Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2005:AS3751

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
25-01-2005
Datum publicatie
25-01-2005
Zaaknummer
08/000145-4
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

de officier van justitie vindt dat de verdachte in deze zaak zich (onder meer) samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, diefstal en bedreiging van twee bezoekers van nachtclub trocodero. hij eist 5 jaar gevangenisstraf. de rechtbank spreekt vrij van de diefstal en de bedreiging en beschouwt het geweld in de trocodero als een poging tot zware mishandeling. ze legt 6 maanden gevangenisstraf op en de verplichting tot vergoeding van schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/000145-04

STRAFVONNIS

Uitspraak: 25/1/2005.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats], op [datum] 1951,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam] te [plaats],

terechtstaande terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 17 april 2004 in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer1] en/of [slachtoffer2], van het leven te beroven, met dat opzet tezamen met zijn, verdachtes, mededader(s) en/althans alleen, die [slachtoffer1] en/of die [slachtoffer2]:

-met (een) honkbalknuppel(s) en/of een ketting en/althans (telkens) met een

(hard) voorwerp, meermalen met kracht op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft

geslagen, en/of

-meermalen, althans eenmaal, met kracht in/tegen het hoofd en/of het lichaam

heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 287 Wetboek van Strafrecht.

art. 45, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

art. 47, lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat:

hij op of omstreeks 17 april 2004 in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen, aan een of meer perso(o)n(en), genaamd [slachtoffer1] en/of

[slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen met zijn, verdachtes, mededader(s) en/althans alleen, die [slachtoffer1] en/of die

[slachtoffer2]:

-met (een) honkbalknuppel(s) en/of een ketting en/althans (telkens) met een

(hard) voorwerp, meermalen met kracht op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft

geslagen, en/of

-meermalen, althans eenmaal, met kracht in/tegen het hoofd en/of het lichaam

heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art. 302, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

art. 45, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat:

hij op of omstreeks 17 april 2004 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer1] en/of een persoon, genaamd [slachtoffer2], heeft gestompt en/of geslagen met de hand, de vuist, een ketting en/of een honkbalknuppel, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd en het lichaam, waardoor voornoemde [slachtoffer1] en [slachtoffer2] letsel hebben bekomen en/of pijn hebben ondervonden;

art. 300, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

art. 47, lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

2.

hij op of omstreeks 17 april 2004 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen an/althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Euro 105,=, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of verdachtes mededaders) die [slachtoffer1]:

-met (een) honkbalknuppel(s) en/of een ketting en/althans (telkens) met een

(hard) voorwerp, meermalen met kracht op/tegen het hoofd en/of lichaam

heeft/hebben geslagen, en/of

-meermalen, althans eenmaal, met kracht in/tegen het hoofd en/of het lichaam

heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, en/of

-een of meer (vuur)wapen(s) en/althans (een) op (een) vuurwapen(s)

gelijkend(e) voorwerp(en) op/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam

heeft/hebben gericht (gehouden) en/of gedrukt/geduwd;

art. 310 Wetboek van Strafrecht.

art. 312, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

3.

hij op of omstreeks 17 april 2004 in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer2] en [slachtoffer1] heeft bedreigd:

-met openlijk geweld met verenigde krachten tegen personen en/of goederen;

-met enig misdrijf waardoor de algemene veiligheid van personen en/of goederen

in gevaar werd gebracht;

-met enig misdrijf tegen het leven gericht;

-met zware mishandeling;

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend een pistool, althans een vuurwapen of een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp op [slachtoffer2] en [slachtoffer1] gericht, althans met een

vuurwapen ten overstaan van hen gemanipuleerd;

art. 285, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

art. 47, lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

4.

hij op of omstreeks 23 juli 2003 in de gemeente Enschede, opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer3], heeft geslagen en getrapt tegen de nek en het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 300, lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 primair, sub 2 en sub 3 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen –die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen-

waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 subsidiair en het sub 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 17 april 2004 in de gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, aan personen genaamd [slachtoffer1] en [slachtoffer2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tezamen met zijn, verdachtes, mededaders die [slachtoffer1] en die [slachtoffer2]:

-met honkbalknuppels met kracht op/tegen het hoofd en het lichaam heeft

geslagen en

-met kracht tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.

hij op of omstreeks 23 juli 2003, in de gemeente Enschede, opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer3], heeft geslagen tegen het lichaam, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het ten laste gelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het hiervoor sub 1 subsidiair bewezen verklaarde nog het volgende:

Uit de door aangevers [slachtoffer1 en2] bij de politie en bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen acht de rechtbank in voldoende mate vast komen te staan dat verdachte degene is geweest, die in eerste instantie -nadat in het bargedeelte een geschil over al dan niet genoten c.q. bestelde consumpties was ontstaan- de beide aangevers heeft gedirigeerd aar een ruimte, gelegen aan de achterzijde van de zaak. Eveneens is uit voormelde verklaringen naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast komen te staan dat verdachte vervolgens samen met de medeverdachten [naam1] en [naam2], de beide aangevers naar bedoelde ruimte heeft begeleid, die ruimte met hen heeft betreden en daar vervolgens is geconfronteerd met de jegens vader en zoon [slachtoffer1 en2] bewezen verklaarde geweldplegingen. Uit de verdere verklaringen van de slachtoffers [slachtoffer1 en2] kan weliswaar worden afgeleid dat het optreden van verdachte bij deze geweldplegingen -in tegenstelling tot de medeverdachten [naam1] en [naam2]- minder bruut van aard is geweest, verdachte is daarentegen wel in bedoelde ruimte gebleven en heeft geen pogingen ondernomen om het geweld te doen stoppen dan wel zich daarvan te distantiëren. Integendeel, verdachte heeft [slachtoffer2] belet om zijn zoon te hulp te schieten toen die werd aangevallen. Bovendien had verdachte de politie in kennis kunnen stellen van hetgeen zich in bedoelde ruimte afspeelde, hetgeen hij ook heeft nagelaten. Aldus heeft verdachte zich aangesloten bij- en bijgedragen tot het gewelddadig optreden van zijn medeverdachten en derhalve met hen bewust samengewerkt aan de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 subsidiair en sub 4 meer of anders is ten laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 subsidiair, het misdrijf:

