Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2004:AO9844

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
17-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
63869 / KG ZA 04-96
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gebruik informatie van internet onrechtmatig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Kort Geding

zaaknummer: 63869 / KG ZA 04-96

datum uitspraak vonnis: 17 mei 2004 (ab)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. [Eiser],

wonende te [Woonplaats], [Land],

2. de rechtspersoon naar vreemd recht

[Eiser] Health Foundation,

gevestigd te Santa Clara, Verenigde Staten van Amerika en kantoorhoudende te Berlijn, Duitsland,

3. de stichting

[Eiser] Health Foundation,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

eisers,

verder te noemen: [Eiser],

procureur: mr. G.G. Vermeulen,

advocaat: mr. E.H. Hoogenraad te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dagblad Tubantia Twentsche Courant BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

2. [Gedaagde 2], journalist/redacteur,

wonende te Enschede,

gedaagden,

verder te noemen: Tubantia,

advocaat: mr. Robustella te Ede.

Het procesverloop

[Eiser] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

Ter zitting van 11 mei 2004 zijn verschenen: mr. E.H. Hoogenraad alsmede vertegenwoordigers van Tubantia en [Gedaagde 2], bijgestaan door mr. A. Robustella.

Van hetgeen is besproken is aantekening gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

Het geschil

1. In deze zaak staat het navolgende vast. [Eiser] is arts, ontwikkelt vitaminepreparaten en is oprichter van een aantal ondernemingen die onderzoek verrichten op het gebied van natuurlijke gezondheid. [Gedaagde 2] is als journalist en redacteur werkzaam voor het regionale dagblad De Twentsche Courant Tubantia. Op 24 februari 2004 is een artikel van zijn hand over [Eiser] in dit dagblad verschenen.

2. [Eiser] stelt dat het artikel in de Tubantia feitelijk onjuist en niet volledig is alsmede onnodig grievend en negatief. Ondanks sommatie daartoe is Tubantia niet bereid gebleken de onjuiste en grievende uitlatingen te rectificeren. Het publiceren van deze uitlatingen levert een schending van de eer en goede naam van [Eiser] op. Als gevolg hiervan lijdt [Eiser] schade.

Stellingen van partijen

3. [Eiser] vordert dat de voorzieningenrechter Tubantia zal verbieden zich zowel mondeling als schriftelijk onjuist, onvolledig, misleidend en/of onnodig grievend uit te laten jegens [Eiser], althans te verbieden om de onrechtmatige uitlatingen te herhalen en het portret van hem te gebruiken in combinatie met onrechtmatige uitlatingen.

Tevens vordert [Eiser] Tubantia te bevelen in de eerstvolgende zaterdageditie van de Tubantia alsmede gedurende 14 dagen op de eerste pagina van de website tubantia.nl de navolgende rectificatie te plaatsen:

‘RECTIFICATIE [EISER] EN [EISER] HEALTH FOUNDATION’

In Tubantia van 24 februari 2004 hebben wij op pagina 1 en pagina 10 een artikel geplaatst onder de titels ‘[Eiser] en medici vechten om kankerpatiëntje’ en ‘Ziek of niet? [Eiser] gebruikt kankerpatiëntje Dominik (8) als bewijs van eigen medisch gelijk’. De beweringen en suggesties die wij ten aanzien van [Eiser] en [Eiser] Health Foundation hebben gedaan zijn onjuist en misleidend nu zij geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal en bovendien onnodig grievend zijn jegens [Eiser]. De artikelen zijn geplaatst zonder de beweringen daarin voldoende op juistheid te controleren. Wij hebben [Eiser] en de [Eiser] Health Foundation ernstig tekort gedaan.

Bij vonnis d.d. [datum] is ons artikel in Tubantia door de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Almelo onjuist en onrechtmatig jegens [Eiser] en de [Eiser] Health Foundation bevonden en zijn wij veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

[naam], hoofdredacteur.’

althans een zodanige rectificatie als door de voorzieningenrechter te bepalen. Dit alles op straffe van een aan [Eiser] te verbeuren dwangsom van € 20.000,- voor iedere overtreding van ieder afzonderlijk bevel, althans voor iedere dag, keer of gelegenheid dat Tubantia een van deze bevelen en verboden overtreedt, met dien verstande dat gedaagden voor iedere betaling hoofdelijk aansprakelijk zijn. Tot slot vordert [Eiser] Tubantia te veroordelen in de kosten van het geding.

