Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2004:AR4794

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
04-11-2004
Zaaknummer
03 / 885 ALGEM A1 A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorganger Baptistengemeente i.c. niet verzekeringsplichtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: 03 / 885 ALGEM A1 A

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

Baptistengemeente "[…]", gevestigd te Y, eiseres,

gemachtigde: mr. M.P. Smit, advocaat te Almelo,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, locatie Zeist, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 25 augustus 2003.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Naar aanleiding van een uitkeringsaanvraag van X (hierna: X) te Y, heeft verweerder een onderzoek ingesteld ten einde te kunnen vaststellen of X als voorganger van de Baptistengemeente Y verplicht verzekerd is (geweest) in de zin van de sociale verzekeringswetten. Daartoe heeft verweerder zowel X als eiseres een vragenlijst laten invullen.

Op grond van de daarbij verstrekte gegevens heeft verweerder bij besluit van 9 mei 2003 besloten dat X met ingang van 1998 premieplichtig is voor de werknemersverzekeringen. Tevens heeft verweerder bij dat besluit bepaald dat eiseres bij verweerder diende te worden ingeschreven teneinde de gegevens van eiseres en X in verweerders administratie te kunnen opnemen.

Bij schrijven van 25 mei 2003, nader aangevuld bij schrijven van 15 juli 2003, heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om haar bezwaar ter hoorzitting gehouden op 15 augustus 2003 te doen toelichten, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt.

Bij besluit van 25 augustus 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de verzekeringsplicht gehandhaafd.

Blijkens het beroepschrift van 3 oktober 2003 kan eiseres zich niet met dat besluit verenigen.

Bij schrijven van 3 november 2003 heeft verweerder de rechtbank de aan het besluit ten grondslag liggende stukken, alsmede een verweerschrift doen toekomen.

Bij schrijven van 18 juni 2004 en 16 september 2004 heeft eiseres de rechtbank nog enige nadere stukken en een aanvulling op het beroep, doen toekomen.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 28 september 2004, waar eiseres is verschenen bij haar voorzitter, [..], haar secretaris, […] en haar penningmeester,[…] , bijgestaan door mr. M. Smit, voornoemd, terwijl verweerder zich, met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

Tevens zijn als getuigen verschenen: X, wonende te Y, daartoe opgeroepen door de rechtbank en […], daartoe medegebracht door eiseres.

3. Overwegingen

Partijen zijn verdeeld over de vraag of X ingevolge de werkzaamheden die hij voor eiseres heeft verricht, verplicht verzekerd is geweest ingevolge de sociale verzekeringswetten.

Namens eiseres wordt in beroep aangevoerd dat X niet als verplicht verzekerd voor de werknemersverzekeringen dient te worden aangemerkt. Daarbij wijst eiseres er met name op dat X grote vrijheid heeft in de uitoefening van zijn geestelijk ambt. Het feit dat voorgangers uit hun ambt ontheven kunnen worden vormt volgens verweerder onvoldoende aanleiding voor het aannemen van een gezagsverhouding en daarmee een arbeidsovereenkomst.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat X als voorganger wel een arbeidsverhouding met eiseres had die verplichte verzekering voor de sociale verzekeringswetten met zich brengt op grond van het bepaalde in artikel 3 van de ZW, WW en WAO.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 3 van de WW, ZW en WAO wordt onder “werknemer” verstaan de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een tussen partijen bestaande gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling. Voor het aannemen van een gezagsverhouding is bepalend dat de werkzaamheden worden verricht in een ondergeschikte positie. Dat wil zeggen dat de bevoegdheid bestaat om aanwijzingen en regels te geven omtrent de wijze waarop de persoonlijke arbeid wordt verricht.

Voor het al dan niet aanwezig zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van de genoemde sociale verzekeringswetten is niet beslissend hoe een arbeidsverhouding door partijen wordt gekwalificeerd, maar moet op de werkelijke aard van die verhouding worden gelet en de feitelijke omstandigheden waaronder de desbetreffende arbeid wordt verricht.

