Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2004:AR8793

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
03 / 329 GEMWT AG1 A, 03 / 995 GEMWT AG1 A
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AT3708
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diepenveense schuttersfeesten 2002 en 2003. Geluidsoverlast. Gebruik van agrarisch gebied.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AT3708.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Registratienummers: 03 / 329 GEMWT AG1 A

03 / 995 GEMWT AG1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

[eiser] e.a., wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr. H.J.P. Robers, advocaat te Hengelo,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hof van Twente en de Burgemeester van de gemeente Hof van Twente, verweerders,

Derde-belanghebbende: Diepenheimse Schutterij, vergunninghouder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerders d.d. 25 februari 2003 (verzonden 5 maart 2003)(Schuttersfeest 2002) en besluit van verweerders d.d. 14 oktober 2003 (verzonden 17 oktober 2003)(Schuttersfeest 2003).

2. De feiten en het verloop van de procedure

2.1 Schuttersfeest 2002

Bij besluit van 16 juli 2002 hebben verweerders in verband met het Diepenheimse Schuttersfeest 2002:

- ontheffing verleend als bedoeld in artikel 4.1.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV);

- vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.2.2. van de APV ten behoeve van het organiseren van schietwedstrijden, een kermis en een feest- en spelmiddag;

- vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1.2.1. van de APV voor het houden van een rondgang;

- vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1.5.1. van de APV voor het plaatsen van maximaal 15 reclameborden.

Dit besluit is bij brief van 20 juli 2002 aan eisers bekend gemaakt.

Bij brief van 11 augustus 2002 heeft de heer [eiser] namens een aantal buurtbewoners een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 16 juli 2002. Bij brief van 21 augustus 2002 heeft de heer [eiser 2] tevens een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 3 september 2002 hebben de bezwaarmakers hun verzoek om voorlopige voorziening, dat ter zitting van 29 augustus 2002 door de voorzieningenrechter is behandeld, ingetrokken.

Eisers hebben op 21 oktober 2002 ten overstaan van de Commissie bezwaarschriften (hierna: commissie) hun bezwaren tijdens een hoorzitting nader toegelicht.

Op 18 november 2002 heeft wederom een hoorzitting plaatsgevonden waarbij de heer [eiser 2] in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren nader toe te lichten.

De commissie heeft verweerders op 18 november 2002 geadviseerd om de bezwaren, voor zover gericht tegen vermeend gedogen van strijdig ruimtelijk gebruik, niet-ontvankelijk te verklaren en, voor zover gericht tegen de verleende evenementenvergunning en de ontheffing van de geluidhinderbepaling, ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 4 maart 2003 hebben verweerders conform het advies van de commissie besloten, hetgeen bij brief van 5 maart 2003 aan eisers bekend is gemaakt.

Blijkens het namens eisers op 14 april 2003 ingediende beroepschrift kunnen zij zich niet met dit besluit verenigen. Bij brief van 15 mei 2003 zijn de beroepsgronden ingediend.

Verweerders hebben bij brief van 18 juni 2003 een verweerschrift in het geding gebracht.

Bij brief van 3 juli 2003 heeft de gemachtigde van eisers, mr. H.J.P. Robers, zich teruggetrokken en hebben eisers de behandeling van hun beroep zelf ter hand genomen.

Bij brief van 8 oktober 2003 heeft mr. Robers zich weer als gemachtigde van eisers gemeld.

Bij brieven van 10 oktober 2003 respectievelijk 8 november 2003 heeft de Diepenheimse Schutterij aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.

2.2 Schuttersfeest 2003

Bij besluit van 10 juni 2003 hebben verweerders in verband met het Diepenheimse Schuttersfeest 2003:

- ontheffing verleend als bedoeld in artikel 4.1.7 van de APV;

- vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.2.2. van de APV ten behoeve van het organiseren van schietwedstrijden, een kermis en een feest- en spelmiddag;

- vergunning verleend als bedoeld in de artikelen 2.1.2.1. en 2.1.4.1. van de APV voor het houden van een rondgang;

- vergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1.5.1. van de APV voor het plaatsen van maximaal 15 reclameborden.

Dit besluit is bij brief van 17 juni 2003 aan de gemachtigde van eisers bekend gemaakt.

Bij besluit van 10 juni 2003 (verzonden 17 juni 2003) hebben verweerders het verzoek van eisers d.d. 5 juni 2003 om handhavend op te treden tegen het gebruik van het terrein aan de Borculoseweg als evenemententerrein voor het Schuttersfeest op 26, 27 en 28 september 2003 afgewezen.

Bij brief van 24 juni 2003 is namens eisers een bezwaarschrift tegen de besluiten van 10 juni 2003 ingediend.