"Medeplegen van poging tot zware mishandeling",

strafbaar gesteld bij artikel 302, lid 1, juncto artikel 45, lid 1 en 47, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

en wat betreft sub 4, het misdrijf:

"Mishandeling",

strafbaar gesteld bij artikel 300, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht;

De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake het sub 1 primair, sub 2, sub 3 en sub 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest,

met integrale toewijzing van de civiele vorderingen van [slachtoffer1] en [slachtoffer2] en telkens oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel,

met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen mobiele telefoons en bijbehorende oplaadapparatuur en teruggave van de administratieve bescheiden aan verdachte.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf en de maatregel behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte heeft zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een tweetal bezoekers van de nachtclub “Trocodero” te Enschede. Aanleiding hiertoe vormde een geschil tussen beide bezoekers –vader en zoon [slachtoffer1 en2]- enerzijds en de eigenaar van genoemde horecagelegenheid dan wel verdachte anderzijds omtrent door eerstgenoemde personen al dan niet genoten c.q. bestelde consumpties.

Tijdens de discussie die hierop volgde, zijn vader en zoon [slachtoffer1 en2] door verdachte en de mededaders [naam1] en [naam2] naar een ruimte achterin de zaak geleid, alwaar zij vervolgens werden geslagen en geschopt. De omstandigheid dat beide slachtoffers hierbij geen zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen is, gelet op het feit dat bij het uitgeoefende geweld ook honkbalknuppels werden gehanteerd, te beschouwen als een gelukkige, die geenszins aan de verdienste van verdachte en zijn mededaders is te danken.

Op het plegen van een dergelijk flagrant geweldsdelict, waardoor verdachte en zijn mededaders niet alleen de menselijke waardigheid van de slachtoffers op grove wijze hebben miskend, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hebben teweeggebracht c.q. versterkt, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden gereageerd met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als na te melden.

Bij het bepalen van de duur hiervan heeft de rechtbank rekening houden met de omstandigheid dat verdachte bij de feitelijke uitoefening van het geweld een minder zwaar aandeel heeft gehad dan zijn medeverdachten.

Civiele vorderingen:

De rechtbank overweegt verder, dat [slachtoffer1], wonende te [adres1] en [slachtoffer2], wonende te [adres2], ter zake van het hiervoor sub 1 subsidiair bewezen verklaarde feit, zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van respectievelijk

€ 1444,50 ([slachtoffer1]) en € 1757,= ([slachtoffer2]).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze vorderingen van de benadeelde partijen ten dele gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade is toegebracht.

De schade bedraagt telkens minder dan het gevorderde bedrag, namelijk € 568,50 voor wat betreft de benadeelde partij [slachtoffer1] en € 1057,= voor wat betreft de benadeelde partij [slachtoffer2], zodat de vorderingen tot die bedragen toewijsbaar zijn, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in het resterende deel van de vorderingen.

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

De na te melden straf en maatregel zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10,27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair, sub 2 en sub 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 subsidiair en sub 4 ten laste gelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes maanden.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte, terzake van het sub 1 subsidiair bewezen feit tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1] voornoemd, van een bedrag groot: € 568,50 (zegge: vijfhonderdachtenzestig euro en vijftig eurocent ), en aan de benadeelde partij

[slachtoffer2] voornoemd, van een bedrag groot € 1057,= (zegge: éénduizend zevenenvijftig euro, telkens voorzover dit bedrag niet door een mededader zal zijn betaald.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het sub 1 subsidiair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 568,50 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer1], voornoemd, en van een bedrag groot € 1057,= ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer2] voornoemd, telkens met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van respectievelijk 3 en 7 dagen zal worden toegepast, een en ander voorzover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan.

Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedragen daarmee telkens de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partijen het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee telkens de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat voornoemde benadeelde partij: [slachtoffer1], voor een deel van € 876,= en voornoemde benadeelde partij [slachtoffer2], voor een deel van € 700,= niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat de benadeelde partijen dat gedeelte van de vordering telkens slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 subsidiair en sub 4

meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een vijftal mobiele telefoons van het merk Nokia en Motorola, met bijbehorende oplaadapparatuur, alsmede een aantal administratieve bescheiden, zoals telkens nader omschreven op de zich in het procesdossier bevindende lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de datum waarop de opgelegde straf gelijk is aan de in voorarrest doorgebrachte tijd.

Aldus gewezen door mr. Berg, voorzitter, mrs. Stoové en Maten, rechters, in tegenwoordigheid van Ter Haar, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 januari 2005.