Zijdens eiseres wordt in dit verband aangevoerd dat voorgangers in het algemeen als kleine zelfstandigen worden aangemeld. Voorts wordt nogmaals gewezen op de grote vrijheid die X heeft in de uitoefening van zijn geestelijk ambt.

Niet in geschil is dat er in casu sprake is van een vaste loonbetaling, doorbetaling tijdens ziekte, vakantie-uitkering en dat ook andere emolumenten werden vergoed.

Voorts is niet in geschil dat X verplicht was de aan hem opgedragen werkzaamheden te verrichten. Partijen verschillen evenwel van mening omtrent het antwoord op de vraag of er ook sprake is van een gezagsverhouding.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting dat aan X als voorganger op grond van artikel 8 van de Statuten & Huishoudelijk reglement van de Baptisten Gemeente Y, in het bijzonder de bediening van het Woord Gods is toevertrouwd en dat van hem wordt verwacht dat hij de samenkomsten leidt, de herderlijke zorg voor de gemeente behartigt en zich bezig houdt met het stimuleren van de gemeentelijke arbeid in al haar geledingen. Doop en Heilig Avondmaal worden als regel door hem bediend. Daarbij kwam hem een grote mate van vrijheid toe. Nadere afspraken omtrent de wijze waarop X de in artikel 8 aan de voorganger toevertrouwde werkzaamheden diende uit te voeren zijn niet gemaakt. Evenmin zijn afspraken gemaakt omtrent de werkuren. Weliswaar hield X een urenverantwoording bij, maar dat was geheel op eigen initiatief. Wel diende X tijdig zijn vrije dagen en vakantieperiode door te geven ten einde tijdig adequate vervanging te kunnen regelen.

In de met vaste regelmaat gehouden vergaderingen van de Raad van de Baptisten gemeente Y (hierna: de Raad), waarvan X als voorganger deel uit maakte, was echter geen sprake van een gezagsverhouding. Men informeerde op voet van gelijkwaardigheid naar elkaars werkzaamheden. Dat alles in het kader van de onderlinge afstemming, het feeling houden met wat de ander deed. Van een evaluatie van de door X verrichte werkzaamheden was in de periode van medio 1994 tot begin 2002 dan ook geen sprake. Voorzover X in de voor de belasting ingevulde verklaring arbeidsrelatie heeft aangegeven dat er zijns inziens sprake is van een dienstbetrekking en door zowel X als de penningmeester van de Baptistengemeente “[…]” in het door verweerder toegezonden vragenformulier is aangegeven dat er door de Raad controle werd uitgeoefend op de kwaliteit en de voortgang van de werkzaamheden, is de rechtbank, gelet op het verhandelde ter zitting, van oordeel dat dit slechts ziet op de situatie in de de periode vanaf begin 2002, toen de Raad signalen vanuit de gemeente ontving dat X niet langer optimaal in de geest van de Baptistengemeente “[…]” zou functioneren en de Raad die signalen met X wilde evalueren. Eerst nadat X dit weigerde is de feitelijke relatie tussen de Raad en de voorganger gewijzigd.

Nu de feitelijke situatie in de voorgaande jaren er een was waarin X het volle vertrouwen van de Baptistengemeente genoot en de werkzaamheden naar eigen goeddunken kon invullen is de rechtbank van oordeel dat er in casu geen sprake is van een (zodanige) gezagsverhouding dat verzekeringsplicht dient te worden aangenomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder X ten onrechte als verzekeringsplichtig in de zin van sociale verzekeringswetten heeft aangemerkt.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand welke worden vastgesteld op EUR 644,-.

Beslist wordt derhalve als volgt.

4. Beslissing

De Rechtbank Almelo,

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 644,--, door verweerder te betalen aan eiseres;

- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad EUR 232,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2004

door mr. A.M.S. Kuipers, in tegenwoordigheid van M.W. Hulsman, griffier.

Afschrift verzonden op

AW