Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALM:2004:AO8024

Instantie
Rechtbank Almelo
Datum uitspraak
20-04-2004
Datum publicatie
21-04-2004
Zaaknummer
08/000317-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

de rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan twee pogingen tot doodslag (niet: moord), bedreiging en verboden wapenbezit. uit zijn strafblad blijkt dat de verdachte geweld niet schuwt -hij had net een gevangenisstraf van 15 jaar achter de rug wegens het medeplegen van een moord. de rechtbank legt hem 10 jaar gevangenisstraf op plus een verplichting tot schadevergoeding aan de slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Parketnummer: 08/000317-03

STRAFVONNIS

Uitspraak: 20 april 2004.

De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen:

[J.H. L.],

geboren te [plaats] op [datum] 1948,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring te [plaats].

terechtstaande terzake dat:

1.

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 in, althans ter hoogte van een

(flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede,

althans te Enschede,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk met voorbedachten rade [benadeelde O.E.] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een pistool/(vuur)wapen in de schouder/rug

en/althans (elders) in het lichaam van voornoemde [benadeelde O.E.] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 in, althans ter hoogte van een

(flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede,

althans te Enschede,

aan een persoon, genaamd [benadeelde O.E.], opzettelijk tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in de linkerschouder,

waarbij de kogel is doorgedrongen in de (het)hals(weefsel), naast de

nekwervel, net boven de eerste rib), heeft toegebracht, door tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, deze opzettelijk, na kalm

beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met

een pistool/(vuur)wapen in de schouder/rug en/althans (elders) in het lichaam

van voornoemde [benadeelde O.E.] te schieten

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 in, althans ter hoogte van een

(flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede,

althans te Enschede,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

genaamd [benadeelde O.E.], opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet voornoemde [benadeelde O.E.] opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een pistool/(vuur)wapen in

de schouder/rug en/althans (elders) in het lichaam heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 in, althans ter hoogte van een

(flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede,

althans te Enschede,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde Y.E.] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat

opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een

pistool/(vuur)wapen in de (rechter)arm en/of de/een bekken(s) en/of lies en/of

buikstreek en/of borststreek en/althans (elders) in het lichaam van voornoemde

[benadeelde Y.E.] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 in, althans ter hoogte van een (flat)portie

aan de [straat en nummer], gemeente Enschede, althans te Enschede,

aan een persoon, genaamd [benadeelde Y.E.], opzettelijk tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, en met voorbedachten rade, althans

opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in de (rechter)arm ten

gevolge waarvan het armbot is doorboord, en/of een gebroken rib, en/of een

klaplong), heeft toegebracht, door tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een pistool/(vuur)wapen in

de (rechter)arm en/of lies en/of de/een bekken(s) en/of buikstreek en/of

borststreek en/althans (elders) in het lichaam van voornoemde [benadeelde Y.E.] te

schieten;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 in, althans ter hoogte van een

(flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede,

althans te Enschede,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

genaamd [benadeelde Y.E.], opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met dat opzet voornoemde [benadeelde Y.E.] opzettelijk, na

kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

met een pistool/(vuur)wapen in de (rechter)arm en/of lies en/of de/een

bekken(s) en/of buikstreek en/of borststreek en/althans (elders) in het

lichaam heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 te Enschede, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde O.E.] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend die [benadeelde O.E.] de woorden toegevoegd:

- 'laat die jongen los',

en/of,

- ' nou moet je ophouden, want anders',

en/of,

(met een (vuur)wapen richtend op het hoofd van [benadeelde O.E.]) 'ik schiet je dood'.

4.

hij op of omstreeks 25 oktober 2003 te Enschede een of meer vuurwapen(s) van

categorie III, in elk geval een of meer vuurwapen(s) van categorie II, sub 1,

voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

Gezien de stukken;

Gelet op het onderzoek ter terechtzitting;

Gehoord de vordering van de officier van justitie;

Gelet op de verdediging door en namens verdachte gevoerd;

De rechtbank heeft de eventuele in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd, in de bewezenverklaring.

Verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte sub 1 primair in de eerste plaats en sub 2 primair in de eerste plaats is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is door de inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen, waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 primair in de tweede plaats, sub 2 primair in de tweede plaats , sub 3, en sub 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 oktober 2003 in een (flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [benadeelde O.E.] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool/vuurwapen in de schouder/rug van voornoemde [benadeelde O.E.] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

hij op 25 oktober 2003 in een (flat)portiek aan de [straat en nummer], gemeente Enschede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [benadeelde Y.E.] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een pistool/vuurwapen in de rechterarm en het bekken en buikstreek van voornoemde [benadeelde Y.E.] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

hij op 25 oktober 2003 te Enschede, tezamen en in vereniging met

een ander, [benadeelde O.E.] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend die [benadeelde O.E.] de woorden toegevoegd: (met een vuurwapen richtend op het hoofd van [benadeelde O.E.]) 'ik schiet je dood'.

hij op 25 oktober 2003 te Enschede een vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.

Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het tenlastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair in de tweede plaats, sub 2 primair in de tweede plaats, sub 3, en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde levert op:

wat betreft sub 1 primair in de tweede plaats en sub 2 primair in de tweede plaats, telkens het misdrijf:

"Poging tot doodslag",

strafbaar gesteld bij artikel 287 jo. artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

wat betreft sub 3, het misdrijf:

"Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht",

strafbaar gesteld bij artikel 285 jo artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

en wat betreft sub 4, het misdrijf:

"Handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens en Munitie",

strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie;

Door de raadsman van verdachte is onder meer betoogd dat verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten - indien bewezen - heeft gehandeld uit noodweer c.q. noodweerexces c.q. putatief noodweer.

De rechtbank verwerpt vorenvermeld betoog van de raadsman nu naar het oordeel van de rechtbank de feitelijke toedracht van het gebeuren, zoals die door verdachte en zijn raadsman wordt gesteld, niet aannemelijk is geworden en er aldus van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding geen sprake is geweest. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit feiten of omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat de uiteindelijke slachtoffers, op het moment dat ze met verdachte geconfronteerd werden, in het bezit waren van één of meer vuurwapens en het verweer aldus feitelijke grondslag ontbeert.

Nu de rechtbank van oordeel is dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een noodweersituatie en verdachte zich voor zijn beroep op noodweerexces beroept op dezelfde situatie, verwerpt de rechtbank tevens het beroep op noodweerexces.

Met betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer betreffende putatief noodweer is de rechtbank van oordeel dat gelet op de eerdere omstandigheden evenmin aannemelijk is geworden dat achteraf dient te worden vastgesteld dat verdachte naar objectieve maatstaven is uitgegaan van een voorstelling van zaken die, naar later bleek, niet juist was doch wel voorstelbaar. De rechtbank verwerpt dan ook het laatstgenoemde verweer.

De verdachte is deswege strafbaar, aangezien ook overigens niet is gebleken van een zijn strafbaarheid uitsluitende omstandigheid.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake sub 1 primair in de eerste plaats, sub 2 primair in de eerste plaats, sub 3 en sub 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 jaren en negen maanden onvoorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met toewijzing van de civiele vorderingen en oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel en met verbeurdverklaring van het koffertje waar een pistool in past en teruggave aan verdachte van een koffer met

4 pistoolaanstekers.

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf en maatregelen behoren te worden opgelegd, zoals deze hierna zullen worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen:

Verdachte is samen met [verdachte De M] een flatgebouw binnen gegaan, waarin zich de uiteindelijke slachtoffers bevonden. Dit in verband met het feit dat [verdachte De M] een onenigheid aangaande een hennepkwekerij wilde uitspreken met één van die slachtoffers.

