Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2004:AR5887

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
06-12-2004
Zaaknummer
03 / 1098 WW V1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 8 lid 2 WW. I.c. sprake van bijzondere situatie die dient te leiden tot een uitkering contra legem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 03/1098 WW V1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Hengelo (O), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 oktober 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Bij beslissing van verweerder van 15 mei 2003 is aan eiser per 17 maart 2003 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Bij beslissing van 21 juli 2003 heeft verweerder de beslissing van 15 mei 2003 ingetrokken, aangezien eiser niet als werknemer in de zin van de WW wordt aangemerkt. Bij brief van 23 juli 2003 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij met betrekking tot het lopende jaar kan volstaan met een terugbetaling van het invorderingsbedrag van EUR 5.081,36. Bij bezwaarschriften van 25 augustus 2003 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 21 juli 2003 en tegen de brief van 23 juli 2003.

Eiser heeft tijdens een telefonisch onderhoud van 30 september 2003 aangegeven af te zien van zijn recht om gehoord te worden. Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de brief van 23 juli 2003 niet-ontvankelijk en het bezwaar tegen de beslissing van 21 juli 2003 ongegrond verklaard. Eiser kan zich blijkens zijn beroepschrift van 7 december 2003 niet met deze beslissing verenigen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 oktober 2004, waar eiser in persoon is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de Werkloosheidswet (verder WW) eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Uit het bepaalde in artikel 8, eerste lid, in verband met artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, onder a, van de WW volgt dat een werknemer de hoedanigheid van werknemer verliest, voor zover hij werkzaamheden als zelfstandige verricht.

Uit het tweede lid van artikel 8 van de WW volgt dat een persoon, wiens werknemerschap is geëindigd door het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, bij beëindiging van die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer herkrijgt, voor zover die beëindiging plaatsvindt binnen een tijdvak van anderhalf jaar nadat die werkzaamheden een aanvang hebben genomen.

Verweerder heeft in zijn bestreden besluit het bezwaar tegen de brief van 23 juli 2003 niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de brief naar het oordeel van verweerder geen besluit betrof maar slechts een mededeling. Het bezwaar tegen de beslissing van 21 juli 2003 heeft verweerder ongegrond verklaard. Hij heeft hiertoe overwogen dat eiser op 1 oktober 2001 is gestart met werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Van een beëindiging van het werknemersschap in de periode van anderhalf jaar, als bedoel in artikel 8, tweede lid, van de WW is geen sprake, aangezien eiser op 9 april 2003 nog werkzaamheden in de hoedanigheid van werkgever heeft verricht. Zodoende heeft eiser niet voor 1 april 2003 zijn werkzaamheden als zelfstandige beëindigd. De medewerkster van het CWI, mevrouw Mukenheim, heeft aangegeven geen toezeggingen te hebben gedaan over de lopende opdrachten. Door haar is derhalve geen vertrouwen gewekt omtrent het zonder gevolgen uitvoeren van de lopende opdrachten.

Eiser komt in beroep tegen de beslissing van verweerder om zijn bezwaar ongegrond te verklaren. Hij is van mening dat hij niet aan te merken is als hervattende zelfstandige. In de periode van een half jaar heeft hij hooguit voor 36 uren gewerkt, welke werkzaamheden aan de instanties zijn gemeld. Hij heeft zijn werknemersschap slechts verloren ter zake van het aantal uren dat hij niet verzekeringsplichtige arbeid verrichtte, aldus eiser. Eiser verkeerde in het gerechtvaardigde vertrouwen dat hij zonder gevolgen zijn laatste klussen kon voltooien. De medewerkster van verweerder heeft nooit gezegd dat hij met de inspecties moest stoppen, omdat anders zijn uitkering gevaar zou lopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor het bestaan van het recht op uitkering is de hoedanigheid van werknemer van belang. Artikel 20, eerste lid, onder a van de WW regelt immers dat het recht op uitkering wordt beëindigd ‘voor zover de werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest’. Ter bescherming van de beginnende zelfstandige regelt het tweede lid van artikel 8 van de WW dat de beginnende zelfstandige het werknemersschap herkrijgt, indien hij zijn niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden binnen anderhalf jaar na aanvang daarvan staakt. Vast staat dat eiser na de periode van anderhalf jaar werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht. Uit de jurisprudentie volgt dat herkrijging van het werknemersschap niet mogelijk is wanneer de betrokkene reeds langer dan anderhalf jaar werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht (CRvB 26-11-1996, USZ 1997,9). Artikel 8 van de WW is van dwingendrechtelijke aard en voorziet in beginsel niet in ruimte voor een afwijkende nadere bevoegdheidsuitoefening door verweerder. Eiser kan daarom in beginsel niet als werknemer in de zin van de WW worden aangemerkt.