Op 8 september 2003 hebben eisers hun bezwaren ten overstaan van de commissie tijdens een hoorzitting nader toegelicht.

De commissie heeft op 8 september 2003 advies aan verweerders uitgebracht.

Bij besluit van 14 oktober 2003 hebben verweerders overeenkomstig dit advies de bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 10 juni 2003 gehandhaafd.

Blijkens het op 4 november 2003 namens voornoemde omwonenden ingediende beroepschrift kunnen zijn zich niet met dit besluit verenigen.

Verweerders hebben op 9 december 2003 een verweerschrift in het geding gebracht.

Bij brief van 17 december 2003 heeft de Diepenheimse Schutterij de rechtbank bericht als partij aan het geding deel te nemen.

Het beroep (geregistreerd onder nummer 03/329) tegen het besluit van verweerders d.d. 5 maart 2003 betreffende het Diepenheimse Schuttersfeest 2002 is gevoegd behandeld met het beroep geregistreerd onder nummer 03/995, dat namens eisers is ingesteld tegen het besluit van verweerders d.d. 17 oktober 2003 betreffende het Diepenheimse Schuttersfeest 2003.

Van eisers zijn [eiser] , [eiser 2] , [eiser 3 t/m 6] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.M. Ouwehand en mevrouw drs. M.A. ten Heuw, ambtenaren van de gemeente Hof Van Twente. De Diepenheimse Schutterij heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Alkema en voorzitter G.J. Bonke.

3. Overwegingen

In geschil is de vraag of de besluiten van 25 februari 2003 (verzonden 5 maart 2003) respectievelijk 14 oktober 2003 (verzonden 17 oktober 2003) in rechte in stand kunnen blijven.

In de beroepschriften, die in beide beroepsprocedures nagenoeg gelijkluidend zijn, wordt namens eisers samengevat het volgende aangevoerd. De bestreden besluiten voldoen naar inhoud en wijze van totstandkoming niet aan de eisen van zorgvuldigheid. Het Schuttersfeest bezorgt eisers onevenredig veel overlast die in geen verhouding staat tot het daarmee te dienen doel. Verweerder heeft geen deugdelijk onderzoek gedaan naar de overlast. Alternatieve locaties zijn niet onderzocht.

Daarnaast heeft verweerder eisers bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard voor zover die zich richten tegen het in de aanbiedingsbrief vervatte (gedoog)besluit, waarbij een bestuurlijk rechtsoordeel is gegeven over de vraag of het gebruik van het perceel ten behoeve van het Schuttersfeest in strijd is met het bestemmingsplan.

Bovendien is het gebruik van het terrein aan de Borculoseweg voor het feest in strijd met de daaraan in het bestemmingsplan gegeven agrarische bestemming en kan het strijdig gebruik, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 9 januari 2002, niet worden gelegaliseerd.

Verweerders stellen zich blijkens de verweerschriften, die in beide beroepsprocedures nagenoeg gelijkluidend zijn, samengevat op het volgende standpunt. Gelet op de bepalingen in de APV zien verweerders geen probleem om de gevraagde vergunningen te verlenen. In de vergunningen is een aantal voorschriften opgenomen om de eventuele overlast zoveel mogelijk te beperken. Niet voorkomen kan echter worden dat een bepaalde mate van overlast ontstaat. Verweerders zijn er in geslaagd om er voor te zorgen dat de overlast niet buitenproportioneel wordt. Ook de omwonenden hebben in 2002 geen melding gedaan van overlast.

Het gebruik van het terrein kan geen onderdeel zijn van het geschil aangezien eisers de evenementenvergunning aanvechten. Dit heeft volgens verweerders tot gevolg dat alleen de APV als toetsingskader kan worden beschouwd. Desalniettemin hebben verweerders wel overwogen waarom een vergunning voor het Schuttersfeest is afgegeven. Verweerders menen dat de belangen van een groot deel van de Diepenheimse gemeenschap en de Diepenheimse Schutterij zwaarder wegen dan de belangen van eisers. Daarbij dient volgens verweerders in aanmerking te worden genomen dat er veel voorschriften aan de vergunning verbonden zijn die steeds kunnen worden aangepast en aangescherpt. Er is bovendien slechts voor een periode van drie dagen per jaar sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik die de oorspronkelijke bestemming “Agrarisch kernrandgebied” niet doorkruist. Daarnaast is het terrein aan de Borculseweg het enige terrein dat momenteel geschikt is om als feestterrein te worden gebruikt.

De rechtbank stelt voorop dat het geschil zich op de volgende twee aspecten toespitst:

1. de op basis van de APV verleende ontheffing en vergunningen;

2. het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van het feestterrein (handhaving).