Op het moment van binnentreden van dat flatgebouw was verdachte voorzien van een geladen vuurwapen. Vrijwel direct na confrontatie met de slachtoffers heeft verdachte een aantal kogels op hen afgevuurd. Van deze kogels kwamen drie in het lichaam van het ene slachtoffer en één in het lichaam van het andere slachtoffer terecht. Verdachte heeft zich aldus willens en wetens in een situatie begeven waar, naar algemene ervaringsregels, ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat één en ander zou escaleren in excessief geweld. Door op een tweetal personen kogels af te vuren heeft hij zich doelbewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat die personen daardoor het leven zouden laten. Het is in ieder geval niet de verdienste van verdachte dat de gevolgen voor de slachtoffers niet ernstiger zijn dan in casu het geval is. Dat verdachte het aanwenden van fors fysiek geweld niet schuwt blijkt wel uit het feit dat hij sedert 1982 tot driemaal maal toe terzake ernstige geweldsdelicten tot lange onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen is veroordeeld, laatstelijk zelfs tot een vrijheidsstraf van 15 jaren terzake medeplegen van moord.

Hij heeft met zijn handelwijze doen blijken van enig normbesef verstoken te zijn.

De bewezen verklaarde feiten hebben op grove wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en er is afbreuk gedaan aan het veiligheidsgevoel van de burgers in het algemeen en dat van de slachtoffers in het bijzonder. Bovendien is de samenleving door feiten als de onderhavige in zeer ernstige mate geschokt. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur passend.

De rechtbank overweegt verder dat vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer de hierna in het dictum te noemen voorwerpen nu met betrekking tot deze voorwerpen de strafbare feiten zijn gepleegd en de gezamenlijkheid van die voorwerpen van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan strijd is met de wet.

Civiele vordering

De rechtbank overweegt verder, dat [benadeelde O.E.], wonende te [plaats en adres] en [benadeelde Y.E.], wonende te [plaats en adres] zich via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij, tot een totaalbedrag van respectievelijk €. 3090,-- en €. 4101,20.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze vorderingen van de benadeelde partijen gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen door de respectievelijk sub 1 primair in de tweede plaats en sub 2 primair in de tweede plaats bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht.

De schade bedraagt de gevorderde bedrag van respectievelijk €. 3090,-- en

€. 4101,20 zodat de vorderingen toewijsbaar is.

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

De na te melden straf en maatregelen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36f, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

R E C H T D O E N D E:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 primair in de eerste plaats en sub 2 primair in de eerste plaats is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat het sub 1 primair in de tweede plaats, sub 2 primair in de tweede plaats, sub 3 en sub 4 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan.

Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld.

Verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van tien jaren.

Beveelt dat de tijd, die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen te weten:

een blauwe koffer met 4 pistoolaanstekers en een kleine holster;

een koffer waar een pistool in past en

vier zakjes samen 1 gram coke en 1 bolletje hash.

Veroordeelt verdachte, terzake van de bewezen feiten sub 1 primair in de tweede plaats en sub 2 primair in de tweede plaats tot betaling aan de benadeelde partijen [benadeelde O.E.], wonende te [plaats en adres] en [benadeelde Y.E.], wonende te [plaats en adres], van een bedrag groot respectievelijk €. 3090,-- en €. 4101,20.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

Legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde sub 1 primair in de tweede plaats en sub 2 primair in de tweede plaats tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot respectievelijk €. 3090,-- en €. 4101,20 ten behoeve van respectievelijk de benadeelde [benadeelde O.E.] en [benadeelde Y.E.], beiden voornoemd, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van respectievelijk 61 en 82 dagen zal worden toegepast, Verstaat dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde

bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen de bedragen te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partijen de verschuldigde bedragen heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van die bedragen komt te vervallen.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 primair in de tweede plaats, sub 2 primair in de tweede plaats, sub 3, en sub 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Aldus gewezen door mr. Teekman, voorzitter, mrs. Bloebaum en Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van Klaassen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 april 2004.