In onder meer zijn uitspraak van 14 november 1990 (AB 1991, 75) heeft de Centrale Raad van Beroep echter overwogen dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen, dat op deze grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.

Aan de orde is derhalve de vraag of er zich in de onderhavige zaak een dergelijk bijzonder geval voordoet. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiser een intakegesprek heeft gehad bij het aanvragen van de WW-uitkering, waarbij hij samen met de eerder genoemde Mukenheim, werkneemster van het CWI, het aanvraagformulier heeft ingevuld, waarna het aanvraagformulier door het CWI naar verweerder is verzonden. Eiser heeft daar (Mukenheim) de nog openstaande inspectiewerkzaamheden aan de orde gebracht. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij de betreffende werkzaamheden als zelfstandige uit coulance naar zijn voormalige opdrachtgevers wenste uit te voeren. De medewerkster van het CWI heeft toen nagelaten om eiser te wijzen op de gevolgen van het uitvoeren van deze werkzaamheden als zelfstandige na de cruciale termijn van anderhalf jaar. Voldoende aannemelijk is het standpunt van eiser dat hij mét die kennis er niet voor had gekozen om de betreffende werkzaamheden alsnog uit te voeren. Dit blijkt temeer uit het feit dat eiser bij verweerder heeft opgegeven welke inkomsten hij heeft genoten uit deze werkzaamheden, met de bedoeling dat deze in mindering zouden worden gebracht op de aan hem te verstrekken WW-uitkering. Eiser heeft de werkzaamheden dus niet uitgevoerd met de intentie daar feitelijk aan te verdienen. Anders dan in de bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft eiser in casu (onvoldoende) informatie ontvangen van een medewerkster van het CWI en niet van verweerder zelf. Eiser mocht er in dit geval echter op vertrouwen dat hij op een juiste en adequate wijze van informatie werd voorzien over zijn recht op uitkering. Er was dan ook voor hem geen aanleiding om bij verweerder zelf nadere informatie te vragen omtrent het al dan niet uitvoeren van de werkzaamheden. Nu de voorlichting inzake het staken van de werkzaamheden van eiser als zelfstandige na de cruciale termijn van anderhalf jaar, dermate onvoldoende en niet op het voorliggende bijzondere geval toegespitst is geweest, kunnen de gevolgen van overschrijding van die termijn niet voor risico van eiser komen.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het niet verstrekken van informatie er niet toe kan leiden dat aan de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 8 WW voorbij wordt gegaan. De rechtbank kan dit standpunt niet onderschrijven. Niet slechts het verstrekken van informatie, waardoor bij een justitiabele verwachtingen zijn gewekt, doch ook het achterwege blijven van - verdere - noodzakelijke informatieverstrekking door een uitvoeringsorgaan in bijzondere situaties waarin dat alleszins geboden is, kan leiden tot een uitkering contra legem.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte in stand kan worden gelaten. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de reiskosten voor het bijwonen van de zitting ad EUR 35,90.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 35,90, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan eiser;

- verstaat dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het griffierecht ad EUR 31,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2004

door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier.

Afschrift verzonden op

CK