De rechtbank overweegt als volgt.

1. APV

De rechtbank stelt vast dat de door eisers ondervonden overlast vooral betrekking heeft op het geluid. Eisers hebben in hun opdracht geluidmetingen laten verrichten tijdens het Schuttersfeest 2002. Zij wijzen in dit verband op de Nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” uit augustus 1996 van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg. De gemeten geluidsniveaus overschrijden volgens eisers de in deze nota gestelde geluidsnormen.

Verweerders wijzen er op dat er (nog) geen wettelijke geluidsnormen voor (grote) evenementen in de open lucht zijn. Zij hebben dan ook voor regulering van opstelling van de geluidsinstallaties gekozen en niet voor het stellen van normen. Zo zijn de muziekboxen niet in de richting van eisers geplaatst om klachten te voorkomen. Verweerders hebben aldus voor een praktische en pragmatische oplossing gekozen. Ter zitting hebben zij deze handelwijze nader toegelicht. Het hanteren van geluidsnormen bij het Schuttersfeest zou ook gevolgen hebben voor de andere feesten in de gemeente van verweerders. Ook in die gevallen zullen zij dan geluidsnormen moeten stellen terwijl die feesten in vergelijking met het Schuttersfeest anders gelokaliseerd zijn.

Op dit moment hebben verweerders, zo bleek ter zitting, het hanteren van geluidsnormen nog in onderzoek.

De rechtbank onderkent dat een evenement als het Schuttersfeest nu eenmaal met (geluids)overlast gepaard gaat. In dit verband stelt de rechtbank vast dat verweerders aan de verleende evenementenvergunningen zowel in 2002 als in 2003 nadere voorschriften hebben verbonden teneinde geluidsoverlast zoveel mogelijk te beperken. De rechtbank wijst op de gestelde sluitingstijden voor de feesttent en kermisattracties. Daarnaast hebben verweerders in beide jaren ontheffing verleend van artikel 4.1.7 van de APV, waaraan zij onder andere als voorschrift hebben verbonden dat het podium alsmede de luidsprekers zodanig dienen te worden gesitueerd dat deze van de dichtstbijzijnde woonbebouwing zijn afgewend.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat de in 2002 en 2003 verleende evenementenvergunning op basis van de APV kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen en de zedelijkheid of gezondheid. De strijdigheid met het bestemmingsplan is geen grond om deze vergunning te weigeren en is derhalve in het kader van vergunningverlening op basis van de APV niet relevant. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 mei 2003 met betrekking tot het Oerol Festival op Terschelling. Tevens zijn naar het oordeel van de rechtbank de door eisers aangedragen alternatieve locaties in het kader van de APV niet relevant. Verweerders dienen namelijk over de onderhavige locatie te beslissen, omdat de aanvraag om ontheffing dan wel vergunning daar betrekking op heeft.

Op basis van het vorenoverwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders met de op basis van de APV verleende ontheffingen en vergunningen en de daaraan verbonden voorwaarden in zowel 2002 als 2003 voldoende maatregelen hebben getroffen om te voorkomen dat eisers onaanvaardbare overlast van het Schuttersfeest ondervinden. Voor zover acht de rechtbank de beroepen dan ook ongegrond.

2. Strijdig gebruik bestemmingsplan

De rechtbank stelt vast dat op het perceel waarop het Schuttersfeest wordt gehouden, ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied” (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming “Agrarisch kernrandgebied” rust.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor, zakelijk weergegeven, de uitoefening van het agrarisch bedrijf, een en ander met bijbehorende bebouwing, de bescherming van landschapswaarden, voor zover het de deelgebieden 2, 3, 4, 5a, en 6 betreft, extensieve dagrecreatie, de bescherming van het woon- en leefmilieu in de kern Diepenheim en de ontwikkeling van voorzieningen op het gebied van kunst, cultuur en creativiteit.

In artikel 6, zevende lid, van de planvoorschriften is bepaald dat het beleid binnen de kernrandgebieden is gericht op:

- het evenwichtig doen samengaan van de agrarische belangen met de belangen in verband met de bescherming van de aanwezige gebiedskarakteristieken en de bescherming van het woon- en leefmilieu;

- het creëren van mogelijkheden voor ontwikkelingen op het gebied van kunst, cultuur en creativiteit waarbij de belangen van bestaande agrarische bedrijven, het belang van de te beschermen landschapswaarden en het belang van een goed woon- en leefmilieu randvoorwaarden zijn.

