschijnen ter zitting.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 650,80, te weten EUR 644,-- aan kosten voor rechtsbijstand en EUR 6,80 aan reiskosten, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan eiseres;

- verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het griffierecht ad EUR 31,- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen door mr. M.E. van Wees, mr. A.M.S. Kuipers en mr. R.J. Jue, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2005.

Afschrift verzonden op

CK