4. [Eiser] onderbouwt zijn stelling dat de publicatie van Tubantia onrechtmatig is – kort samengevat - als volgt.

Hij voert ten eerste aan dat de uitlatingen in het artikel geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal en dat Tubantia de gebruikte citaten niet zomaar had mogen plaatsen, maar zich daarvan had moeten distantiëren. Op Tubantia rust immers een bewijslast: zij had haar beweringen moeten onderzoeken en aannemelijk moeten maken dat deze op voldoende grond berusten. Zij heeft voorts verzuimd hoor en wederhoor toe te passen en het is onduidelijk op welke bronnen zij zich heeft gebaseerd. Tot slot heeft Tubantia cruciale informatie, zoals het bestaan van wetenschappelijke studies in erkende vakbladen die de beweringen van [Eiser] ondersteunen, weggelaten.

Ten tweede voert [Eiser] aan dat de uitlatingen onnodig grievend en negatief zijn. Door de sarcastische en onnodig cynische toon van het artikel en het gebruik van suggestieve woorden en zinsneden wordt het werk van [Eiser] in een twijfelachtig daglicht gesteld. De suggestie wordt gewekt dat het werk van [Eiser] flauwekul is en uit manipulatie bestaat, terwijl het in werkelijkheid is gebaseerd op ervaringsfeiten en wetenschappelijke onderzoeken.

Ten slotte voert [Eiser] aan dat hij voor het portret dat bij het artikel is geplaatst geen toestemming heeft gegeven. Door de foto bij het artikel te plaatsen, lijkt het of [Eiser] zijn medewerking heeft verleend, terwijl Tubantia in het geheel niet met [Eiser] over de kwestie heeft gesproken. Ter zitting heeft mr. Hoogenraad nog aangevoerd dat het Hof Amsterdam in de zaak van Party tegen Gordon heeft bepaald dat het plaatsen van een foto bij een onrechtmatig gepubliceerde tekst de zeggingskracht en inwerking van die tekst vergroot.

5. Tubantia voert hiertegen verweer. Zij werpt eerst een aantal formele vragen op en voert daarna inhoudelijk verweer.

Ten eerste voert zij aan dat de [Eiser] Health Foundation-vennootschap/stichting niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, daar de in het artikel genoemde uitlatingen [Eiser] persoonlijk betreffen en geen betrekking hebben op de [Eiser] Health Foundation-vennootschap/stichting.

Ten tweede voert Tubantia aan dat geen sprake meer is van een spoedeisend belang aan de zijde van [Eiser] bij de beoordeling van de door hem ingestelde vorderingen, nu de publicatie van het gewraakte artikel reeds plaatsvond op 24 februari 2004 en de behandeling in kort geding eerst op 11 mei 2004 plaats heeft.

Ten derde werpt Tubantia de vraag op of [Eiser] belang heeft bij de tegen Tubantia geformuleerde voorlopige voorzieningen. Uit het redactiestatuut blijkt dat de verantwoordelijkheid voor de redactionele inhoud van het dagblad ligt bij de hoofdredactie. Deze hoeft een aan Tubantia dan wel [Gedaagde 2] op te leggen rectificatiegebod niet op te volgen noch hebben Tubantia en [Gedaagde 2] de bevoegdheid een dergelijk gebod op te leggen aan de hoofdredactie.

6. Ten aanzien van de inhoud van het artikel voert Tubantia het volgende aan.

[Gedaagde 2] heeft bij het schrijven van het artikel meerdere bronnen geraadpleegd, waaronder publicaties op Duitse internetsites en een Zwitserse internetsite alsmede de televisie-uitzending “Report Mainz” van 9 februari 2004 op de Duitse zender ARD. Alle in het artikel gedane uitlatingen zijn gebaseerd op en ontleend aan deze bronnen. De verwijten van [Eiser] dat de uitlatingen onjuist en onvolledig zijn, zijn dus ongegrond.