In artikel 6, zevende lid, onder C, van de planvoorschriften is bepaald dat het, naast een gebruik van de vrijkomende agrarische bebouwing ten behoeve van activiteiten c.q. instellingen op het gebied van kunst, cultuur en creativiteit, mogelijk is om op de gronden met de bestemming “Agrarisch kernrandgebied” kunstwerken op te richten met dien verstande dat:

- geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschapswaarden;

- geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan belangen van ter plaatse gevestigde agrarische bedrijven;

- geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu.

De rechtbank heeft vervolgens te beoordelen of het gebruik van het perceel ten behoeve van het Schuttersfeest strijdig is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan de gemeenteraad een bestemmingsplan vaststellen, waarbij voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is, de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en, zo nodig, voorschriften worden gegeven omtrent het gebruik van de in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) worden een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor vervat in een omschrijving van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven, die met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan begrepen gronden worden toegekend, alsmede in voorkomend geval, een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop met het plan dat doel of die doeleinden worden nagestreefd.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van het Bro worden in een bestemmingsplan, voor zover nodig, voorschriften omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van de zich daarop bevindende opstallen gegeven.

Het wettelijk systeem brengt dus met zich dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan de bestemming van de in het plan begrepen grond aanwijst, voor zover dat nodig is. Bij de aanwijzing van die bestemming kunnen eveneens, voor zover dat nodig is, voorschriften omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden worden gegeven. De gemeenteraad dient derhalve bij de aanwijzing van de bestemming van gronden af te wegen of een bepaalde bestemming noodzakelijk is en tevens dient de gemeenteraad af te wegen of het noodzakelijk is aan deze bestemming gebruiksvoorschriften te verbinden.

De wetgever heeft niet een definitie gegeven van de term gebruik. In het bestemmingsplan is evenmin aangegeven wat onder gebruik wordt verstaan. De rechtbank zal de term gebruik derhalve overeenkomstig het spraakgebruik opvatten en daaronder verstaan alle wijzen van aanwending van, in dit geval, gronden. Gelet op het in artikel 12, eerste lid, onder c, van het Bro tot uitdrukking gebrachte noodzaaksvereiste, zullen niet alle wijzen van aanwending van gronden door de gebruiksvoorschriften geregeld worden, doch enkel die vormen van gebruik waarvoor een regeling noodzakelijk is. Zo zal recreatief wandelen over een terrein, dat ingevolge het geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming heeft, weliswaar strikt genomen in strijd zijn met die bestemming, maar zal de noodzaak om hieromtrent een regeling in de gebruiksvoorschriften te treffen niet snel aanwezig zijn. De rechtbank ziet zich derhalve gesteld voor de vraag wanneer sprake is van een noodzaak tot het geven van voorschriften omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden.

In artikel 10 van de WRO wordt het criterium gehanteerd van de goede ruimtelijk ordening. Slechts wanneer dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is, kan de gemeenteraad de bestemming van de in het plan begrepen gronden aanwijzen en voorschriften omtrent het gebruik geven. Het gebruik van in het plan begrepen gronden dient derhalve slechts gereguleerd te worden wanneer een dergelijk gebruik enige ruimtelijke relevantie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gebruiksvoorschriften gericht op het voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het bestemmingsplan gegeven bestemming dan wel ter handhaving en bescherming van een reeds verwerkelijkte bestemming.

De rechtbank heeft vervolgens te beoordelen of het onderhavige perceel als gevolg van het gebruik ten behoeve van het Schuttersfeest minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de bestemming “Agrarisch kernrandgebied” en of deze bestemming als gevolg van het gebruik ten behoeve van het Schuttersfeest niet meer kan worden gehandhaafd en beschermd.

Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het perceel wordt immers slechts gedurende drie dagen per jaar voor het Schuttersfeest gebruikt. Voor de resterende tijd van het jaar wordt het perceel in overeenstemming met de bestemming door een agrariër als grasland gebruikt. Het gebruik als grasland kan na het Schuttersfeest weer worden voortgezet zonder dat het perceel minder geschikt is geworden voor de verwerkelijking van de bestemming “Agrarisch kernrandgebied”. Hieruit vloeit tevens voort dat de verwezenlijkte bestemming “Agrarisch kernrandgebied” wordt gehandhaafd en beschermd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het Schuttersfeest niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat verweerder derhalve niet bevoegd is om handhavend op te treden. Hierom acht de rechtbank het beroep ongegrond.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de AWB bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart de beroepen ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te Den Haag.

Gewezen door mr. M.L.J. Koopmans, voorzitter, en mrs. L. Venekatte en W.M.B. Elferink, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2004 door mr. M.L.J. Koopmans,

in tegenwoordigheid van mr. G.J.M. Annink, griffier.

Afschrift verzonden op

AW