Tubantia heeft voorts geen onafhankelijke en gezaghebbende wetenschappelijke onderzoeken kunnen vinden die de stellingen van [Eiser] ondersteunen: de wetenschappelijke stukken ter ondersteuning van de stellingen van [Eiser], zijn van de hand van [Eiser] of zijn medewerkers.

De toonzetting van het artikel is badinerend c.q. ironisch van aard. In een eerder kort geding-vonnis van de voorzieningenrechter te Almelo is geoordeeld dat badinerend c.q. ironisch taalgebruik geen schending van de eer en goede naam oplevert. De door [Eiser] gewraakte termen passen in de gekozen stijl van schrijven. [Eiser] kan dit vervelend vinden, maar daarmee wordt het artikel niet onrechtmatig.

In de rechtspraak is voorts bepaald dat het recht geen steun biedt voor de stelling dat altijd en onder alle omstandigheden een recht op wederhoor bestaat, indien een publicatie wordt voorbereid waarin beschuldigingen worden geuit. Bovendien komt de opvatting van [Eiser] over de kwestie in het artikel aan de hand van de raadpleging van de website van [Eiser] naar voren en kan niet worden gezegd dat deze is weggelaten. [Eiser] heeft bovendien geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid tot het verstrekken van aanvullende informatie.

Tot slot voert Tubantia aan dat de gebruikte foto een archieffoto is en dat deze met toestemming van [Eiser] medio 1998 is genomen en geplaatst bij een artikel van 26 juli 1998. Gezien deze omstandigheid als ook het feit dat [Eiser] een publiek figuur is, behoefde Tubantia voor het wederom openbaar maken van dit portret geen toestemming van [Eiser]. Hierbij past nog de kanttekening dat [Eiser] daar waar mogelijk zelf in naam en beeld de openbaarheid zoekt.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

7. De voorzieningenrechter zal, alvorens in te gaan op de vraag of het artikel van Tubantia onrechtmatig jegens [Eiser] is, eerst de door Tubantia opgeworpen formele punten bespreken.

De [Eiser] Health Foundation-vennootschap en -stichting worden weliswaar niet in het artikel in de Tubantia genoemd, maar het is wel aannemelijk dat deze vennootschap en stichting in de financiële ondersteuning van het werk van [Eiser] voorzien. Gelet op deze verwevenheid tussen de persoon van [Eiser] en de [Eiser] Health Foundation-vennootschap/stichting, heeft de [Eiser] Health Foundation-vennootschap/stichting wel degelijk belang bij de uitkomst van dit geding.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [Eiser], nu beide partijen ter zitting hebben aangegeven dat het (gewraakte) artikel nog steeds toegankelijk is voor het publiek via de internetsite van de Tubantia.

Over de vraag of [Eiser] een belang kan hebben bij de tegen Tubantia en [Gedaagde 2] geformuleerde voorzieningen nu de hoofdredactie een aan Tubantia dan wel [Gedaagde 2] op te leggen rectificatiegebod niet hoeft op te volgen, oordeelt de voorzieningenrechter tot slot als volgt. Uit de artikelen 3.1 en 3.6 van het redactiestatuut volgt dat de hoofdredactie verantwoordelijk is voor de redactionele inhoud van het blad en dat de directie en de hoofdredactie tesamen de dagelijkse leiding vormen van het dagblad. Met de dagvaarding van de Tubantia, heeft [Eiser] dus ook de hoofdredactie en de directie gedagvaard, de dagelijkse leiding van het dagblad. Een eventueel aan het dagblad Tubantia op te leggen gebod of verbod houdt in dat ook de hoofdredactie en de directie zich (als leiding van het dagblad) daarnaar moeten richten. Dit geldt tevens voor [Gedaagde 2], als journalist werkzaam bij het dagblad. [Eiser] kan derhalve belang hebben bij de tegen [Gedaagde 2] en Tubantia geformuleerde voorzieningen.

8. Ten aanzien van de inhoud van het artikel, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

De uitlatingen van Tubantia zijn feitelijk onjuist noch onvolledig. De schrijver van het artikel heeft alle uitlatingen gebaseerd op open bronnen, te weten artikelen gepubliceerd op diverse internetsites en in verschillende tijdschriften alsmede op een televisie-uitzending van de ARD. Niet gesteld noch gebleken is dat de uitlatingen in die bronnen onrechtmatig zijn en inmiddels zijn gerectificeerd. Het ligt op de weg van [Eiser] om, indien hij van mening is dat één van de door Tubantia genoemde bronnen onjuist is, deze te (doen) rectificeren. Zolang deze rectificaties niet hebben plaatsgevonden, kan van deze bronnen gebruik gemaakt worden. Voorts heeft [Eiser] niet aannemelijk gemaakt dat buiten de onderzoeken van zijn hand, andere gezaghebbende en onafhankelijke wetenschappelijke onderzoeken zijn stellingen onderschrijven. De schrijver van het artikel heeft derhalve voldoende onderzoek gedaan.

Ook het citeren van meningen of uitspraken van derden in het artikel, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig. Met een citaat wordt geen mening van de journalist gegeven. Er bestaat dan ook geen plicht aan de zijde van de journalist het waarheidgehalte van het citaat te onderzoeken.

Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat, zouden alle uitlatingen in het artikel op één bron zijn gebaseerd, het toepassen van hoor en wederhoor gewenst was geweest. Nu er meerdere bronnen zijn geraadpleegd, is dat anders. Uit de vele publicaties van [Eiser] is bovendien volstrekt duidelijk wat zijn standpunt in de kwestie is.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de inhoud van het artikel onnodig grievend noch negatief is. Gelet op zijn vele publicaties, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [Eiser] zich profileert als persoon die de heilzame werking van vitamines verkondigt. Daartoe zoekt hij veelvuldig de publiciteit, trekt hij volle zalen en heeft hij een uitgebreide PR-campagne. Blijkens de door [Eiser] in het geding gebrachte videofilm laat hij zelfs een 8-jarig patiëntje figureren als bewijs van de genezende werking van zijn preparaten.

De voorzieningenrechter zal zich geen waarde-oordeel veroorloven over de goede smaak van een dergelijke presentatie, maar het is naar zijn oordeel wel duidelijk dat deze presentatie leidt tot reacties van instanties en personen die er anders over denken dan [Eiser]. Deze reacties vindt men terug in de artikelen waar [Gedaagde 2] zich op heeft beroepen. Voorts geldt dat [Eiser] zich blijkens publicaties op zijn eigen website vaak laatdunkend uitlaat over de medische professie. Hij kan dan verwachten dat men op gelijke toon op hem reageert, of om met onze oosterburen te spreken: “Wer austeilt, muß auch einstecken”.

De schrijver heeft zijn artikel geschreven in de stijl van zijn bronnen. De toonzetting van het artikel is naar het oordeel van de voorzieningenrechter kritisch en enigszins badinerend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [Eiser] dit door zijn wijze van handelen echter zelf oproept. Een kritische, negatieve of badinerende toon (van een artikel) valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien onder de journalistieke vrijheid en levert derhalve geen aantasting van de eer en goede naam van [Eiser] op.

Met betrekking tot het gebruik van het portret van [Eiser], oordeelt de voorzieningenrechter tot slot als volgt. De beeltenis van [Eiser] is te zien op veel van zijn produkten, in advertenties in dag- en weekbladen en op grote billboards. [Eiser] zoekt veelvuldig zelf de publiciteit en schuwt daarbij foto- en televisiecamera’s niet. Nu [Eiser] kennelijk geen bezwaar tegen het gebruik van zijn beeltenis in de media heeft, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig dat Tubantia gebruik maakt van een archieffoto. Daarenboven geldt dat, nu het gewraakte artikel niet onrechtmatig is, het plaatsen van de foto van [Eiser] bij het artikel ook niet onrechtmatig is.

9. Nu geen der onderdelen afzonderlijk leidt tot een onrechtmatige gedraging van Tubantia, kunnen de onderdelen gezamenlijk ook niet hiertoe leiden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [Eiser] moeten worden afgewezen. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding moeten dragen.

De beslissing

I. Wijst de vorderingen van [Eiser] af.

II. Veroordeelt [Eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tubantia begroot op EUR 241,- aan verschotten en EUR 750,- aan salaris van de procureur.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Inden, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.